Madness, Prince Of Ska, King Of Pop

Arte

In 1992 belt de Londense politie naar de geologische dienst. Ze hebben berichten gekregen over een aardbeving. ‘Ze evacueerden hele flats, uit angst voor instorting’, vertelt Madness-zanger Graham ‘Suggs’ McPherson. ‘Maar het bleken springende Madnessfans te zijn.’ Zijn skagroep treedt tijdens het zogeheten ‘Madstock’ voor het eerst in acht jaar weer op, in het nabijgelegen Finsbury Park. De volgende dag trilt de aarde dus opnieuw in de Britse hoofdstad. Want dan geeft de band, die onverminderd populair blijkt, nóg een uitverkocht concert.

In de tv-docu Madness, Prince Of Ska, King Of Pop (52 min.) gaat Christophe Conte terug naar het begin: een stel opgeschoten jongeren uit Camden Town begint in de tweede helft van de jaren zeventig samen muziek te maken en groeit vervolgens uit tot de huisband van de pub The Dublin Castle. Al snel stuit Madness op een broederband uit de industriestad Coventry, The Specials. Met hun eigen platenlabel 2 Tone Records scoren die met ‘Britse ska’, een kruisbestuiving van de muziek van Jamaicaanse immigranten en witte Engelse jongeren, de ene na de andere hit.

Bij het bonte 2 Tone-gezelschap voelt Madness zich helemaal op z’n plek. Tegelijkertijd krijgt deze inclusieve familie te maken met de gure wind die er op dat moment waait door Groot-Brittannië, waar het National Front in opkomst is en skinheads voor een grimmige sfeer op straat zorgen. Bij Madness, de enige volledig witte band in de 2 Tone-familie, denkt de extreemrechtse partij zieltjes te kunnen winnen. Dat was ‘echt afschuwelijk’, herinnert bassist Mark ‘Bedders’ Bedford. ‘Meestal richtten we een spot op gasten die de Hitlergroet brachten of vochten’, vult Suggs aan.

Gaandeweg zal Madness zich in z’n muziek steeds meer uitspreken voor sociale onderwerpen, een wat meer poppy toon aanslaan en onderdak vinden bij een ander platenlabel, Stiff Records. Dat legt de groep bepaald geen windeieren. Met humoristische video’s scoort de rebellenclub hit op hit. Die opmars wordt in dit vlotte bandportret met medestanders zoals gitarist Lynval Golding (The Specials), zangeres Rhoda Dakar (The Bodysnatchers) en producer Clive Langer uit de doeken gedaan – al is de tweede helft wel erg van de lange halen, snel thuis.

In wezen geldt voor Madness wat voor veel bands opgaat: na de eerste tien jaar is het beste er wel vanaf en moet de groep vooral vormbehoud tonen.

Ace Of Base: All That She Wants

SkyShowtime

In Zweden zit begin jaren negentig helemaal niemand op Ace Of Base te wachten en wordt de popgroep uit Göteborg geregeld afgezeken in de muziekpers. In het buitenland wordt het viertal – twee jongens, twee meisjes – juist onthaald als de nieuwe ABBA. Ulf, zijn vriend Jonas en diens zussen Jenny en Malin zullen in totaal vijftig miljoen platen verkopen en kneiterhits als All That She Wants, The Sign en Beautiful Life scoren.

Binnen de groep begint het echter al snel te broeien: nadat er keihard is gewerkt, zo hard dat ‘t ongezond wordt, trekken de songschrijvende jongens erop uit in hun privéjachten. De zingende zussen Berggren, die zijn ingezet als het uithangbord van Ace Of Base en dus voortdurend in de spotlights staan, hebben echter aanzienlijk minder verdiend. En dat begint steeds meer te steken. Zij willen ook liedjes gaan inbrengen.

Ruim dertig jaar later is meteen duidelijk dat de onderlinge verhoudingen nog altijd niet zijn hersteld. Ulf Ekberg heeft zijn voormalige partner in crime Jonas Berggren al enkele jaren niet meer gezien. Diens zus Jenny spreekt ie hooguit eenmaal per jaar. En Malin is helemaal uit beeld verdwenen. Ook in de driedelige serie Ace Of Base: All That She Wants (123 min.) zal de blonde frontvrouw schitteren door afwezigheid. Bijna dan.

Regisseur Jens von Reis moet zich voor zijn reconstructie van de Ace Of Base-tijd verlaten op Ulf Ekberg en Jenny Berggren, die later een solocarrière is begonnen. Hij stut hun herinneringen, verbeeld met (niet eerder vertoond) archiefmateriaal, met quotes van allerlei profi’s uit de muziekbusiness, waaronder tijdgenoot Wyclef Jean (Fugees) en de Joop van den Ende van de Amerikaanse popmuziek, platenhoncho Clive Davis.

Zo ontstaat een redelijk standaardverhaal over de opkomst en ondergang van een popgroep – ‘een schoolvoorbeeld van hoe je een band kapotmaakt’, aldus Ulf – dat nochtans enkele opvallende pijnpunten oplevert: ’s mans eigen dubieuze achtergrond, een mesaanval door een verwarde fan en een zangeres, Malin ‘Linn’ Berggren, die op eigen verzoek van het toneel verdwijnt – wat jarenlang slim wordt gemaskeerd.

Echt diep gaat Von Reis daar niet op in. Hij houdt zich vast aan zijn centrale verhaallijn: een groep die met enkele catchy niemendalletjes wereldhits scoort en dan langzaam desintegreert. Totdat elk nieuw album en elke nieuwe single niet meer dan een verplicht nummer zijn geworden. Zo koerst deze vlotte miniserie af op een lekker ongemakkelijke finale, waarin Ace Of Base nog een allerlaatste gouden plaat krijgt overhandigd.

Clive Davis: The Soundtrack Of Our Lives

IDFA

De ondertitel van dit portret van platenhoncho Clive Davis luidt: de soundtrack van onze levens. Dat lijkt een boude bewering. Totdat je een overzicht ziet van de acts die hij voor achtereenvolgens Columbia Records, zijn eigen Arista Records, allerlei afsplitsingen daarvan en platengigant BMG vastlegde:

Janis Joplin, Chicago, Santana, Bruce Springsteen, Simon & Garfunkel, Miles Davis, Aerosmith, Earth, Wind & Fire, Billy Joel, Barry Manilow, Alan Parson’s Project, Bay City Rollers, The Grateful Dead, Patti Smith, Aretha Franklin, Kenny G, Whitney Houston, Milli Vanilli, Eurythmics, Ace Of Base, Toni Braxton, Usher, The Notorious B.I.G., Alicia Keys, Busta Rhymes, Maroon 5 en – via American Idol – Kelly Clarkson.

Probeer dan nog maar eens te beweren dat die gewiekste gladjanus géén rol heeft gespeeld in jouw leven. Of je dat nu wilt of niet. Want hoewel Davis een goed stel oren aan zijn kale kop heeft zitten, is hij altijd heel nadrukkelijk op zoek geweest naar hits. Niet zozeer naar muziek die door merg en been gaat of de tijdgeest helemaal te pakken heeft. Nee: hits! Scoren!!

Clive Davis: The Soundtrack Of Our Lives (124 min.) is precies de documentaire die past bij zo’n carrière: een ongegeneerde lofzang op de man en zijn muziek. Met allerlei andere hotshots uit de muziekbusiness en een rode loper-lange stoet celebrities: Puff Daddy, Carlos Santana, Paul Simon, Patti Smith, Aretha Franklin en Alicia Keys. Waarbij een hele platenkast omvalt en de ene hyperbool de andere opvolgt. Totdat je er pijn in je oren van krijgt.

Het dramatische persoonlijke verhaal van de man (die op zeer jonge leeftijd beide ouders kwijtraakte), zijn turbulente relationele leven en de kritische vragen die óók bij zijn imposante loopbaan zijn te stellen, verdwijnen in de volledig plastic wereld die hij om zich heeft opgetrokken en die hier nog eens van alle kanten wordt uitgelicht. Alleen de vroegtijdige dood van de door hem gelanceerde zangeres Whitney Houston zorgt voor enig drama. Dat kan en mag evenwel niet verhullen dat Clive Davis letterlijk een halve eeuw toonaangevend was.