Jodorowsky’s Dune

Sony Pictures Classics

Aan grote ideeën bepaald geen gebrek. De Chileens-Franse filmmaker, striptekenaar en acteur Alejandro Jodorowsky wil halverwege de jaren zeventig een film maken met een hallucinerend effect, vertelt hij een kleine dertig jaar later begeesterd. Hij wil een profeet creëren die alle jonge mensen in de wereld kan veranderen. Iets heiligs, iets vrijs. Waarmee de geest kan worden geopend. ‘Voor mij’, benadrukt Jodorowsky nog maar eens, ‘wordt Dune niets minder dan de komst van een God. Een artistieke, cinematografische God!’

Tot zover de theorie, de praktijk blijkt weer eens verdomd weerbarstig. Na het succes van de cultfilms El Topo (1970) en The Holy Mountain (1973) ligt de wereld aan Jodorowsky’s voeten. De (over)ambitieuze regisseur voelt nochtans de drang om zich te bevrijden uit zijn ‘eigen gevangenis’. Hij stapt echter regelrecht de kerker van de Amerikaanse filmindustrie in. ‘En toen begon ik het gevecht om Dune te maken’, trapt hij de documentaire Jodorowsky’s Dune (88 min.) van Frank Pavich uit 2013 definitief af. En een gevecht zal het worden om de befaamde sciencefictionroman van Frank Herbert te verfilmen!

In eerste instantie verloopt alles crescendo. Voor het storyboard vraagt Jodorowsky de befaamde Franse striptekenaar Jean Giraud (Blueberry), alias kunstenaar Moebius. Hij gaat in zee met de special effects-expert Dan O’Bannon en weet zelfs de Britse superband Pink Floyd te verleiden om de soundtrack te maken. En nadat de regisseur de Amerikaanse acteur David Carradine (Kung Fu) heeft gestrikt voor een belangrijke rol, volgen er nog enkele andere héle grote namen, zoals de befaamde Spaanse kunstenaar Salvador Dali, met zijn muze Amanda Lear. Mick Jagger. En, jawel, Orson Welles.

Totdat de machine plotsklaps tot stilstand komt. De filmstudio’s in Hollywood zijn eensgezind: het plan is super, maar ze hebben hun twijfels over de regisseur. ‘Dit systeem maakt slaven van ons’, reageert die venijnig. ‘Zonder waardigheid, zonder diepte. Met een duivel in onze zak.’ Waarna Alejandro Jodorowsky theatraal een stapeltje geldbiljetten tevoorschijn haalt. Einde verhaal! Regisseur Nicolas Winding Refn is de enige die de film ooit heeft gezien. In zijn hoofd, op bezoek bij Jodorowsky. Die liet hem z’n eigen Dune-boek zien en schetste daarbij de film. ‘En ik kan je vertellen: hij is geweldig!’

Sterker: Dune is waarschijnlijk de beste film die nooit is gemaakt. Dat wordt tenminste gezegd door Richard Stanley. Hij stond zelf ook aan het roer bij een gedoemde film, die uiteindelijk overigens wél is gemaakt: The Island Of Dr. Moreau (1996). En aan het rampzalige productieproces daarvan is ook weer een docu gewijd: Lost Soul: The Damned Journey Of Richard Stanley’s Island Of Dr. Moreau (2014). Vergeleken daarmee heeft Jodorowsky’s Dune echter een heel andere toon. Deze documentaire is vooral een ode aan wat had kunnen zijn – en aan een maker die z’n tijd nét iets te ver vooruit was.

Een groot kunstwerk dat altijd in het hoofd van de maker is blijven steken – en waarvan de ideeën, zo toont Pavich feilloos aan in de apotheose van deze terugblik, hun weg hebben gevonden naar andere Hollywood-hits. Dune wordt zelf overigens ook nog verfilmd. Door niemand minder dan David Lynch. ‘Het is een totale mislukking!’ constateert Jodorowsky met onverholen ‘schadenfreude’. Zeker niet de sciencefiction-klassieker die hij voor ogen had. Die wordt in 1977 wél gemaakt door George Lucas. En ook in Star Wars zijn onmiskenbaar ideeën van Jodorowsky te herkennen. Op Dune is ‘t dan nog wachten tot 2021, als het eerste deel van Denis Villeneuves epos verschijnt.

The Man Who Definitely Didn’t Steal Hollywood

Wonderhood / Videoland

Il Leone Di Orvieto zou een goede titel kunnen zijn. Of: The Man Who Came From Nothing. Want Giancarlo Parretti kan écht niet akkoord gaan met The Man Who Stole Hollywood, de originele titel van deze documentaire van John Dower. De flamboyante filmbons heeft zin om te gaan draaien, zegt hij in de openingsscène, maar dan moet er wel eerst een andere naam komen. Anders tekent hij de samenwerkingsovereenkomst niet.

Gelukkig vindt Dower zelf ‘t ook een verschrikkelijke titel. Die komt van zijn producers, zegt hij. De Britse documentairemaker stelt de keuze dus nog maar even uit. Eerst maar eens dat portret maken van de Italiaan die in 1990 voor het luttele bedrag van 1,3 miljard dollar Metro-Goldwyn-Mayer (MGM), de Amerikaanse filmstudio van die schreeuwende leeuw, op de kop tikte. Geen mens weet overigens hoe de voormalige ober uit Orvieto aan dat geld kwam. Van Silvio Berlusconi misschien? De maffia? Of toch de Libische leider Gaddafi?

Met de filmmagnaat zelf en lieden uit ‘s mans entourage zoals zijn zakenpartner Florio Fiorini, MGM-topman Alex Yemenidjian en regisseur Fred Schepisi (die het bekroonde Meryl Streep-vehikel A Cry In The Dark maakte voor Parretti, een film die de studiobaas zich helemaal niet meer kan herinneren) probeert Dower die bizarre geschiedenis te ontrafelen. Hij stut zijn reconstructie met archiefbeelden, filmfragmenten én verfilmde passages uit het leven van zijn hoofdpersoon – al zijn die helaas nooit voorbij de storyboard-fase gekomen.

Lekker luchtig, met veel humor en toch scherp slalomt deze heel vermakelijke schelmendocu door Parretti’s dubieuze handel en wandel. Die blijkt te zijn gefaciliteerd door de Franse bank Crédit Lyonnais, waarbij ook de Nederlandse vestiging daarvan nog hand- en spandiensten heeft verleend. Intussen kunnen de filmmaker en de filmbaas, die ondanks zijn jaren in de Amerikaanse entertainmentindustrie nog altijd niet of nauwelijks Engels spreekt, ‘t maar niet eens worden over een titel. The Man Who Bought The Lost Hollywood wordt ‘t ook niet.

The Man Who Definitely Didn’t Steal Hollywood (88 min.) dan maar?

Trailer The Man Who Definitely Didn’t Steal Hollywood

Easy Riders, Raging Bulls: How The Sex, Drugs And Rock ‘N’ Roll Generation Saved Hollywood

BBC

Vraag een willekeurige kenner van de Amerikaanse cinema om z’n favoriete periode te noemen en dikke kans dat ie met de seventies op de proppen komt, de jaren waarin regisseurs de macht grepen in Hollywood. Peter Biskind schreef daarover in 1998 een machtig interessant boekEasy Riders, Raging Bulls: How The Sex, Drugs And Rock ‘N’ Roll Generation Saved Hollywood (113 min.). Vijf jaar later volgde de bijbehorende documentaire van Kenneth Bowser.

Met de generatie die destijds de ommekeer bewerkstelligde in de filmwereld schetst Bowser hoe grote studio’s zoals Warner Brothers, Paramount en 20th Century Fox halverwege de jaren zestig de concurrentiestrijd met televisie leken te hebben verloren en op omvallen stonden. Uit pure noodzaak ontstond er vervolgens ruimte voor eigenzinnige filmmakers die, gevoed door Europese cinema en opgegroeid binnen het B-film circuit, de vastgelopen industrie daarna een gigantische opdonder verkochten.

Kaskrakers zoals Bonnie And Clyde, Easy Rider, Midnight Cowboy, The Wild Bunch, The Last Picture Show, The Godfather, American Graffiti, Mean Streets, The Exorcist, Chinatown, Taxi Driver en Raging Bull weerspiegelden perfect de tijdgeest en toonden aan dat eigenzinnige films, waarbij de regisseur ‘final cut’ had bedongen, wel degelijk een groot publiek konden bereiken. Met het succes kwamen echter ook de enorme ego’s, neuroses en verslavingen.

Verteller William H. Macy loopt dit interessante stuk filmgeschiedenis netjes door met anti-establishment filmmakers zoals Peter Bogdanovich, Dennis Hopper, Arthur Penn, Paul Schrader en John Milius (waarbij opvalt dat Francis Ford Coppola, Martin Scorsese, William Friedkin en Robert Altman ontbreken; zij zijn wél van de partij in een documentaire uit hetzelfde jaar over precies hetzelfde thema, A Decade Under The Influence). Verder laat hij de acteurs Cybill Shepherd, Peter Fonda, Ellen Burstyn, Richard Dreyfuss en Karen Black aan het woord over hun ervaringen en lardeert hun herinneringen met een stortvloed aan filmfragmenten.

Zo ontstaat een levendig beeld van de jaren waarin de filmgekken voor heel even het gesticht konden overnemen. Totdat Steven Spielberg en George Lucas – zo wil althans de Hollywood-versie van de gebeurtenissen – met respectievelijk Jaws en Star Wars korte metten maakten met de hoogtijdagen van de Amerikaanse auteurscinema en de tijd inluidden van de blockbuster, een nieuwe variant op de aloude B-film die met een gigantisch budget mocht worden gemaakt én gepromoot.