Missie NS

KRO-NCRV

‘De reiziger staat op 1, 2 en 3.’ De NS wil voor ‘een 9+ ervaring’ zorgen bij de klant. Zodat de conducteur, ook wel ‘gastheer’ of ‘host’ genaamd, te maken krijgt met louter ‘blije reizigers’. Want de NS gaat voor ‘totale reisbeleving’. Dat is ‘the narrative’. Met een slogan met de onmiskenbare wilde frisheid van limoenen: ‘Proef de vrijheid’.

Elke stiel heeft zijn eigen jargon – al begint die van grote organisaties wel steeds meer op elkaar te lijken. De Nederlandse Spoorwegen laten bijvoorbeeld allang niet meer (alleen) treinen op tijd rijden. Ook op het spoor gaat het tegenwoordig om beleving, waarbij de voormalige reiziger (blijkbaar) iets van zichzelf moet zien te verwerkelijken. Terwijl hij wacht op een trein die niet komt, zich propt in iets wat het meest weg heeft van een veewagon of – in het leeuwendeel van de gevallen – gewoon netjes op tijd op de plaats van bestemming wordt afgeleverd.

Missie NS (82 min.) brengt het totale bedrijf in beeld; van de top in het hoofdkantoor en de omroepers op het operationeel controle centrum tot de mensen die met hun poten door de coupés en balkons banjeren: de conducteurs, machinisten en schoonmakers. Regisseur Catherine van Campen hanteert daarbij een procedé dat inmiddels vertrouwd voelt: ze kiest niet voor duidelijke hoofdpersonen, maar observeert in alle hoeken en gaten van het bedrijf, waarbij de kijker wel enkele vaste gezichten krijgt voorgeschoteld.

De film bestaat uiteindelijk uit een vloeiend gemonteerde collectie snapshots die gezamenlijk een narratief vormen, wellicht zelfs ‘the narrative’ die NS zelf wil uitdragen. In die zin doet de documentaire denken aan vergelijkbare films over de snelweg (Snelweg NL), bouwsector (Jongens Van De Bouw) en aandachtsindustrie (Nu Verandert Er Langzaam Iets). Ook Missie NS, dat wel wat drama ontbeert, registreert hoe gewone mensen onderdeel zijn van een dienst, onderneming of beroepsgroep en legt zo en passant iets van onze volksaard bloot.

Van Campen is er duidelijk niet op uit om iets of iemand te ontmaskeren. Ze houdt ons simpelweg een spiegel voor: dit is de wereld waarin wij leven, van gezichtsloze instituties die wel degelijk door gewone mensen worden bevolkt. Zo bezien zijn er ook nog wel wat spannende organisaties te bedenken, waar de Nederlandse subsidieverstrekkers eens een filmploeg naartoe kunnen sturen: de Belastingdienst, Shell of de NAM. Die kunnen vast ook nog wel aan hun ‘beleving’ werken.

Anne Vliegt

KRO-NCRV

Zelden zal een popsong zo op zijn plek zijn gevallen in een documentaire als Friend Of Ours van Elbow in Anne Vliegt (21 min.). Het gedragen nummer van de Britse groep krijgt een compleet nieuwe lading: van de totale bevrijding van alle zorgen.

Terug naar het begin van deze bijzonder fijne jeugdfilm van Catherine van Campen uit 2010: we maken kennis met de elfjarige Anne, een op het eerste gezicht knap en weinig opvallend meisje. Toch lijkt ze soms helemaal niet lekker in haar vel te zitten.

Anne heeft Gilles de la Tourette, een neurologische aandoening die wordt gekenmerkt door onbedwingbare motorische en vocale tics. ‘Ik heb een stoornis in mijn hersenen’, vertelt ze zelf. ‘En daardoor heb ik dwangen en tics. En dat houd ik mijn hele leven.’

Zo móet Anne bijvoorbeeld rondjes draaien. Altijd naar dezelfde kant. Naar rechts. En daar blijft het niet bij: knipperen met de ogen. Draaien met de ogen. En, sinds kort, een liktic. ‘Mama had laatst geteld en toen had ik in tien minuten 23 keer ergens aan gelikt.’

Met bijzondere empathie observeert Van Campen het getroebleerde meisje op school, bij haar vriendinnen en tijdens therapie. Anne maakt daarbij soms een eenzame indruk. Alsof ze er toch niet helemaal bij hoort. Niet bij dúrft te horen. Bang dat ze wordt buitengesloten of gepest.

Daarom wil Anne vliegen, zegt ze. Zodat anderen haar tics niet kunnen zien. Eenmaal in de lucht, klauterend in palen of op containers, kan ze haar dwangmatige rituelen loslaten. Zichzelf loslaten. Vrijlaten.

En dan valt Elbows majestueuze Friend Of Ours, nadat het diverse keren op subtiele wijze is aangekondigd, met nietsontziende kracht definitief in tijdens een sowieso wonderschone glijbaanscène met Anne en haar vriendje Delano.

Het tafereel fungeert als vliegwiel naar een nieuwe Anne, die de schaamte even achter zich lijkt te hebben gelaten en vrede sluit met zichzelf. Hetgeen, als weldadig slotakkoord, wordt bezegeld met nóg een heel fijn liedje: Kite Strings van Kele Goodwin.

Garage 2.0

‘Ik ben het helemaal vergeten te vragen: hoe heet de kleine?’, vraagt Ad geïnteresseerd. ‘Max’, antwoordt de vrouw tegenover hem. ‘Max. Mooie naam. En hoe oud is-ie?’ ‘Vier weken.’ ‘Vier weken?’, reageert Ad, die tot voor kort dacht dat hij een verkoper met fingerspitzengefühl was en dat elke klant sowieso is te paaien met tweehonderd euro korting. ‘Dan gaan we eventjes door over de auto…’

‘Even tot zover’, grijpt cursusleider Emile Gabriel van de Sales Boost Company resoluut in. ‘Wat gebeurt hier nou? We gaan binnen drie minuten al over op de auto.’ Waarna de goedgebekte trainer een met jeukjargon doorspekt verhaal houdt over de relatie met de klant en de één of andere driehoek. Tegen de andere cursisten: ‘Hoe mooi zou het zijn als Ad zou zeggen: joh, weet je wat het is, ik heb oudere kinderen, maar ik ben ook opa geworden?’

Ads baas Gert kijkt goedkeurend toe hoe zijn oudere medewerker, die steeds minder auto’s is gaan verkopen, de nieuwste kneepjes van het vak krijgt bijgebracht. Want de medewerkers van de Kooijman Autogroep moeten ‘meerwaarde creëren voor de klant, laten voelen dat ie hier echt veel waard is’. Gert Kooijman wil met zijn bedrijf een Garage 2.0 (84 min.) zijn. Hij zweert bij beleving, hoge klanttevredenheidscores en een compleet mobiliteitspakket. En veel verkochte auto’s, dat ook.

Intussen knapt Gerts oudere broer Ton het vuile werk op voor het bedrijf. Hij gaat gedurig de weg op en voert na ongelukken beschadigde auto’s en passagiers af. Het contrast tussen de twee broers kan bijna niet groter: Gert, de vlotte babbel, tegenover Ton, de moeizaam formulerende, noeste werker. Ze vertegenwoordigen de uitersten van de autobranche; het blinkende chroom tegenover het oude schroot. Letterlijk in Tons geval, die de auto ook als gevaar heeft leren kennen in zijn leven.

In deze tragikomische film uit 2016, een moderne documentaireklassieker, kijkt Catherine van Campen afwisselend met compassie en een knipoog naar de Debiteuren-Crediteuren-achtige taferelen bij de Kooijman Autogroep (‘onze vakmensen nemen graag de tijd voor u’, aldus de website, ‘om al uw mobiliteitswensen optimaal in te vullen’). Trefzeker schetst ze het vaderlandse ondernemersklimaat, dat vaak is doordesemd met authentieke oer-Hollandse lulligheid. En waar de een vooruit wil, kan de ander nauwelijks meekomen.

Zoals Michiel van Erp Nederland in zijn Lang Leve-series en de bioscoopdocu Pretpark Nederland een lachspiegel heeft voorgehouden, schildert Van Campen een bijzonder aandoenlijk portret van Werkend Nederland, dat in de jaren na de financiële crisis van 2008 het hoofd boven water probeert te houden en amechtig zijn vleugels wil uitslaan. Dat pakt in Garage 2.0 soms uitbundig en hilarisch uit, maar werkt net zo vaak subtiel en schrijnend. Een topfilm, die voor jeuk op ongemakkelijke plekken zorgt en toch ontroert.

Zaatari Djinn

 

Vlakbij Mafrak in Jordanië is een nieuwe stad ontstaan: Zaatari, een vluchtelingenkamp dat voor tachtig procent uit kinderen bestaat. Regisseur Catherine van Campen presenteert in Zaatari Djinn (55 in.) een poëtische momentopname van het leven van enkele van deze ontheemde kinderen.

Vorig jaar sleepte Van Campen, die ook veel fraaie jeugddocumentaires maakte, nog een nominatie voor een Gouden Kalf in de wacht met haar moderne klassieker Garage 2.0, die we gerust de beste Michiel van Erp-film die niet door Michiel van Erp werd gemaakt mogen noemen.

Zaatari Djinn is niet van dat kaliber, maar schetst een treffend beeld van hoe kinderen uit verschillende sociale milieus, geconfronteerd met een min of meer vergelijkbare barre werkelijkheid, kunnen leven via hun dromen en fantasie.