Kings From Queens: The Run-DMC Story

Peacock

Bij de introductie van Run-DMC in de Rock & Roll Hall Of Fame in 2009 vat de rapper Eminem het bondig samen: ‘Ze waren de eerste rocksterren van de rap. De eerste filmsterren van rap. De eerste rapgroep die op MTV was te zien. De eerste rapgroep met een platina plaat. De eerste rapgroep met een eigen sneaker. En de eerste die wereldwijd stadions uitverkocht.’ En daarvoor hadden Joseph ‘Run’ Simmons, Darryl ‘DMC’ McDaniels en Jason ‘Jam Master Jay’ Mizell, voegt Eminem er bij de start van Kings From Queens: The Run-DMC Story (140 min.) nog aan toe, in feite niet meer nodig dan ‘two turntables and a microphone’.

De gastenlijst van deze driedelige docuserie van Kirk Fraser onderstreept de status van het New Yorkse trio nog maar eens en oogt als een stamboom van de eerste hiphop-generatie: Runs oudere broer en platenbaas Russell Simmons, Cheryl ‘Salt’ James (Salt-N-Pepa), Kurtis Blow, Doug E. Fresh, Chuck D (Public Enemy), Ice-T, Ad-Rock en Mike D (Beastie Boys), LL Cool J en Ice Cube. Ook Tom Morello (Rage Against The Machine), Eminem en Questlove (The Roots) kussen de ring van The Beatles/Stones van de hiphop. Één man ontbreekt natuurlijk: Run-DMC’s deejay Jam Master Jay. Hij werd in 2002 vermoord, het breekpunt van de slotaflevering van Kings From Queens.

Dan heeft Run-DMC’s zegetocht – de opkomst netjes geschetst in deel 1, gevolgd door een patente dwarsdoorsnede van hun glorieperiode in het tweede deel – sowieso al averij opgelopen. De drie leden kiezen elk hun eigen pad. Run trekt zich terug met z’n familie en in de kerk, waar hij zich ontwikkelt tot de ‘Reverend Joseph Simmons’. DMC krijgt stemproblemen, die een psychosomatisch karakter lijken te hebben, en daalt vervolgens af in zijn eigen diepte. En Jay volgt zijn neus richting steeds weer nieuwe muziek. Totdat hij wordt neergeschoten bij zijn eigen studio. Zijn weduwe Terri vertelt er geëmotioneerd over. Op ‘s mans uitvaart wordt Run-DMC daarna meteen opgeheven.

Ruim twintig jaar later laat Fraser zich door Run en DMC op sleeptouw nemen naar de plekken die hun levens en carrière hebben gevormd. Hij geeft hun baanbrekende rapsongs natuurlijk ook alle ruimte en zet de teksten met typografie aan. Zo werkt ie toe naar een allerlaatste Run-DMC show, als headliner van een groot festival in Yankee Stadium in 2023, ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van hiphop. Daar laten de twee rappende ‘Kings of Rock’, die tegenwoordig vooral bezig lijken met hun religie en eigen comic books, nog eenmaal oude tijden herleven. Zónder hun maatje Jam Master Jay, het oliemannetje binnen hun driemanschap.

White Cube

Mokum

In zijn controversiële film Episode III: Enjoy Poverty uit 2008 spoorde beeldend kunstenaar Renzo Martens arme Afrikanen aan om hun persoonlijke misère te veranderen in een geslaagd verdienmodel. Dat deed de rest van de wereld – van hulporganisaties tot oorlogsfotografen – immers ook. En dus legde de Nederlander, ogenschijnlijk met sardonisch genoegen, bijvoorbeeld uit aan lokale fotografen in Congo hoe ze de ellende om hen heen zo gedetailleerd mogelijk konden vastleggen. Zodat die optimaal effect zou sorteren.

Martens’ nieuwe film White Cube (77 min.) is een logisch vervolg op die ontregelende exercitie, maar minder cynisch getoonzet. Plaats van handeling is een palmolieplantage in Congo, die al ruim een eeuw wordt gerund door de multinational Unilever. De plaatselijke medewerkers verdienen er nauwelijks een dollar per dag, terwijl het Brits-Nederlandse concern wereldwijd enorme omzetten draait. Een deel van dat geld wordt vervolgens, in goede koloniale traditie, ingezet om gerenommeerde musea in het westen te sponsoren. 

Dat kan en moet anders, constateert de steevast in smetteloos wit gestoken Martens, die daardoor oogt als een ouderwetse witte imperialist. Hij richt samen met voormalige werknemers van de plantage de Cercle d’Art des Travailleurs de Plantation Congolaise (CATPC) op, om de lokale economie een serieuze push te geven, Van rivierklei gaan zij beelden boetseren, waarvan vervolgens met 3D-technologie een chocolade replica wordt gemaakt. Wat chocola überhaupt is, moet Martens ze dan nog wel even uitleggen. Beter: hij laat het ze proeven. In een wrange scène verdeelt hij ‘de zoete verleiding’ onder de Afrikanen. Dus dit eten ze in het rijke westen?

De commerciële opzet van de hele onderneming laat onverlet dat die wel degelijk betekenisvol werk oplevert. Het beeld dat een deelneemster maakt van hoe een man in de struiken ruw een vrouw verkracht, gebaseerd op een daadwerkelijke ervaring van de maakster, is even expliciet als pijnlijk. De inspanningen van CATPC vinden ondertussen hun weg naar een New Yorks museum, waar de Afrikaanse kunstwerken met groot enthousiasme worden onthaald. Met het geld dat zo wordt verdiend, kunnen ze thuis een eigen kunstcentrum bouwen, een zogenaamde ‘white cube’, en hun land terugveroveren op de kolonisator.

Die strijd zonder wapens – of het moeten creativiteit en koopmansgeest zijn – maakt dat deze documentaire aaibaarder is dan zijn provocerende voorganger. Enigszins conventioneler ook. Tegelijkertijd stelt Renzo Martens wederom ongemakkelijke vragen, over zijn eigen werkterrein nota bene, die niet zomaar van een sluitend antwoord zijn te voorzien. Als een slager die rücksichtslos in eigen vlees durft te snijden.