Playing God

Hoeveel geld moet je neertellen voor een mensenleven? Dat verschilt nogal, eerlijk gezegd. ‘Als het een beurshandelaar of bankier is die op straat dood valt, dan moet je echt meer betalen dan bij een ober, soldaat, agent of brandweerman’, zegt Ken Feinberg nuchter in Playing God (98 min.). ‘Zo werkt het systeem nu eenmaal.’

De Amerikaanse advocaat weet waarover hij praat: Feinberg wordt met de regelmaat van de klok gevraagd om als arbiter op te treden als na een ramp, ongeluk of aanval de schade moet worden opgemaakt (en bedrijven of de overheid zelf mogelijke rechtszaken willen voorkomen). Na tragedies zoals de aanslagen van 11 september 2001, Orkaan Katrina en de Sandy Hook-school shooting was hij het die zich boog over de verzoeken van slachtoffers – of van lieden die een slaatje probeerden te slaan uit de situatie.

Dat vereist een olifantshuid. Eigenlijk kan een man als Kenneth R. Feinberg geen goed doen, er is altijd wel iemand die teleurgesteld is, z’n onmacht op hem richt of behoefte heeft om zijn woede te koelen. En geld – bloedgeld, zeggen sommigen – kan sowieso de onderliggende ellende nooit wegpoetsen. ‘Er zit geen enkel plezier in dat geld’, zegt Rosemary Cain, die een familielid verloor tijdens de aanslagen van 11 september. ‘Het is overladen met schuld.’

Deze interessante documentaire van de Duitse documentairemaakster Karin Jurschick behandelt de belangrijkste klussen en dilemma’s van Feinbergs werkzame leven, dat in de jaren tachtig een vlucht nam met een zaak van veteranen die compensatie wilden voor het gebruik van napalm tijdens de Vietnamoorlog, en zoekt daarbij ook de rafelranden op: is hij wel altijd zo onafhankelijk? Kan dat überhaupt in gevallen waarbij hij zelf is ingehuurd door een partij die de schade of het letsel heeft veroorzaakt?

Duidelijk is dat een levenlang salomonsoordelen vellen een wissel op je trekt. ‘Overdag zie ik het slechtste van de menselijke beschaving: dood, woede, frustratie, drama’, zegt Feinberg in de openingsscène, terwijl hij in het donker voor de televisie zit en weldadige klassieke muziek op zich laat inwerken. ‘In de nacht laaf ik me aan een concert of opera, het summum van menselijke beschaving: Wagner, Verdi, Beethoven, Brahms, Mahler.’

Intussen zwerft de camera over foto’s van Feinberg met allerlei Amerikaanse hoogwaardigheidsbekleders. Ieder voor zich moesten ze soms voor God spelen en de waarde van een mensenleven bepalen. Die prijs was, afhankelijk van het gezichtspunt van de betrokkene, altijd te hoog of te laag.

A Dangerous Son

HBO

Ethan is tien, soms ronduit onhandelbaar en af en toe zelfs bijzonder agressief. Dat zorgt voor hachelijke situaties. Als hij op de snelweg bijvoorbeeld ineens woedend aan het haar van zijn moeder gaat hangen. Stacy weet de auto ternauwernood op de weg te houden. Haar zoon is geen rotjoch. Hij heeft een psychiatrische stoornis. Echte hulp blijft echter uit. Totdat het straks helemaal fout gaat. Moet ze daarop gaan zitten wachten?

De verwijten zijn dan gemakkelijk te voorspellen; het moet aan zijn opvoeding liggen. Zoals Nancy Lanza te horen kreeg. Haar zoon Adam schoot twintig kinderen en zes medewerkers dood op een basisschool in Newtown. En dus moest zij wel een hele slechte moeder zijn. Ze kon zich toen overigens niet meer verdedigen; ook Nancy werd geslachtofferd op die fatale veertiende december in 2012.

Voor Liza Long vormde de verpletterende school shooting op de Sandy Hook-basisschool de aanleiding om haar gevoelens te vervatten in een opiniestuk, dat direct viral ging: ‘I am Adam Lanza’s mother’. Ze schreef daarna het boek The Price Of Silence: A Mom’s Perspective On Mental Illness en fungeert nu als één van de duiders in de documentaire A Dangerous Son (85 min.), waarin enkele ouders en hun getormenteerde kinderen worden geportretteerd.

Deze schrijnende film van regisseur Liz Garbus, van wie over enkele weken een documentaireserie over de journalistieke strijd van The New York Times met president Trump (The Fourth Estate) wordt uitgezonden op NPO2, vraagt aandacht voor de gebrekkige ondersteuning van jongeren met een psychiatrische stoornis. In de afgelopen decennia is de zorg voor zulke kwetsbare mensen grondig uitgekleed. Niet alleen in Amerika overigens.

Garbus laat genadeloos zien wat dat in de praktijk betekent: kinderen die worden geteisterd door een autismespectrumstoornis, schizofrenie of een bipolaire stoornis, moeten er samen met hun steeds wanhopigere ouders op de een of andere manier voor zien te zorgen dat de situatie niet helemaal uit de hand loopt. Totdat ze eindelijk van die wachtlijst af mogen en (tijdelijk) kunnen worden opgevangen.

Gespannen en steeds moedelozer proberen de ouders zich staande te houden en zichzelf en hun kinderen (tegen zichzelf) te beschermen. A Dangerous Son maakt hun onmacht tastbaar en houdt meteen een pleidooi voor betere psychiatrische zorg. Of zoals Liza Long het kernachtig verwoordt: treatment before tragedy.