White With Fear

So Much Film / PBS

Tijdens de Amerikaanse presidentscampagne van 1968 vindt Richard Nixon de sleutel naar verkiezingswinst: maak de witte kiezer bang voor zwarte inwoners, zónder openlijk racistisch te klinken. Hij begint te spreken over ‘law & order’ en de goede verstaander weet dan wel wie/wat hij bedoelt: die vermaledijde zwarte Amerikanen. Sindsdien is datzelfde procedé nog door talloze conservatieve politici toegepast. Ze spreken over ‘welfare queens’, ‘illegal aliens’ of ‘gangbangers’, termen die volgens Ian Haney López, auteur van Dog Whistle Politics, werken als een hondenfluitje.

Het grote geheim van de Amerikaanse politiek, citeert historicus Kevin Kruse de Nixon-fluisteraar Kevin Phillips in de interessante documentaire White With Fear (84 min.), is nu eenmaal: ‘wie haat wie?’ Deze vraag krijgt nieuwe dimensies na de terroristische aanslagen van 11 september 2001 als de Republikeinse president George W. Bush de oorlog verklaart aan Osama bin Ladens Al-Qaeda en er in zijn land een anti-moslim stemming ontstaat, die vervolgens door de rechtse televisiezender/woedemachine Fox News wordt uitgebouwd tot een heuse cultuuroorlog.

Na de entree van Amerika’s eerste zwarte president Barack ‘Hussein’ Obama, die dus ook nog in verband kan worden gebracht met islam, gaat de ‘witte haat-industrie’ vanaf 2008 helemaal los. ‘De strategie was om reactionaire, racistische beelden over niet-witte immigranten aan de achterban te presenteren als politieke keuzes van de elite om de hardwerkende witte man te verraden’, vertelt Katie McHugh, voormalig medewerker van de website Breitbart, die ziet hoe haar werkgever ook doelbewust wordt ingezet als werktuig van een nieuwe politieke kracht, Donald Trump.

Documentairemaker Andrew Goldberg akkert de tumultueuze historie van het exploiteren van latente onlustgevoelens bij witte Amerikanen, vervat in talloze unheimische speeches, uitspraken en campagnefilmpjes, door met insiders uit beide politieke partijen, zoals Hillary Clinton en Steve Bannon, en een aantal neutrale beschouwers. Trump – en de man die hem zijn meest extreme taal influistert: Stephen Miller – is zo bezien een logisch gevolg van ruim een halve eeuw, vanuit zowel electorale als financiële motieven, doelbewust inspelen op de onderbuik.

‘Het fascinerende aan Donald Trump is dat hij het hele spelbord heeft omgegooid’, stelt de historicus Rick Perlstein, auteur van Nixonland. ‘Van het hondenfluitje heeft hij een stoomfluit gemaakt. Dat zou hem natuurlijk nooit zijn gelukt zonder het fundament van 55 jaar Republikeins hondengefluit.’ Waarna Donald Trump daar in zijn acceptatiespeech op de Republikeinse conventie van 2016 hoogstpersoonlijk een uitroepteken achter plaatst, met een Nixonesk eufemisme: ‘We worden een land van law & order.’

Welfare

IDFA

Je geld voor je leven. Daar komt het simpelweg op neer, aan de balie van de sociale dienst. In ruil voor een uitkering wordt je complete bestaan binnenstebuiten gekeerd. Aan de andere kant van die balie begint iemand – streng, begripvol, bureaucratisch, verveeld of, hopelijk, menselijk – je het hemd van het lijf te vragen. Alles moet op tafel: je werkeloosheid, beperking, huwelijk, verslaving en/of dakloosheid. Aan één balie, in een kantoortuin. Om je heen zitten mensen zoals jij. Minkukels, outsiders, losers… Althans, zo voelt het.

Mensen die hopen dat jij opschiet, anderen die lusteloos hun tijd uitzitten. Sommigen staan in je nek te hijgen, anderen onderbreken rustig jouw gesprek. Frederick Wiseman (Titicut Follies / High School), de grootmeester van de direct cinema, kijkt ook mee en tekent in Welfare (167 min.) uit 1975 de gesprekken op tussen medewerkers van een sociale dienst in New York en hun cliënten over Amerikaanse varianten op burgerservicenummers, echtscheidingspapieren, belastingformulieren, medische dossiers en toeslagen. Het is alsof je er, een halve eeuw later, naast staat en stiekem meekijkt en -luistert.

Dat is meteen de kracht en de zwakte van deze documentaire-klassieker. Met hedendaagse ogen bekeken, die al een overload aan d’rop & d’rover social media-filmpjes hebben aanschouwd, duren die (intake)gesprekken, werkoverleggen en terzijdes, waaronder het eindeloze gebekvecht tussen een zwarte portier en een veteraan die zich uiterst racistisch uitlaat, echt veel te lang. Er lijkt nauwelijks verschil te bestaan tussen de vertelde tijd, de totale lengte van het door Wiseman gefilmde beeldmateriaal, en de verteltijd, de lengte van de scène die hij van dat gefilmde materiaal heeft gemaakt.

Toen Frederick Wiseman Welfare maakte, was het feit dat hij het reilen en zeilen bij een uitkeringsinstantie überhaupt kon filmen waarschijnlijk al bijzonder genoeg. Een kleine vijftig jaar later wreekt het lage verteltempo zich echter een beetje. Voor 21e eeuwse kijkers worden sommige scènes, die regelmatig de tien minuten-grens doorbreken, bijna een bezoeking. Een strenge eindredacteur zou Wiseman voor dit materiaal nu hooguit anderhalf uur hebben gegeven. En dan zou de boodschap van deze observerende zwartwit-film nog heel overtuigend over het voetlicht zijn gebracht.

Want dat mensen die een uitkering willen volledig afhankelijk zijn van de goodwill van de mensen die hun aanvraag behandelen en het bureaucratische systeem waarbinnen die moeten werken is vanaf de allereerste seconde van Welfare glashelder. En dat stemt wanhopig, maakt strijdbaar of slaat juist murw. Als je je complete leven hebt overlegd en dan maar moet afwachten totdat – óf! – die check komt.