Move Ya Body: The Birth Of House

Autlook / vrijdag 16 oktober, om 20.30 uur, op NPO2 Extra

De geboorteplaats is Chicago. In deze van oudsher uiterst gewelddadige en gesegregeerde Amerikaanse stad regeert de beruchte burgemeester Richard Daley ruim twintig jaar met harde hand. En omdat repressie nu eenmaal automatisch behoefte aan verlossing creëert, ontstaat begin jaren tachtig juist daar een nieuwe muziekstroming, met een kleurrijk karakter en een queer-randje: house.

Aangejaagd door een nieuw zwart zelfbewustzijn (treffend vertolkt door Jesse Jackson in zijn I Am Somebody-speech), gefaciliteerd door de emancipatie van de Amerikaanse LHBTIQ+-beweging, bloeiend op de asresten van de zwarte (en door sommige witte rockfans ronduit gehate) muziekstroming disco en mede mogelijk gemaakt door de ontwikkeling van een nieuw instrument, de synthesizer.

De naam ‘house’ verwijst naar The Warehouse, een undergroundclub in Chicago waar de befaamde deejay Frankie Knuckles de dansvloer vult met frisse sounds en beats. Daar start regisseur Elegance Bratton ook de documentaire Move Ya Body: The Birth Of House (92 min.), waarin de ontstaansgeschiedenis van deze elektronische dansmuziek wordt doorgenomen met wegbereiders en insiders.

Een sleutelrol is weggelegd voor producer Vince Lawrence, die samen met Jesse Saunders in 1984 een baanbrekende single aflevert, Fantasy – al worden de credits daarvoor ook geclaimd door de rockzangeres ‘Screaming Rachael’ Cain. Zij heeft de vocalen verzorgd en meet zich vervolgens het predicaat ‘Queen of House’ aan. Succes heeft nu eenmaal vele vaders (en moeders).

Het conflict tussen Lawrence en Cain zal zelfs uitmonden in een rechtszaak en staat model voor een gevoel dat bij de housepioniers postvat (en dat sowieso regelmatig klinkt vanuit zwarte muzikanten): het harde werk wordt door ons verricht, waarna witte artiesten er met het geld en succes vandoor gaan. In deze film zet Bratton in elk geval de spotlight op degenen met het zweet op hun rug.

Juist in die beperking in tijd en plaats – het Chicago van de eighties, geen oog bijvoorbeeld voor het nabijgelegen Detroit, de thuishaven van techno – zit ook de charme van deze interessante film over een muziekstroming die ruim een halve eeuw later nog altijd springlevend lijkt.

Room To Move

Netflix

De Amerikaanse danser en choreograaf Jenn Freeman is al in de dertig als ze antwoord krijgt op de vraag waarmee ze al haar hele leven rondloopt: waarom ben ik anders dan anderen? Op de dag dat Freeman wordt gediagnosticeerd met een autismespectrumstoornis, neemt ook filmmaker Alexander Hammer contact met haar op. Hij wil een documentaire met haar maken.

Room To Move (112 min.) is doorsneden met een stem die mechanisch alle mogelijke kenmerken, uitingsvormen en symptomen van autisme opdreunt, die vervolgens zijn te herkennen in Jenns leven of gestileerde representaties daarvan voor een voorstelling waaraan zij werkt. Daarnaast gaat ze in gesprek met klinisch psycholoog Kimberly Gilbert. Op een gegeven moment nam dans me meer af dan het me gaf, vertelt Freeman dan. Ze is ergens onderweg haar reddingsboei kwijtgeraakt – al weet ze dat doorgaans goed te verbergen bij haar leerlingen en collega’s.

Met geregistreerde scènes, tevens gefilmd door Jenns echtgenoot Ian Stuart, kan Hammer zeer dicht op de huid komen bij zijn hoofdpersoon en de uitdagingen van haar dagelijks leven vangen. Hij klutst al die verschillende verhaalelementen, waaronder ook een hele zwik familiefilmpjes, bij elkaar en probeert zo ‘de neurodivergente ervaring’ te vatten. Gaandeweg komt de documentairemaker zelf ook steeds meer in beeld. Ook hij worstelt gedurig met zijn (psychische) gezondheid en belandt tijdens het maken van de film in diverse crises. Jenn en hij vinden elkaar daarin.

Zij begint hem dan ook te filmen. En Alex gaat eveneens in gesprek met dokter Gilbert. De grenzen tussen maker en subject zijn dan al behoorlijk vervaagd, in een lang uitgesponnen en erg grillige film waarin de uitdagingen en valkuilen van het leven met autisme, alsmede de aanverwante thematiek en diagnoses, worden geëxploreerd. Room To Move dreigt een kamer te worden waarin ze zichzelf in een hoek hebben geschilderd. Met steeds minder bewegingsruimte. Uiteindelijk, na het verplichte vallen en opstaan, volgt echter toch een positieve, lekker Amerikaanse eindconclusie.

Het maken van deze documentaire heeft, daarover zijn Jenn Freeman en Alexander Hammer ‘t aan het eind wel eens, niets minder dan hun leven gered. En die diagnose is een geschenk gebleken.

Here We Move, Here We Groove

Doxy

‘Kijk, we hebben nog steeds sporen van onze oorlog’, zegt Robert Soko tegen de Afghaanse vluchteling Ferdows terwijl hij naar een waarschuwingsbord wijst. Hij leest: ‘Pas op, mijnen.’ De jongen is na een tocht van achttien maanden voorlopig in Bosnië gestrand, maar droomt van een toekomst in Soko’s huidige thuishaven Berlijn.

Robert Soko weet wat het is om te vluchten. In ‘de verdoemde jaren negentig’ liet hij zelf de Joegoslavische burgeroorlog achter zich, om een nieuw bestaan op te bouwen in Duitsland. Hij werd er eerst taxichauffeur en later deejay. In den vreemde herontdekte Soko zijn eigen muzikale wortels en stond zo aan de basis van wat dansvloeren in heel Europa hebben leren kennen als Balkan Beats.

Gaandeweg is hij volgens eigen zeggen zijn honger echter kwijtgeraakt. Het succes werd eerst vanzelfsprekend en ebde vervolgens weg. Soko werd blasé en moet weer gaan jagen, vindt hij. Die gedachte heeft hem teruggebracht naar het land waar zijn Servische moeder nog altijd woont, z’n Kroatische vader begraven ligt en migranten dromen van een toekomst in Europa.

En daar, te midden van de restanten van de oorlog die hen ooit verscheurde, ontmoet hij hongerige nieuwkomers als Ferdows, een jongen die rapt en human beatboxt alsof zijn leven ervan afhangt. Daarmee zet hij tevens de luiken open bij Robert Soko, die in al die invloeden – of ze nu afkomstig zijn uit Syrië, Griekenland of Palestina – een pad naar nieuwe Europese muziek ontdekt.

Here We Move, Here We Groove (55 min.) is de fraaie weerslag van dat proces, een gefühlvolle muzikale roadtrip door een continent dat opnieuw wordt gedefinieerd. Zoals ook Soko zelf een remonte doormaakt (en thuis zijn multiculturele gezin bijeen probeert te houden). Culturele recycling noemt hij dat in deze overtuigende film van Sergej Kreso. Met de dansvloer als enige oorlogsgebied.

Laat ze maar verbinding maken, zegt hij er met de nodige bravoure bij, als al die buitenstaanders hun ervaringen, achtergrond en muziek vermengen en een nieuwe, gezamenlijke identiteit vinden, ergens tussen oost en west, op de grens van de beide Berlijnen. Een nieuwe Europese (muziek)taal, die ook nog eens swingt als een tiet.