De Propagandist

Docmakers

Vorig jaar sleepte Luuk Bouwman samen met collega Aliona van der Horst op het International Documentary Festival Amsterdam de prijs voor beste Nederlandse documentaire in de wacht met Gerlach, een film over ‘de laatste akkerbouwer’. Dit jaar is diezelfde IDFA-Award opnieuw voor hem, nu is alleen alle eer voor hem.

Bouwmans nieuwe film De Propagandist (111 min.) is een soort vervolg op zijn documentaire Allen Tegen Allen (2020), waarin hij de geschiedenis van het Nederlandse fascisme, en alle bijbehorende splinterpartijtjes, helemaal uitvlooit. Nu zoomt hij in op één enkele man: Jan Teunissen (1898-1975), de filmtsaar van Nederlandse nazi’s.

De historicus Rolf Schuursma sprak in 1964 en 1965 enkele malen met de geaffecteerd sprekende Teunissen. Die opnamen, in totaal ruim negen uur, vormen samen met beeldmateriaal dat de gedreven filmmaker zelf maakte het fundament onder deze documentaire. Schuursma geeft daarbij dan, soms nog altijd ontzet, weer commentaar.

In een andere wereld – en met een andere attitude – had hij, net als zijn veel bekendere Duitse vak- en partijgenoot Leni Riefenstahl, een gevierde regisseur kunnen worden. Zijn start was veelbelovend: als G.J. Teunissen maakte hij de eerste Nederlandse film met geluid en Sjabbos, een documentaire over de vooroorlogse Amsterdamse Jodenbuurt .

Toen hij zich in 1934 waagde aan de eerste grote Nederlandse speelfilm, over de nationale trots Willem van Oranje, ging ‘t echter helemaal mis. ‘Een tragische mislukking en een slecht begin van de Nederlandse film’, leest Rolf Schuursma voor uit de vernietigende kritieken in de pers. ‘Willem van Oranje opnieuw vermoord.’

Als voorzitter van de filmdienst van de NSB, het filmgilde van de Nederlandse Cultuurkamer, de Bioscoopbond en de Filmkeuring maakte Teunissen, het enige kind van een zeer gefortuneerde antiquair uit Den Haag, een comeback. Hij werd de allesbepalende factor in de Nederlandse film tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Teunissens privéadres, Lange Voorhout 62 in Den Haag, werd het centrum van de Nederlandse film in de oorlog, stelt historicus Egbert Barten. Hij doet sinds 1989 onderzoek en interviewde vaderlandse filmmakers uit die tijd, zoals Reinier Meijer, Jan Koelinga en Bob Kommer. De één sprak liever over het verleden dan de ander.

Deze historische documentaire diept de geschiedenis van de Nederlandse nazi-propagandafilm, aan de hand van de grote roerganger ervan, weer op. Het levert even vergeten als onvergetelijke verhalen op, zoals de NSB-kluchten Wat Een Tijd en de eerste Nederlandse en uitgesproken antisemitische tekenfilm Van Den Vos Reynaerde

Teunissen spreekt er twintig jaar later zonder al te veel wroeging over, in een fascinerende film over een bezoedeld verleden, dat menigeen liever onbesproken – en ongezien – laat. Dat zijn eigen vooroorlogse beelden van de Jodenbuurt werden verwerkt in de ultieme nazifilm Der Ewige Jude vindt hij ‘een onfortuinlijke kwestie’.

De Jodenvervolging vond De Propagandist ‘een zeer ongelukkige kwestie’. Nee, sjiek was dat niet, zegt hij tegen het einde van dit portret, als zijn ware aard naar voren lijkt te komen en hij zichzelf definitief de das omdoet. Aan serieuze zelfreflectie is hij blijkbaar nooit toegekomen.

Het Verzwijgen

Witfilm

Haar moeder was zó lief, stelt Marieke van der Winden met een zekere scepsis. Ze kon zelfs niet schreeuwen! Tegelijkertijd droeg Lieke een geheim met zich mee. Dat nam de Nederlandse vrouw mee het graf in toen ze in 1989 op 48-jarige leeftijd overleed. Marieke kwam er pas op de uitvaart van haar moeder achter dat haar opa en oma, die ze kende als volstrekt normale grootouders, lid van de NSB waren geweest. Haar moeder stamde uit een besmet gezin.

Het Verzwijgen (89 min.) was tussen hen in komen te staan, constateert Marieke van der Winden in deze pijnlijk persoonlijke film, waarin ze haar familieverleden onderzoekt. Terwijl haar moeder vluchtte in de antroposofie, vertrok zij als tiener naar een kraakpand. Een half leven later wordt er nog altijd niet over de oorlog gesproken. De rest van de familie wil niet geassocieerd worden met dat foute verleden. Niet vreemd: hun voorouders, afkomstig uit zo’n lekker ongecompliceerde familie uit de Amsterdamse Jordaan, lijken zowat allemaal met de Duitsers te hebben geheuld.

‘Haar achternaam was besmet’, constateert Marieke, terwijl ze steeds dieper doordringt in die onverkwikkelijke geschiedenis. ‘Wat doet dat met je?’ Op de grafsteen van haar moeder staat alleen de voornaam die ze voor zichzelf verzon. Dochter constateert dat het verwaarloosde graf – hoe symbolisch? – nodig moet worden gefatsoeneerd. Intussen gaat ze in gesprek met haar moeders pleegbroer, tweede echtgenoot en vriendinnen (die regelmatig moesten inspringen bij de opvang van haar kinderen) en bezoekt ze plekken uit of over het verleden. Zo komen ook allerlei jeugdherinneringen in een ander licht te staan.

Het wordt een ontnuchterende ontdekkingstocht waarin niet alleen Marieke zelf, die zich zo nu en dan laat bevragen door haar echtgenoot/cameraman Sander Snoep, zich erg kwetsbaar voelt bij wat er zoal boven tafel komt. In enkele ongemakkelijke scènes worden zij en haar gesprekspartners door feiten, die ze heeft opdiept uit oorlogsarchieven, gedwongen om de waarheid onder ogen te zien. En die was in het Nederland van tijdens de Bezetting, dat weten we inmiddels wel, een stuk minder zwart-wit dan lang is gedacht (of gehoopt). Volgens deskundigen duurt het zeker drie generaties om de littekens van dat verleden weer uit het systeem te krijgen.

Deze schrijnende film is een geslaagde poging om dat leed in elk geval inzichtelijk te krijgen en een begin te maken met het verwerken ervan.

Allen Tegen Allen

Cinema Delicatessen

Vanuit een ontwenningskliniek bedankte hij uiteindelijk voor de eer. Namens de Rapaille Partij was de zwerver Had-Je-Me-Maar zojuist gekozen voor de Amsterdamse gemeenteraad. In het partijprogramma voor de verkiezingen van 1921 stond eigenlijk maar één belangrijk punt: gratis jenever voor iedereen.

Achter de Rapaille Partij, één van de eerste Nederlandse fascistische partijen, ging de mislukte kunstenaar/dichter Erich Wichman schuil. Hij had een afkeer van democratie. Van de mensen was volgens hem zestig procent gek, stelt kenner en verzamelaar Joep Haffmans. Dus als een meerderheid van de bevolking mocht kiezen, zou het land gegarandeerd door gekken geregeerd worden. Wichman zwoer bij een sterke leider.

De Rapaille Partij is maar één van de vele vergeten splinterpartijen, die gezamenlijk de historie van het vaderlandse fascisme vormen. In Allen Tegen Allen (104 min.) akkert Luuk Bouwman de complete stamboom van Bruin Nederland door. Uiteindelijk zou maar één partij de geschiedenisboeken halen: de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) van Anton Mussert, die van 1942-1945 de door nazi-Duitsland gesanctioneerde leider van het Nederlandse volk werd.

Al die vergeten would be-führers, Raspoetins en trouwe volgelingen van partijen als De Bezem, Nederlandse Oranje Nationalisten en Zwart Front, die na de oorlog ogenschijnlijk zonder al te veel wroeging weer zouden opgaan in het gewone Nederland, worden onder het stof vandaan gehaald door enkele bevlogen historici, auteurs en verzamelaars.

Bouwman illustreert hun gloedvolle verhalen met brieven, attributen, officiële documenten, curiosa en een overvloed aan beeld- en geluidsmateriaal en raakt duidelijk ook gefascineerd door hun fascinatie voor het fascisme. Hij omkleedt dit geheel vervolgens met grootse shots van het hedendaagse Nederland en kadert de verwrongen familie-opstelling in met een bespiegelende voice-over over de psychologie van het fascisme.

Zo ontstaat een uitputtend overzicht van een verborgen geschiedenis, die allerlei relevante en actuele lessen oplevert.