Life Of Crime 1984-2020

HBO

Voor de documentaireserie Foute Vrienden volgt Roy Dames al ruim 25 jaar enkele figuren uit de Amsterdamse penoze. Hoewel ze heel wat uitvreten – diefstal, oplichting en (huiselijk) geweld bijvoorbeeld – houdt het leven van deze mediagenieke bloedgabbers heel lang een soort romantiek. Totdat in de laatste toevoeging, 25 Jaar Foute Vrienden, ook bij hen blijkt dat misdaad toch echt niet loont.

De Amerikaanse tegenhanger van Foute Vrienden, Life Of Crime 1984-2020 (121 min.) is nog een stuk grimmiger van karakter. De Verbrande Herman, Rooie Jos en Jantje van Amsterdam van Newark, New Jersey heten Rob Steffey, Freddie Rodriguez en Deliris Vasquez. Voor de camera van Jon Alpert, die met One Year In A Life Of Crime (1989) en Life Of Crime 2 (1998) al twee documentaires over hen maakte, lijken ze elk moment te kunnen verzuipen in de eindeloze draaikolk van misdaad, drugsgebruik en gevangenisstraf waarin ze ooit terecht zijn gekomen.

Het is een ronduit ontmoedigende geschiedenis. Gedurende een periode van 36 jaar maken de drie de ene na de andere herstart, maar slagen ze er maar niet in om hun leven op de rails te krijgen. Alpert blijft al die tijd aan hun zijde. Gaandeweg spoort hij hen ook steeds nadrukkelijker aan om hun leven te beteren – al is het alleen voor de kinderen die ze op de wereld hebben gezet. Tegelijkertijd legt hij het ook rücksichtslos vast als ze toch weer een spuit zetten, zich prostitueren of de verleiding van het snelle geld niet kunnen weerstaan. Elk sprankje hoop kan op die manier plotseling teniet worden gedaan.

Life Of Crime 1984-2020 wordt daardoor een deprimerende bedoening, over mensen die klem zijn komen te zitten in de draaideur en die, al hun goede bedoelingen ten spijt, geen kant meer op kunnen.

High On Crack Street: Lost Lives In Lowell

Afgetrokken gezichten, verwilderde ogen en rotte tanden. In één oogopslag verraden de hoofdpersonen van de documentaire High On Crack Street: Lost Lives In Lowell (59 min.) hun voornaamste bezigheid: het scoren en gebruiken van crack, de goedkope straatvariant van cocaïne. Aan het einde van de twintigste eeuw behoorden dit soort menselijke ruïnes tot het vaste straatbeeld in grote Amerikaanse steden en tegenwoordig lijken ze, als gevolg van de zogenaamde Opioid Crisis, daarin weer terug te keren.

Deze observerende documentaire uit 1995 is gesitueerd in Lowell, Massachusetts, waar de crackepidemie wild om zich heen grijpt. ‘Ik ben een druggie, maar ik ben tegelijkertijd ook geen druggie’, zegt een blonde vrouw treffend, terwijl haar huisgenoten high worden. ‘Ik wil beter worden, maar ik wil ook niet beter worden. Ik heb hulp nodig, maar sla die hulp ook af.’ Ze pauzeert even: ‘Ik wil het zelf doen. Dat kan ik ook.’ Enkele ogenblikken later heeft ze zich alweer overgegeven aan het roken van crack. Alsof alles wat ze zojuist heeft gezegd voorgoed is vervlogen.

Die eeuwige cyclus van goede voornemens, opzichtige terugvallen en pogingen om weer boven Jan te komen vormen het hart van deze ruwe en ruige film, waarin de filmmakers Jon AlpertMaryAnn De Leo en Richard Farrell zich concentreren op drie hoofdpersonen: Brenda (die zwanger is geraakt op straat, maar van wie?), haar (ex-)vriend Boo Boo (een licht ontvlambare rouwdouwer met, ergens, ook wel een goede inborst) en voormalig profbokser Dicky Ecklund (die ooit nog met Sugar Ray Leonard in de ring heeft gestaan, maar nu vooral tegen zichzelf vecht).

Ze zijn nog slechts schimmen van de mensen die ze ooit geweest moeten zijn. Tegenwoordig houden de drie zich, tussen het spuiten en basen door, vooral onledig met vechtpartijen, winkeldiefstal en straatprostitutie. Elke vorm van schaamte, ook voor de camera, is daarbij verdwenen. In de achttien maanden dat deze documentaire werd geschoten maken ze de ene na de andere crisis door en offreren zo een compromisloos beeld van het leven aan de zelfkant. Een troosteloze wereld, die je je ergste vijand nog niet toewenst.

Deze desolate documentaire vormde de basis voor de speelfilm The Fighter, waarin Christian Bale een bokser met een hardnekkige verslaving vertolkt.

Finding The Way Home

HBO

De meeste van de acht miljoen kinderen ter wereld die in een weeshuis verblijven, zijn helemaal geen wees, stellen Jon Alpert en Matthew O’Neill bij aanvang van de documentaire Finding The Way Home (64 min.). Ze zijn gewoon van hun ouders gescheiden door armoede, rampspoed of discriminatie. In deze film worden zes kinderen gevolgd die toch een (nieuw) thuis hebben gevonden.

Ze komen uit landen als Roemenië, Nepal en Brazilië en hun persoonlijke geschiedenis is zonder uitzondering schrijnend: kind van verslaafde ouders, ten prooi gevallen aan mensenhandelaars of gedumpt in een troosteloos opvanghuis voor gehandicapten. Zonder liefhebbende ouders moeten ze op eigen kracht zien uit te groeien tot evenwichtige volwassenen.

De filmmakers portretteren de kinderen binnen hun nieuwe omgeving en bezoeken tevens de plekken waar ze ooit noodgedwongen hun dagen sleten. Hun herinneringen daaraan zijn bovendien vervat in fraaie animaties. Het ontroerendst zijn de portretjes van het spastische Roemeense meisje Maria en de meervoudig gehandicapte tiener Isus uit Bulgarije. Ze waren allebei weggestopt in zo’n typisch somber Oostblok-instituut met bedompte slaapzalen vol ernstig verwaarloosde kinderen.

Liefdevolle pleegmoeders hebben nu de deur voor hen geopend naar een volwaardig bestaan. Op de nieuwe kansen die het leven soms ook biedt ligt de nadruk in deze gedegen, enigszins brave film, waaruit de hoop spreekt dat ook deze jeugdige wereldburgers, en al die andere verweesde kinderen, zich thuis kunnen gaan voelen op deze soms zo liefdeloze aardkloot.