What’s My Name: Muhammad Ali

Als geen andere sporter belichaamt Muhammad Ali de historie van zwart Amerika in de tweede helft van de twintigste eeuw. Nadat hij onder de naam Cassius Clay in 1960 een gouden medaille won op de Olympische Spelen, was de bokser voor veel landgenoten bijvoorbeeld nog altijd niet meer dan een nikker. Een bijzondere gevatte nikker, dat wel. Toen de serveerster van een restaurant in zijn geboortestad Louisville, Kentucky hem meldde dat ze geen negers serveerde, zou hij hebben geantwoord dat hij daar ook helemaal geen zin in had. ‘Geef me gewoon een kop koffie en een hamburger.’

Dat was tenminste de anekdote die hij daar zelf over vertelde – en die door anderen weer werd ontkend. Aan sterke verhalen, grootspraak en humor sowieso nooit een gebrek bij de man die het vooraf pochen, uitdagen en ridiculiseren van de tegenstander tot een wezenlijk onderdeel van de bokssport maakte. En toen werd de praatjesmaker Cassius in 1964, na een heroïsch gevecht met Sonny Liston, ook nog wereldkampioen in het zwaargewicht. Het was alsof ‘The Greatest’ toen pas echt ontbolsterde. Hij werd een overtuigde Black Muslim en ontdeed zich van zijn ‘slavennaam’.

Als Muhammad Ali werd hij ook een politieke zwaargewicht. Een controversiële figuur, die buiten de ring met de ene na de andere tegenstander werd geconfronteerd en de nodige klappen moest verstouwen. Toen hij bijvoorbeeld weigerde om een ‘tour of duty’ in Vietnam te doen, raakte hij zijn wereldtitel kwijt en werd zijn bokslicentie ingenomen. In de bloei van zijn leven mocht Ali drie jaar niet vechten. Wat het einde van zijn bokscarrière leek te worden, zou uiteindelijk niet meer dan een pijnlijk intermezzo blijken. Muhammad Ali was hard op weg om een legende worden, die na zijn carrière alleen maar aan status zou winnen.

In de tweedelige biografie What’s Name: Muhammad Ali (163 min.) wordt het in alle opzichten grootse leven van deze sportlegende rechttoe rechtaan en chronologisch verteld. Regisseur Antoine Fuqua heeft de gebruikelijke stoet vrienden, deskundigen en journalisten die in veel hagiografieën over celebrities opdraven gelukkig achterwege gelaten. Hij verlaat zich volledig op archiefmateriaal: nieuwsitems en reportages over de mediagenieke prijsvechter, registraties van een hele serie spraakmakende titelgevechten en – natuurlijk – televisie-optredens van en interviews met de man zelf.

Nieuwe inzichten levert dat niet op. Of het moet zijn dat deze documentaire, in tegenstelling tot andere films over het fenomeen Muhammad Ali, ook aandacht besteedt aan de tijd dat Ali’s magie langzaam verdwijnt en hij steeds meer begint te ogen als een vermoeide, logge beer die maar geen afscheid kan nemen van zijn favoriete trucjes. En dan moet de echte fysieke aftakeling, in de vorm van de Ziekte van Parkinson, nog komen. Een even tragisch als logisch gevolg van alle klappen die hij tijdens zijn carrière incasseerde. Daaraan wordt in dit degelijke portret, dat zich vooral richt op zijn bokscarrière, echter slechts beperkt aandacht besteed.

Na bijna drie uur overheerst het beeld van een grote sporter die ook een icoon van zijn tijd werd. Die man spat nog altijd van het scherm. Ook, of juist, als hij zichzelf acteert of persifleert. Fuqua heeft – en hoeft – daar weinig aan toe te voegen.

American Dream / American Knightmare

‘Ik ben Scarface zonder de drugs’, zegt Marion ‘Suge’ Knight. ‘En zonder dat ik aan het eind kapotgeschoten word.’ In gesprek met regisseur Antoine Fuqua blijkt de beruchte baas van het vermaarde hiphoplabel Death Row Records opmerkelijk rolvast. Je wilde een gangster? Dan krijg je een gangster. Flirtend met de Cubaanse supercrimineel Tony Montana, op onvergetelijke wijze vereeuwigd door Al Pacino in de bij (wannabe) criminelen immens populaire speelfilm Scarface. En pochend over zijn verleden in de grimmige achterstandswijk Compton in Los Angeles, waar hij net als zijn ontdekkingen Dr. Dre en Snoop Dogg opgroeide.

American Dream / American Knightmare (85 min.) is een wat eendimensionaal portret van de man die een sleutelrol speelde in de ontwikkeling van gangsterrap, de commerciële exploitatie ervan én de vete tussen rappers van de Oostkust en de Westkust van Amerika, die tot de gewelddadige dood van sterren als Tupac Shakur en The Notorious B.I.G. leidde. Dit is Knights kant van het verhaal, opgetekend tijdens een serie tweegesprekken met Fuqua in 2011 en 2012. Erg veel weerwoord krijgt de ‘low-life thug’ niet. Hij kan zijn imago van hiphop-maffiabaas, compleet met zonnebril en sigaar, zonder al te veel moeite ophouden. Vrijwel elke zin die met veel bravoure uit zijn mond komt is gelardeerd met krachttermen als fuck, bitch of motherfucker.

Alleen de dood van Tupac, waarbij hijzelf gewond raakte, laat hem zo’n vijftien jaar na dato nog altijd niet koud. Zodra Fuqua daarop doorvraagt, moet Suge zijn auto aan de kant van de weg zetten. Het is één van de weinige keren dat hij even de regie kwijt lijkt te raken in deze semi-autobiografie, waarin ook zijn ouders en ooms aan het woord komen. Ook al probeert Fuqua hem soms iets kritischer te bevragen en plaatst hij met archiefbeelden, nieuwsberichten en fragmenten uit zijn strafblad zo nu en dan kanttekeningen bij Knights grootspraak en ontkenningen. American Dream / American Knightmare is echter geen film waarmee je aan Suge Knights binnenkant komt, om te zien waarvoor het hart van de man achter Death Row Records, die inmiddels voor 28 jaar achter de tralies is verdwenen, werkelijk klopt.