Documentaire maken in real time, het kan. Slechts twee dagen na de WK-finale verscheen Les Bleus 2018, Au Coeur De L’épopée Russe (122 min.), een gelikte achter de schermen-film over het Franse voetbalelftal dat uiteindelijk de wereldtitel in de wacht zou slepen. De documentaire is in twee delen op YouTube te bekijken, waarbij je de kreupele ondertiteling voor lief moet nemen.
Erg diep graaft die film natuurlijk niet en de toon blijft altijd positief – naar de blunder van keeper Hugo Lloris in de WK-finale tegen Kroatië zul je bijvoorbeeld tevergeefs zoeken. De filmmakers Emmanuel le Ber en Théo Schuster hebben echter wel opmerkelijk veel toegang gekregen. Voor, tijdens en na de wedstrijd lijkt de camera overal welkom te zijn; van de wedstrijdbesprekingen van coach Didier Deschamps tot het opmaken van de balans in de rust en de euforie na alwéér een gewonnen wedstrijd. De spelers doen daarnaast regelmatig hun verhaal in een soort dagboekcamera en worden gefilmd als ze zich ontspannen of prepareren voor de volgende wedstrijd.
Intussen wordt glashelder wie de absolute leider is van de ploeg: Manchester United-middenvelder Paul Pogba. Voor de wedstrijden geeft hij steeds een ongenadige peptalk (‘we zijn gekomen om deze fuckin’ wereldcup te winnen’), tijdens de negentig minuten stroopt hij het hele veld af en na afloop geeft hij letterlijk het tempo aan bij het feestgedruis. Het voetbal van Les Bleus tijdens het wereldkampioenschap in Rusland mag dan wat al te zakelijk zijn gebleven, deze backstagedocu met straffe beelden en kekke muziekjes laat zien dat de kersverse wereldkampioen achter de schermen wel degelijk flink kon swingen.
Op Netflix is nog altijd Les Bleus: Une Autre Histoire De France 1996-2016 te zien, een documentaire waarin twintig turbulente jaren van het Franse elftal in beeld worden gebracht en zo meteen een beeld wordt geschetst van (de strubbelingen in) het hedendaagse, multiculturele Frankrijk.
Frankrijk is nog geen wereldkampioen of wij Nederlanders richten het vizier – noodgedwongen – alweer op het volgende wereldkampioenschap, in Qatar in 2022. Over vier jaar moet er een uitgebreide voetbalinfrastructuur zijn aangelegd in de Arabische golfstaat, die tegen de verwachtingen in enkele jaren geleden de organisatie van het WK heeft bemachtigd.
In dat kader verblijven er inmiddels ruim anderhalf miljoen, grotendeels Aziatische, Afrikaanse en Arabische arbeiders in Qatar. Gezamenlijk vormen ze op dit moment zestig procent van de totale bevolking van het land. Ze wonen in werkkampen en maken zo’n twaalf uur per dag, vaak zeven dagen per week. De arbeidsomstandigheden zijn belabberd. Al te veel gelegenheid om te klagen of een andere baan te zoeken is er echter niet, want hun werkgever heeft hun werkvergunning in beheer.
Gelukkig mogen ze zelf ook een potje voetballen. De bedrijven waarvoor ze werken hebben zich ingeschreven voor de strijd om The Workers Cup (58 min.), een toernooi dat door de WK-organisatie is georganiseerd om het voetbal in eigen land te promoten. Deze stevige documentaire van Adam Sobel volgt enkele spelers van het team van de Gulf Contracting Company (GCC). ‘Ons bedrijf heeft veel voor ons gedaan en daarom moeten we vandaag winnen’, houdt trainer Dean zijn mannen uit Kenia, Ghana, India en Nepal voor. Daarbij kunnen ze volgens hem uit eigen kracht putten: ‘eenheid in diversiteit.’
Buiten het veld bestaat het leven van de spelers uit niet veel meer dan werken, waarbij ze tussen de bedrijven door contact proberen te houden met hun vroegere leven en de geliefden die zijn achtergebleven in eigen land. Binnen de lijnen vinden ze een gelegenheid om zich te onderscheiden. De wedstrijden worden beleefd als echte WK-krakers. Waar hun werkgever vooral uit lijkt op prestige, staat er voor de voetballers zoiets elementairs als zelfrespect op het spel. Hoe blijf of word je meer dan een onbeduidend radertje in het systeem? Met een benutte penalty of katachtige reflex misschien?
Nog niet zo lang geleden was er niets leukers te bedenken: beelden van een terneergeslagen ‘Mannschaft’ die zojuist de deksel op de neus heeft gekregen. Toen de documentaire Deutschland Ein Sommermärchen (107 min.) werd uitgebracht in 2006, heeft menige Nederlandse voetballiefhebber vast nog likkebaardend gekeken naar de openingsscène: Duitse internationals in zak en as, na de nederlaag tegen Italië op het WK in eigen land.
De redeloze haat tegenover ‘die Duitsers’, waarbij verwijzingen naar de oorlog en 1974 nooit van de lucht waren, behoort gelukkig tot het verleden. Die ommekeer werd ingezet met datzelfde positief ingestelde Duitse elftal van 2006, zo roept deze documentaire van Sönke Wortmann nog maar eens in herinnering. Onder de hoede van coach Jürgen Klinsmann is de luizenploeg van weleer omgevormd tot een team waar ook de rechtgeaarde voetballiefhebber van kan houden. Met succes bovendien, getuige de derde plaats op het wereldkampioenschap.
Na de gewonnen openingswedstrijd tegen Costa Rica laat de ware Klinsmann zich direct kennen. ‘Geil!’, blijft hij maar roepen tegen zijn vermoeide spelers. ‘Die pakken ze ons niet meer af.’ Die positieve insteek tekent de coach Klinsmann, die in deze film als een op Amerikaanse leest geschoeide motivator opereert. De tactische besprekingen laat hij veelal over assistent Joachim Löw, die als zijn opvolger in 2014 de wereldcup overigens wel naar Duitsland zou brengen. Gezamenlijk durven ze ook harde keuzes durven te maken: Jens Lehman onder de lat bijvoorbeeld, in plaats van de onvermijdelijke Oliver Kahn. De eeuwige rivalen spreken er eerlijk over.
Deze traditioneel opgezette documentaire lijkt soms bijna te mooi om waar te zijn. Als in: is dit werkelijk de ongepolijste achterkant van het Duitse elftal? Of waren al die brave borsten, die we zien tijdens het bowlen, groepsgewijs handtekeningen zetten of luieren op hun hotelkamers, zich maar al te bewust van de camera? Wortmann heeft in elk geval ongeëvenaarde toegang gekregen tot de ploeg en beschikt met Lukas Podolski bovendien over zijn eigen spion, die met een cameraatje zelfs doordringt tot de badruimte.
Als je het Duitse voetbal nog altijd associeert met professionele etters als Lothar Matthäus en Rudi Völler, dan kantelt Deutschland Ein Sommermärchen (dat zonder ondertiteling in zijn geheel op YouTube is te bekijken) dit beeld volledig. Sterker: als de gehele selectie, inclusief trainersstaf, in de bus luidkeels begint mee te galmen met de schlager Marmor, Stein Und Eisen Bricht, lijken ze even een doodgewoon voetbalelftal dat zojuist zijn wekelijkse partijtje heeft gewonnen en nu onderweg is naar de kantine.
Stel: de harde kern van Feyenoord besluit om zijn eigen slogan (‘geen woorden maar daden’) in de praktijk te gaan brengen en gaat de straat op om de regering omver te werpen. Ongeloofwaardig, niet? Zoiets gebeurde er nochtans in 2011 in Egypte. En in de eerste dagen van de Arabische lente trok de plaatselijke variant op Feyenoord, Al-Zamalek uit Giza, zelfs op met de aanhang van de grote rivaal Al-Ahly uit Caïro.
De zogenaamde ultra’s claimden een sleutelrol in het verzet tegen de Egyptische dictator Mubarak op het Tahrirplein en vochten daar ook gedurig met de politie. Bij een uitwedstrijd van Al-Ahly bij Al-Masry uit Port Said zette de gevestigde orde twee jaar later de tegenaanval in. Gewapende supporters van de thuisploeg maakten 72 dodelijke slachtoffers onder de uitfans. Het was een vooropgezet plan, volgens enkele Al-Ahly-supporters in de documentaire Ultra’s Van Egypte (54 min.). Later zouden er nog tientallen fans van Al-Masry en Al-Zamalek sneuvelen bij rellen.
De belangrijkste bijzaak van de wereld werd gaandeweg meegezogen in een burgeroorlog. In deze interessante film reconstrueren Frederick Mansell en Laurens Samsom (die eerder Palestijnse voetballers portretteerden in de interactieve documentaire Team Gaza) met archiefbeelden, geanimeerde reconstructies en getuigenissen van (geanonimiseerde) betrokkenen de vijandelijkheden tussen de verschillende partijen. Voetbal verwordt daarbij tot bijzaak, in een gevecht op leven en dood. Waarbij aanvallen desondanks de beste verdediging blijft.
Die grimmigheid is terug te horen in de supportersgezangen. Geen ’Op Een Slof En Een Oude Voetbalschoen’ (Ajax) of ’Vooruit Nu Rood-Witten’ (PSV) in de stadions of op de pleinen van Egypte. ‘Alleen de dood kan de liefde stoppen’, klinkt ’t bijvoorbeeld gepassioneerd in het clublied van Al-Ahly. En dat gaat echt niet alleen over voetbal.
In het seizoen 1999-2000 maakte Ajax zich op om een geweldig eeuwfeest te vieren. Met een kampioenswaardige selectie, traditionele tenues met zwarte kousen én een heuse documentaire. Filmmaker Roel van Dalen kreeg toestemming om het seizoen dat natuurlijk moest worden bekroond met een kampioenschap van binnenuit vast te leggen. Het zou anders lopen. En dat kwam Ajax: Daar hoorden Zij Engelen Zingen (91 min.) natuurlijk alleen maar ten goede. Want zonder drama geen interessante film.
Het seizoen begint nog hoopvol. Hoofdtrainer Jan Wouters is bij de start van het seizoen vol vertrouwen, zeker als manager Danny Blind met de Griek Nikos Machlas op de valreep een absolute topspits binnen hengelt. Al snel komt de klad er echter in bij de zelfverklaarde Godenzonen en krijgt de piepjonge Cristian Chivu, die later furore zou maken als speler van AS Roma en Inter Milaan, een sleutelrol in het zwalkende elftal toebedeeld, een rol waarvoor hij helemaal niet klaar is.
Stap voor stap wordt het eerste elftal van Ajax afgeschminkt, totdat er alleen nog frustratie en wanhoop overblijft, verpersoonlijkt door de gewonde blik van de trainer. Terwijl de aanhang ‘Wouters, rot op’ scandeert, begint hij steeds meer op een bokser te lijken die nét een uppercut te veel heeft moeten incasseren. Als Wouters na alweer een desastreuze wedstrijd alleen, en begeleid door dramatische klassieke muziek van Ernst Reijseger, de spelonken van het stadion opzoekt, staat zijn lot eigenlijk al vast. Hij rookt een laatste sigaret.
Intussen kijkt Van Dalen ook mee in de jeugdopleiding van de Amsterdamse voetbalclub, waar piepjonge versies van latere topspelers als Gregory van der Wiel, Nordin Amrabat en Jeremain Lens zijn te herkennen. Dat levert memorabele scènes op, als de jongetjes rond wedstrijden en tijdens beoordelingsgesprekjes de Ajax-mores wordt bijgebracht. ‘Want wat zeg ik altijd?’ vraagt jeugdtrainer Robin Pronk bijvoorbeeld naar de bekende weg in de kleedkamer. ‘Bij Ajax zijn we…’ ‘Heel goed’, antwoordt één van de D1-spelertjes net iets te snel. ‘Nooit tevreden’, vult de rest van de elfjarige jongetjes braaf aan. Een groot deel van hen zal nooit het eerste elftal halen.
Dat geldt al helemaal voor de spelers die zich melden bij de voetbalschool in Ghana, waar een team van Ajax naar talenten speurt. ‘There is one important restriction’, declameert hoofdscout Jan Pruijn op autoritaire toon en in bloemkool-Engels. ‘We are not wasting time and sometimes money to look to players who are not in the right age.’ Even later voegen ze de daad bij het woord en worden spelers waarvan wordt vermoed dat ze jokken over hun leeftijd letterlijk aan de kant geduwd.
Velen zijn hen op dat gebied voorgegaan en ongetwijfeld zullen er nog veel meer volgen, zo hebben de afgelopen jaren wel aangetoond. Want Ajax mag dan de populairste club van het land zijn, die een diepgewortelde liefde bij zowel spelers en trainers als bestuurders en fans losmaakt. Het is ook een geliefde, waarvan je weet dat ie je vroeger of later, met veel bombarie waarschijnlijk, aan de kant zal zetten. In deze treurmars van een documentaire zit zulke tragiek, die de belangrijkste bijzaak van de wereld nu eenmaal kan losmaken, in zo’n beetje elke scène verscholen.
Ajax is meer dan een voetbalclub. Ajax is ook een soort idee, van superieur Nederlands voetbal dat de wereld verovert. Misschien verklaart dat waarom er over mijn favoriete club, PSV, geen serieuze documentaires zijn gemaakt en ik zo nog twee andere interessante films kan opnoemen over de directe concurrent: De Superjoden Van Ajax (over de, soms lastige, relatie tussen Ajax en Joden) en Mijn Bovenburen (over meneer Schoevaart, die al tachtig jaar lid is van Ajax en naar verluidt Sjaak Swart nog heeft leren voetballen).
Intussen wacht ik natuurlijk, tegen beter weten in, op dat diepgravende psychologische portret van Willy en René van de Kerkhof, een artistieke documentaire over de lange, lange weg van Wilfred Bouma (werktitel: Fredje Op Links) of een vlieg op de muur-film over mijn favoriete voetballer van dit moment, Joshua Brenet. Hoe manifesteert deze gemaakte linksback, die zojuist kampioen is geworden, zich volgend jaar aan zijn vertrouwde rechterflank?
Wiljan Vloet liet als algemeen directeur van Sparta ooit camera’s in de kleedkamer installeren. Ze zorgden voor tweespalt binnen de selectie van de Rotterdamse voetbalclub en werden al snel weer verwijderd. Net als Vloet zelf trouwens. Deze documentaireserie over de Italiaanse voetbalclub Juventus belooft een zelfde soort openhartigheid, maar coach Massimiliano Allegri hoeft voorlopig niet te vrezen voor zijn positie. First Team: Juventus (120 min.) is volstrekt ongevaarlijk.
Want deze serie, die voorlopig uit drie afleveringen van ongeveer veertig minuten bestaat en aan het eind van het seizoen wordt afgerond, gaat ongeveer op dezelfde manier om met de werkelijkheid als al die bestsellende voetbalbiografieën die niets minder dan ‘de waarheid’ beloven. Met sterke verhalen, smeuïge details uit de kleedkamer en een enkele, slim uitgevente bekentenis proberen die de schijn van volledige openhartigheid te creëren. Terwijl de hoofdpersonen hun echte zielenroerselen vaak gewoon voor zich kunnen houden.
Dit (zelf)portret van de Turijnse topclub, die al zes keer achter elkaar Italiaans kampioen is geworden, doet min of meer hetzelfde: beelden van tactische besprekingen, sponsorverplichtingen en de spelers thuis suggereren dat de makers de binnenkant van ‘De Oude Dame’ kunnen laten zien. In werkelijkheid blijven ze volledig aan de oppervlakte steken en wordt First Team: Juventus nooit meer dan een gelikte terugblik op de eerste helft van het lopende voetbalseizoen, compleet met de verplichte strakke plaatjes, kekke muziekjes en stuitende voetbalclichés. Een luxe variant op wat we in Nederland Club TV noemen, die alleen voor verstokte Juve-fans is te verteren.
‘Ik ga niet spelen of me omkleden in de buurt van…’, zegt de Britse voetbalinternational John Fashanu (Wimbledon) zonder te verblikken of verblozen tijdens een televisie-interview uit 1990. Hij heeft het over zijn oudere broer Justin, die zojuist als eerste voetbalprof uit de kast is gekomen. Justin en John groeiden samen op, als de donkere kinderen van een blank pleeggezin.
Justin Fashanu, de hoofdpersoon van Forbidden Games (80 min.), was allereerst een getalenteerde voetballer. In 1980 scoorde hij het doelpunt van het jaar in Engeland, een jaar later werd hij de eerste zwarte speler waarvoor een miljoen pond werd betaald. Bij Nottingham Forest wilde het echter niet lukken met de Engelse jeugdinternational. Hij moest al snel weg. Volgens oud-medespeler Frank Clark omdat manager Brian Clough, zelf onlangs ook de hoofdpersoon van een documentaire, had gehoord dat Fashanu regelmatig het plaatselijke gaycircuit bezocht.
In de navolgende jaren zwierf de ooit zo veelbelovende aanvaller van B-club naar C-vereniging, terwijl hij ondertussen van het ene in het andere schandaal belandde; van een affaire met een Brits parlementslid tot roddels over seks met minderjarige schandknapen. Fashanu, de ontheemde zwarte jongen die vanwege zijn talent ooit liefdevol was opgenomen door de voetballerij, werd gaandeweg een outcast in diezelfde wereld.
Het is een dramatisch en gelaagd verhaal, waarbij de gecompliceerde hoofdpersoon echt niet alleen slachtoffer van zijn situatie is. Met vaste hand portretteren de filmmakers Adam Darke en John Carey de met tragiek omgeven Justin Fashanu in deze boeiende documentaire, die het niveau van de gemiddelde sportfilm met gemak ontstijgt.
Homoseksualiteit en voetbal, het blijkt een dikke twintig jaar later nog altijd een ongemakkelijk huwelijk. Deze week was er bijvoorbeeld ophef rond oud-international Ruben Schaken, die in zijn biografie memoreerde dat hij bij Feyenoord met twee homo’s zou hebben gevoetbald en daarbij ook nadrukkelijk vermeldde dat hij zich daarvan distantieerde.
Persoonlijke noot: in 2005 maakte ik voor Omroep Brabant een portret van zaalvoetbalinternational en -oud-prof John de Bever, tegenwoordig actief als levensliedzanger, die zich toen openlijk uitsprak over zijn homoseksualiteit. Voor zover ik weet is hij de bekendste Nederlandse voetballer die uit de kast is.
Wat zijn de gevolgen als je als filmmaker voor God speelt? En ben je dan ook verantwoordelijk voor die gevolgen? Het zijn vragen die Jos de Putter zichzelf stelt in de film Solo, Out Of A Dream (55 min.) uit 2015. Hij zoekt daarin de Braziliaanse voetballer Leonardo op, die mede door zijn toedoen in Europa is beland.
Twintig jaar eerder filmde De Putter Leonardo, toen een eerzuchtig en heetgebakerd joch van elf uit een sloppenwijk van Rio de Janeiro, voor het eerst. Samen met zijn vriendje Anselmo droomde Leo, die opgroeide zónder vader en mét een ingewikkelde moeder, van een bestaan als profvoetballer – en daarmee van een ontsnapping uit het bikkelharde leven in de favela.
De documentaire Solo, De Wet Van De Favela (52 min.) uit 1994 effende het pad voor Leonardo naar Europa. Hij groeide als voetballer op bij Feyenoord en speelde tijdens zijn turbulente carrière ook nog voor Ajax, Red Bull Salzburg en Ferencvaros. Anselmo, zo was destijds al wel duidelijk, zou veroordeeld blijven tot ballen op een plaatselijk trapveldje en overleven in de Braziliaanse ‘urban jungle’.
De vraag wie van de twee uiteindelijk het beste terecht is gekomen lijkt op voorhand eenvoudig te beantwoorden. Het leven laat zich echter niet zo gemakkelijk in simpele conclusies vervatten, zo realiseert Jos de Putterzich met de wijsheid van nu. Is Leonardo, wiens voetbalcarrière na een kortstondig verblijf bij FC Eindhoven onlangs met een nachtkaars lijkt te zijn uitgegaan, werkelijk beter geworden van zijn avonturen in het verre Europa?
Eigenlijk vertelt een kleine scène aan het einde van de film het gehele verhaal van Dirk Kuijt. Nadat hij zijn derde doelpunt heeft gescoord in Feyenoords kampioenswedstrijd, zoekt Dirk met ontbloot bovenlijf de cornervlag weer op, die hij even daarvoor enthousiast in de lucht heeft gestoken. Hij zet hem terug op zijn plek, trekt zijn shirt weer aan en incasseert vervolgens begripvol de verplichte gele kaart.
Keurige jongen, die Dirk Kuijt. De Joris Goedbloed van het Nederlandse voetbal. Een man die trouw is gebleven aan zijn vrienden van vroeger, voor iedere fan een vriendelijk woordje heeft en in de Bijbel leest voor de wedstrijd. Een man ook met, en dat zou je misschien niet verwachten, een echte voetbalvrouw.
Gertrude Kuijt is de blikvanger van Kuyt (69 min), de documentaire die Deborah van Dam maakte over de oud-international die afgelopen zomer zijn kicksen aan de wilgen hing. Waar Dirk zelf vaak wat vlak blijft, maakt Gertrude van haar hart geen moordkuil. Terwijl hij bijvoorbeeld op beschaafde wijze mokt als ie op de reservebank belandt, doet zij daarover luidkeels haar beklag op de tribune.
Slechts een enkele keer laat de hoofdpersoon zich echt in zijn ziel kijken, bijvoorbeeld als hij vertelt over zijn vader, die slechts een beperkt deel van zijn carrière mocht meemaken. Dan blijkt Dappere Dirk Met De Roestvrijstalen Glimlach, die bijna twintig jaar voor volk en vaderland heeft gestreden, ineens ook maar een gewone, kwetsbare jongen.
Deze film moet het echter niet van groot menselijk drama hebben – ook omdat Feyenoord en zijn aanvoerder alsnog die felbegeerde landstitel in de wacht sleepten. Deborah van Dams Kuyt is vooral een alleraardigst kijkje in het leven achter de wedstrijd, waarbij Dirk en zijn entourage letterlijk alles uit de kast halen, ‘You Never Walk Alone’-T-shirts bijvoorbeeld, om die allerlaatste grote prijs veilig te stellen.
Ronaldo of Messi? Wie is de allergrootste? Of toch Cruyff, Maradona of Pelé? Geen zinnig mens zal in elk geval de naam Garrincha noemen. De Braziliaanse dribbelkoning met de kromme poten is al lang en breed vergeten.
Pelé en Garrincha, de helden van deze documentaire uit 2002 van Jean -Christophe Rosé, waren ooit de sterspelers van het Braziliaanse voetbalelftal dat in twaalf jaar tijd drie keer wereldkampioen werd. In een tijd, 1958 – 1970, dat voetbal nog in zwart-wit werd gespeeld en topspelers zoals Garrincha zich nog gewoon poedelnaakt onder de douche lieten filmen.
Toen het spel in de jaren zeventig letterlijk kleur kreeg, hadden spelers inmiddels de status van superster verworven. Gods Of Brazil: Pelé And Garrincha (70 min.) portretteert twee tegenpolen, waarvan de een, het aaibare supertalent van Santos, nét iets te goed en de ander, de ongepolijste volksjongen van Botafogo uit Rio de Janeiro, helemaal niet tegen die plotselinge roem bleek opgewassen.
Toen Pelé in 1970 zijn derde wereldtitel in de wacht sleepte, was zijn voormalige strijdmakker Garrincha al ten prooi gevallen aan een uiteindelijk dodelijke combinatie van drank, vrouwen en depressies. Deze film, waarin een wel erg dominante verteller een vergeten voetbaltijdperk laat herleven, doet je denken over hoe ’t huidige helden als Ronaldo of Messi zal vergaan.
Hoe lopen ze er over twintig jaar bij? Als volledig doorgestreste toptrainers, als zelfingenomen beste stuurlui aan wal of wellicht toch als overjarige parvenu’s met een levensgroot gat in de hand, de drang om alles steeds weer op het spel te zetten en/of een nooit te stillen honger of dorst?
De tijd, die Garrincha uiteindelijk inhaalde en Pelé nooit te pakken kreeg, zal het leren.
Op Netflix is een hele toffe documentaire te zien over de recente historie van het Franse voetbalelftal (1996-2016), de aanstaande tegenstander van het Nederlands elftal. Aan de hand van de lotgevallen van Les Bleus schetst de film tevens een beeld van (de strubbelingen in) het hedendaagse, multiculturele Frankrijk.
Scherpe maatschappelijke discussies, zoals over de islam en dubbele paspoorten, hebben de eenheid van ‘black-blanc-beur’ soms danig onder druk gezet. Als na de aanslagen van 11 september 2001 de spanningen in de banlieues oplopen, heeft dat bijvoorbeeld ook direct zijn weerslag op het Franse nationale voetbalelftal.
De docu Les Bleus: Un Autre Historie De France 1996-2016 (103 min.) behandelt daarnaast de successen (WK- en EK-winst) en helden (Zidane, Thuram en Henry) van het Franse voetbal van de laatste twintig jaar. Ook de schandalen komen aan bod: Zidanes kopstoot, de beruchte handsbal van Thierry Henry en de verkrachtingszaak rond Ribéry en Benzema.
De parallellen met het huidige Oranje zijn bovendien treffend: als de resultaten tegenvallen, zijn de spelers ineens lamzakken die maar eens moeten werken voor hun geld. Front National-leider Le Pen beklaagt zich er bijvoorbeeld over dat niet elke speler meezingt met het volkslied. Om de problemen te bezweren duwt de nieuwe coach Laurent Blanc zijn spelers in 2010 dus de tekst van Le Marseillaise in de hand.
Via de lotgevallen van ’t nationale voetbalelftal schetst Les Bleus een soort alternatieve historie van het hedendaagse Frankrijk, met als tragische apotheose de aanslagen op Charlie Hebdo, in de rockclub Bataclan en bij de oefenwedstrijd Frankrijk-Duitsland.
Zoals het een (voormalige) topvoetballer betaamt, heeft hij van zijn naam een soort merk gemaakt. Rio Ferdinand, de onverstoorbare verdediger van Manchester United die 81 interlands speelde voor Engeland en met zijn club zes keer landskampioen werd en één keer de Champions League won. Het type man dat niet mag huilen, zou je zeggen.
In de rechttoe rechtaan documentaire Rio Ferdinand: Being Mum And Dad (56 min.) zien we de mens achter het voetbalicoon. Een bijna-veertiger, die verder probeert te gaan nadat zijn vrouw Rebecca in 2015 is bezweken aan de gruwelijke ziekte met de K. Ineens moet Ferdinand, in zijn eigen woorden, zowel mama als papa zijn voor z’n drie opgroeiende kinderen.
Het is ongelofelijk dapper zoals hij dat proces van rouwverwerking voor de camera aangaat. De gewezen topsporter laat zich in therapiesessies en gesprekken met lotgenoten van zijn kwetsbaarste kant zien. Getuige deze aangrijpende film wil Rio Ferdinand het type man zijn dat wel degelijk zijn emoties mag laten zien. Zelfs in het openbaar.
Afgelopen week maakte Ferdinand bekend dat die K-ziekte opnieuw een slachtoffer heeft gemaakt in zijn familie: Rio’s moeder Janice overleed op 58-jarige leeftijd.
Aan Johan Cruijff, alweer ruim een jaar geleden overleden, zijn diverse documentaires gewijd. Nummer 14 Johan Cruijff natuurlijk, een zwierige ode aan de grootste Nederlandse voetballer aller tijden uit 1973, met die uit duizenden herkenbare themamuziek van Letty de Jong en good old Tonny Eyk.
Of Johan Cruijff: En Un Memento Dado, een al even poëtische poging van Ramón Gieling uit 2004. Over de liefde van gewone Catalanen voor de Nederlandse verlosser die in 1974 met FC Barcelona eigenhandig een einde maakte aan de heerschappij van aartsrivaal Real Madrid en Catalonië intussen weer wat zelfrespect gaf in de donkere jaren van het Franco-regime.
In de Spaanse documentaire The Last Match (70 min.) uit 2014 blikken voetbalkopstukken als Guardiola, Xavi en Cruijffs zoon Jordi (niet geheel toevallig een Catalaanse naam overigens) terug op zijn ruim veertigjarige relatie met Barcelona als speler, trainer en cultureel fenomeen.
‘Herinner me maar vanwege het voetbal’, zegt voormalig stervoetballer George Best twee maanden voor zijn dood tegen een interviewer. Het is één van zijn laatste quotes in de documentaire George Best: All By Himself (92 min.). Best realiseert zich dat hij ook onder een andere noemer de geschiedenisboeken in zou kunnen gaan.
Als de vijfde Beatle bijvoorbeeld, één van de allereerste voetbalidolen. Als een onvervalste playboy, die geen Miss World kon weerstaan. Of, het meest voor de hand liggend, als de onverbeterlijke drinkebroer die zijn talent verzoop.
Deze fraaie documentaire besteedt gelukkig ook ruim aandacht aan Georgie Best, de kwikzilveren aanvaller die Manchester United twee landstitels en die felbegeerde Europa Cup I bezorgde, maar ontkomt er niet aan om ook de schaduwzijden te belichten van de man die ooit over zichzelf zei: ‘In 1969 ben ik gestopt met vrouwen en alcohol. Het waren de beroerdste twintig minuten van mijn leven.’
Forever Pure lijkt misschien een voetbalfilm; over een topclub die twee buitenlandse spelers aantrekt om z’n prestaties op te krikken. Maar de voetbalwereld is niet meer dan een vrij willekeurig decor voor deze vlijmscherpe documentaire, waarin de spanningen tussen (conservatief) Israël en haar moslimomgeving centraal staan.
Premier Benjamin Netanyahu en minister Avigdor Lieberman, leider van de rechts-nationalistische politieke partij Yisrael Beiteinu, associëren zich graag met de Israëlische eredivisieclub Beitar Jerusalem FC. De harde kern van die club, La Familia, is berucht om zijn anti-Arabische uitspraken en vertegenwoordigt daarmee de zogenaamde hardliners van het land.
Het is dan ook niet vreemd dat Beitar helemaal op zijn kop komt te staan als eigenaar Arcadi Gaydamak in het seizoen 2012-2013 twee Tsjetsjeense moslims aantrekt voor de enige Israëlische club die nog nooit een Arabische speler had.
De Russische Jood Gaydamak kocht Beitar overigens ooit om zich te verzekeren van stemmen voor het burgemeesterschap van Jeruzalem. Als die campagne op een gigantische sof is uitgelopen, besluit hij (uit louter cynische overwegingen?) om bij Beitar de knuppel in het hoenderhok te gooien.
De twee aangetrokken moslims veroorzaken een stroom aan racistische reacties en zorgen tevens voor een genadeloze stammenstrijd binnen de populaire voetbalclub, waardoor bepaalde clubiconen ineens de risee van de eigen achterban worden.
Forever Pure (85 min.) van regisseur Maya Zinshtein legt dat malicieuze proces genadeloos vast. Voetbal is oorlog, zei Rinus Michels al eens, en kan dus ook, om de militaire theoreticus Von Clausewitz te parafraseren, een voortzetting van politiek met andere middelen worden.
Waarom werd scheidsrechter John Blankenstein op het allerlaatste moment van de Europa Cup I-finale van 1994 tussen AC Milan en Barcelona afgehaald? Die vraag staat centraal in de 101e uitzending van Andere Tijden Sport (30 min.). Was Blankensteins leven werkelijk in gevaar zoals de UEFA beweerde, werd hij misschien gezien als partijdig tegenover Cruijffs Barcelona óf wilde de Europese voetbalbond bij nader inzien toch geen openlijk homoseksuele arbiter?
John Blankenstein zelf wist het antwoord wel: zijn geaardheid had hem de finale gekost. De mannen die destijds de beslissing hebben genomen kunnen zich daar in Andere Tijden Sport echter niets meer van herinneren. Een brief met doodsbedreiging (uit de koker van Berlusconi’s Milan?) zou de reden zijn geweest om Blankenstein en zijn nog altijd verontwaardigde grensrechters te vervangen.
Niet veel later maakte een te trage Coopertest een definitief einde aan de loopbaan van de geboren scheidsrechter, die getuige de beelden van zijn afscheidswedstrijd, Roda JC – Fortuna Sittard in 1996, nog wel enkele jaren had meegekund. Vooral het geluid daarbij is prachtig: Blankenstein als heer en meester, die korte commando’s uitdeelt aan tierende en scheldende spelers.
Wat zijn we ná Dirks Droom (30 min.) wijzer over Neerlands ijverigste voetballer, Dirk Kuyt, en zijn ambitie om met Feyenoord kampioen te worden? Niets, eerlijk gezegd.
Deze gelikte reconstructie van Feyenoords laatste acht wedstrijden van dit seizoen, waarbij een speciale camera altijd op Kuyt is gericht, moet ’t niet hebben van zijn achter de schermen-beelden, privé-scènes of onthullende interviews. Hoe Dirk en zijn team de dramatische nederlaag tegen stadgenoot Excelsior, die hen wellicht de titel had kunnen kosten, hebben verwerkt, blijft bijvoorbeeld een raadsel.
Met doeltreffend camerawerk, bombastische muziek en het (overspannen) wedstrijdcommentaar van diverse radiostations wordt wel de beleving van die lange weg naar het eerste kampioenschap in achttien jaar voelbaar gemaakt. Het ‘Hand in hand, kameraden’-gevoel, zullen we maar zeggen.