5 Broken Cameras

Cinema Delicatessen

Er lag een enorme berg beeldmateriaal. Zonder begin of einde. De Palestijnse cameraman Emad Burnat zag door de bomen allang het bos niet meer. Totdat hij toch een logische structuur vond: de vijf camera’s waarmee hij al die beelden had geschoten. Elk exemplaar vertelde zijn eigen verhaal. En met die vijf verhalen had Burnat zijn film.

En 5 Broken Cameras (86 min.) is een ronduit verpletterende film geworden. Een diep menselijke aanklacht tegen Israëls nederzettingenpolitiek, verteld vanuit Palestijns perspectief. Burnat legt vast hoe zijn dorp Bil’in op de westelijke Jordaanoever, van oudsher Palestijns terrein, langzaam maar zeker wordt ingesloten door oprukkende Joodse kolonisten en het Israëlische leger dat hun komst faciliteert.

Het verhaal van Bil’in begint gaandeweg te lijken op een soort navrante variant op dat ene dorpje uit de Asterix en Obelix-strips, dat zich met de moed der wanhoop blijft verzetten tegen de grote overheerser. Een dorpje met zijn eigen heethoofden, diplomaten en martelaren. Binnen die explosieve atmosfeer probeert filmer én vader Emad Burnat, ondersteund door zijn Israëlische co-regisseur Guy Davidi, het hoofd enigszins koel, zijn camera enigszins steady en zijn gezin enigszins veilig te houden.

Behalve de voorspelbare kritiek – mag een Palestijn samenwerken met een Jood bij een film over zo’n precair onderwerp? – bezorgde hem dat ook de publieksprijs op het IDFA van 2012, de allereerste Palestijnse Emmy Award én een Oscar-nominatie. In de aanloop naar die uitreiking, waarbij Searching For Sugar Man er met de prijs vandoor ging, werd Burnat nog een tijd vastgehouden op het vliegveld van Los Angeles. Hij zou niet de juiste papieren bij zich hebben gehad. Zou hij zijn zesde camera toen thuis hebben gelaten?

Arna’s Children

Kanopy

Even registreren op de website van het documentairefestival IDFA, dat woensdag van start gaat in Amsterdam, en je kunt talloze documentaires, veelal gratis, bekijken. Zoals bijvoorbeeld Arna’s Children (57 min), een aangrijpende film uit 2003 over een Palestijnse kindertheatergroep, die tijdens de tweede Intifada, waarbij Israël en de Palestijnen weer eens lijnrecht tegenover elkaar stonden, op het podium met allerlei gevoelens leerde omgaan.

Juliano Mer Khamis vertelt het verhaal van zijn onverzettelijke moeder Arna, een Joodse vrouw die een Palestijnse man trouwde en in de jaren negentig een theater runde in het vluchtelingenkamp Jenin. Arna en haar zoon probeerden een groepje Palestijnse kinderen enthousiast te maken voor acteren, in de hoop hen daarmee te kunnen behoeden voor de burgeroorlog die rondom hen woedde.

Enkele jaren later, vijf jaar na de dood van zijn moeder en het opdoeken van haar theatertje, keert Juliano terug naar Jenin om de balans op te maken. Wat is er geworden van de enthousiaste theatermakers? Hebben ze zich weten te ontworstelen aan de voetangels en klemmen van hun dagelijks bestaan? Of zijn ze ‘gewoon’ onderdeel geworden van het alles verslindende conflict en uitgegroeid tot martelaar (of terrorist, afhankelijk vanaf welke kant je naar het conflict kijkt)?

Het antwoord in deze bekroonde documentaire stemt helaas weinig hoopvol. Daarbij speelt ook het lot van de filmmaker, Juliano Mer Khanis, een belangrijke rol. In 2011 werd hij bij het verlaten van het theater, waarmee hij samen met zijn moeder de wereld wilde verbeteren, neergeschoten door een gemaskerde schutter. Drie jaar eerder had hij zijn dood zelf al voorspeld. Voor deze moord is tot dusver overigens niemand veroordeeld.

Death In The Terminal


18 Oktober 2015. De radiozender Radio Darom laat ‘hete, mediterrane muziek’ neerdwarrelen over het Beersheba-busstation in Israël. Mensen zijn op weg naar hun bus, pinnen nog even of wachten op hun verbinding. En dan, in de vorm van enkele oorverdovende knallen, barst de spreekwoordelijke bom.

De aanslag, waarbij uiteindelijk drie dodelijke slachtoffers zullen vallen, veroorzaakt blinde paniek en chaos. Het beeld wordt zwart. In vuurrode letters verschijnt de titel van de documentaire: Death In The Terminal (50 min.). We zijn nauwelijks twee minuten onderweg. Beveiligers, militairen en onverschrokken helden snellen toe. De jacht op de schutter(s) is geopend.

Het verhaal van die klopjacht wordt in deze beklemmende film, die vorig jaar tot beste middellange documentaire werd verkozen tijdens het IDFA, verteld met beelden van mobiele telefoons en beveiligingscamera’s op het busstation. Beelden die zijn gelekt naar de Israëlische filmmakers. Tali Shemesh en Asaf Sudry laten daarnaast ook diverse ooggetuigen aan het woord, die elk vanuit hun perspectief de gebeurtenissen reconstrueren (en elkaar daarbij soms ook tegenspreken).

Al snel hebben de jagers hun prooi te pakken: een man uit Eritrea, waarop de omstanders maar al te graag hun woede willen koelen. Noem het gerust een volksgericht. Zou deze ususal suspect ook nog een bomgordel om hebben? En waarom loopt hij rond op sandalen?

Disturbing The Peace


Een hoopvolle documentaire over het al eeuwig durende conflict tussen Israël en de Palestijnen? Die zag ik even niet aankomen. Disturbing The Peace (87 min.) zet de schijnwerper op de zogenaamde Strijders Voor Vrede, Israëli’s en Palestijnen die zich samen sterk maken voor het afzweren van de wapens.

De benaming ‘strijders’ is niet voor niets gekozen; de betrokken vredestichters hebben stuk voor stuk een heftig verleden bij één van de strijdende partijen. Dat maakt hun verzoening met een eeuwige vijand juist zo overtuigend.

Zelfs de alleenstaande moeder die zich ooit opmaakte voor een zelfmoordaanslag (en zich daarbij niet realiseerde dat er geen ideaal groter kan zijn dan je eigen kind) is helemaal bijgedraaid en nu een overtuigd lid van de Combatants For Peace.

De vredesvechters zijn bepaald niet onomstreden, zo wordt ook glashelder uit deze sterke film van Stephen Apkon en Andrew Young. In de strijd die nog altijd hoog oplaait tussen Israëli’s en Palestijnen worden ze van beide kanten van verraad beschuldigd. Intussen blijven ze doorwerken aan hun ideaal: vrede op de plek waar de strijdende partijen al decennia in de loopgraven liggen.

Forever Pure


Forever Pure lijkt misschien een voetbalfilm; over een topclub die twee buitenlandse spelers aantrekt om z’n prestaties op te krikken. Maar de voetbalwereld is niet meer dan een vrij willekeurig decor voor deze vlijmscherpe documentaire, waarin de spanningen tussen (conservatief) Israël en haar moslimomgeving centraal staan.

Premier Benjamin Netanyahu en minister Avigdor Lieberman, leider van de rechts-nationalistische politieke partij Yisrael Beiteinu, associëren zich graag met de Israëlische eredivisieclub Beitar Jerusalem FC. De harde kern van die club, La Familia, is berucht om zijn anti-Arabische uitspraken en vertegenwoordigt daarmee de zogenaamde hardliners van het land.

Het is dan ook niet vreemd dat Beitar helemaal op zijn kop komt te staan als eigenaar Arcadi Gaydamak in het seizoen 2012-2013 twee Tsjetsjeense moslims aantrekt voor de enige Israëlische club die nog nooit een Arabische speler had.

De Russische Jood Gaydamak kocht Beitar overigens ooit om zich te verzekeren van stemmen voor het burgemeesterschap van Jeruzalem. Als die campagne op een gigantische sof is uitgelopen, besluit hij (uit louter cynische overwegingen?) om bij Beitar de knuppel in het hoenderhok te gooien.

De twee aangetrokken moslims veroorzaken een stroom aan racistische reacties en zorgen tevens voor een genadeloze stammenstrijd binnen de populaire voetbalclub, waardoor bepaalde clubiconen ineens de risee van de eigen achterban worden.

Forever Pure (85 min.) van regisseur Maya Zinshtein legt dat malicieuze proces genadeloos vast. Voetbal is oorlog, zei Rinus Michels al eens, en kan dus ook, om de militaire theoreticus Von Clausewitz te parafraseren, een voortzetting van politiek met andere middelen worden.