The Disciple: A Wu-Tang Fable

Cilvaringz (l) & RZA (r) / Netflix

Het verhaal van Tarik Azzougarh heeft iets van een jongensboek. Hij groeit op in Tilburg in ‘The Netherlands’, in een flat, zestien verdiepingen hoog, aan de noordkant van de Brabantse stad. Een Marokkaanse-Nederlands jongetje, dat in zijn tienerjaren volledig in de ban raakt van de toonaangevende Amerikaanse hiphopgroep The Wu-Tang Clan. Onder de naam ‘Cilvaringz’ droomt hij ervan om zelf als rapper en producer deel uit te gaan maken van deze negenkoppige crew. Het lijkt simpelweg een kwestie van tijd voordat hij de deksel op zijn neus krijgt.

De superfan trekt z’n stoutste schoenen aan, vertrekt naar Staten Island in New York en geeft daar een tape af voor Wu-Tangs grote roerganger RZA. En de rest is geschiedenis – al moet de Clan daarvoor eerst nog naar Amsterdam komen, Tarik in 1997 een plek bij hen op het podium bemachtigen en ook nog meermaals hun hoofdkwartier bezoeken. Het is een aansprekende geschiedenis, verteld in de Amerikaanse documentaire The Disciple: A Wu-Tang Fable (106 min.) en vooraf ongetwijfeld talloze malen gevisualiseerd – gemanifesteerd, zo je wilt – door dat immigrantenkind uit, of all places, Tilburg-Noord.

Niet veel later in deze film van Joanna Natasegara zit de Wu-Tang Clan-fan, samen met zijn Nederlandse muziekvrienden, in de studio met z’n grote held. Die legt de lat hoog. ‘Ik wil geen stel klonen die mij gaan nadoen’, stelt RZA. ‘Daar hebben we allebei niets aan.’ De twee gaan vervolgens alsmaar inniger samenwerken. Dit culmineert uiteindelijk in het album Once Upon A Time In Shaolin. Daarvan wordt welgeteld één exemplaar gemaakt. Een uniek kunstwerk, zo is het idee, dat zal worden verkocht aan één enkele verzamelaar, die voor 88 jaar het exclusieve recht krijgt om de muziek te beluisteren.

Cilvaringz’ geesteskind, ‘het eerste geprivatiseerde muziekalbum ter wereld’, is bedoeld als een aanklacht tegen piraterij, downloaden en de bijbehorende waardedevaluatie van muziek. De kwajongenstreek groeit uit tot een wereldwijd gehypet project, met in eerste instantie louter winnaars. Totdat intern de pleuris uitbreekt en andere Wu-Tangers hem publiekelijk de mantel uit vegen. En dan wordt die unieke plaat ook nog gekocht door de meest gehate man van Amerika, Martin ‘Pharma Bro’ Shkreli, die zojuist fortuin heeft gemaakt door de prijs van cruciale kanker- en HIV-medicijnen exorbitant te verhogen.

The Disciple zelf is tegen die tijd allang naar de achtergrond verdrongen in deze met filmfragmenten, kungfu-scènes en tamelijk clichématige schaakbordzetten opgeleukte film. Natasegara behandelt de verwikkelingen rond de Shaolin-CD daarin als het echte jongensboekverhaal, ten faveure van het uitdiepen van haar hoofdpersonage Tarik Azzougarh, die slechts met grove penseelstreken wordt opgetekend. Zijn opmerkelijke muziekcarrière blijft desondanks onverminderd tot de verbeelding spreken.

Pharma Bro

1091 Pictures

Hij mocht zich even de meest gehate man van de Verenigde Staten noemen. Als CEO van Turing Pharmaceuticals verhoogde Martin Shkreli in 2015 de prijs van een Daraprim-pil van 13,50 naar 750 dollar. Patiënten met de infectieziekte toxoplasmose, afhankelijk van dit medicijn, kregen de rekening gepresenteerd – al was het in de praktijk vaak hun zorgverzekeraar die de exorbitante bedragen moest ophoesten.

En toen kocht Shkreli, voor een slordige twee miljoen dollar, ook nog het enige exemplaar van de nieuwe CD van de hiphopgroep The Wu-Tang Clan, Once Upon A Time In Shaolin. Kutventje! Martin Shkreli heeft zijn uiterlijk natuurlijk ook niet mee: de voormalige hedgefund-manager heeft zo’n zelfgenoegzame tronie, dat menigeen hem het liefst stante pede twee blauwe ogen en een bloedlip zou bezorgen.

Of is dat toch vooral imago? vraagt Brent Hodge zich af in Pharma Bro (86 min.). Zijn al die bravoure en provocaties slechts uiterlijke schijn? Houdt zich ergens in die omhooggevallen engerd gewoon een onzeker joch verscholen, dat zijn achtergrond in een immigrantengezin in New York maar blijft overschreeuwen? Een jongeling die zo scherp en onhandig communiceert dat de kwalificatie ‘autisme’ wellicht op zijn plaats is?

Hodge gaat op onderzoek uit in het leven van de man die de belichaming van Big Pharma werd. Terwijl hij gewoon de regels van het (kapitalistische) spel heeft gevolgd. Net als allerlei andere farmaceuten. Híj verbergt zich alleen niet achter een Raad van Bestuur of communicatieafdeling. Shkreli staat gewoon iedereen te woord – via de pers, z’n smartphone of zijn eigen livestream – en spreekt dan bepaald niet met meel in de mond.

Brent Hodge vergelijkt zijn protagonist nét iets te nadrukkelijk met de slechterik uit superheldenfilms, met als geuzennaam ‘Pharma Bro’, en heeft daarin natuurlijk ook een rol voor zichzelf bedacht. Hij gaat bijvoorbeeld in hetzelfde gebouw wonen als Shkreli en meldt zich bovendien heel nadrukkelijk met vragen in diens livestream. Zonder dat dit verder heel veel oplevert. Behalve aandacht voor de held zelf.

Terwijl er een rechtszaak loopt tegen Shkreli vanwege fraude, spreekt Hodge verder met een vriend (rapper Billy The Fridge), zijn advocaat Ben Brafman, de rechtse provocateur Milo Yiannopoulos en de Wu-Tan Clanners Ghostface Killa en Cilvaringz. Een bijzondere rol is er voor ex-vriendinnen en (vrouwelijke) journalisten, met wie hij meestal al snel publiekelijk in een moddergevecht verzeild raakt en een heel enkele keer, zoals bij zijn biografe Christie Smythe, een bijzondere relatie opbouwt.

Als man you love to hate (of hate to love) is Martin Shkreli beslist een ideale hoofdpersoon voor een portret. Deze film – en dan met name Brent Hodges rol daarin – laat alleen nog wel wat te wensen over.