Rising Phoenix

Netflix

Ze zijn stoer, krachtig, sierlijk. Iconen. Zo worden de hoofdpersonen van Rising Phoenix (106 min.) tenminste doelbewust geportretteerd. Ze hebben weliswaar een lichamelijke beperking, maar excelleerden stuk voor stuk al op de Paralympische Spelen. De boodschap is duidelijk: ondanks hun beperking zijn deze sporters uitgegroeid tot geslaagde mensen. En dat wordt er in deze volvette film van Ian Bonhôte en Peter Ettedgui bijna twee uur lang ingehamerd.

Sterker: ze zijn te vergelijken met superhelden. De documentaire start niet voor niets met een quote van de Franse sprinter en verspringer Jean-Baptiste Alaize. ‘Het is grappig’, zegt hij tijdens een zwaar aangezette sequentie met beelden van ongenaakbare paralympische atleten. ‘Als je de laatste Avengers van Marvel kijkt, dan zie je een team van superhelden. Ze willen het beste voor de mensheid. Ze redden en vechten voor succes. Daarin lijken we op elkaar.’

Die vergelijking is ongetwijfeld emanciperend bedoeld. Een sublimatie van het adagio dat niets onmogelijk is zolang je maar gelooft in jezelf. Al die gestileerde shots, het weelderige muzikale decor en de bombastische montage, met veel gebruik van close-ups en slow-motion, geven Rising Phoenix echter de feel van een gladde promotiefilm, die de Paralympics in een goed daglicht moet stellen en en passant ook de ontstaansgeschiedenis en recente historie ervan belicht.

Binnen zo’n gelikte context komen de persoonlijke getuigenissen van de geportretteerde atleten niet helemaal tot hun recht. Allerlei verschillende individuen, met elk hun eigen beperking, achtergrond en uitdagingen, worden in wezen teruggebracht tot varianten op steeds hetzelfde archetypische heldenverhaal: over een dappere eenling die alle mogelijke tegenslag moet overwinnen en dan uiteindelijk, tegen alle verwachtingen in, tóch zegeviert (of nét niet).

Hoewel de thematiek, omgeving en hoofdrolspelers beslist tot de verbeelding spreken, wil Rising Phoenix daarom maar geen boeiende film worden.

Marathon Boy

VPRO

Op zijn derde liep hij zijn zesde halve marathon. Een jaar later heeft hij er al diverse hele marathons opzitten. Het Indiase jongetje Budhia Singh is een fenomeen in eigen land. Hij moet de beste marathonloper van de wereld worden. Dat lijkt overigens vooral de droom van zijn streberige coach en adoptievader Biranchi Das, die samen met zijn vrouw Gita een weeshuis en judoschool runt.

Dat lopen is ooit begonnen als boetedoening. Nadat Budhia, een kind van de volksbuurt, weer eens grof in de mond was geweest, liet Biranchi hem voor straf rondjes lopen. Toen hij vervolgens zelf wegging, dacht-ie dat het druistige jongetje vanzelf wel zou stoppen. Die bleef echter maar rennen. En de rest is geschiedenis – of moet dat, als het aan de gewiekste (zelf)promoter Biranchi ligt, beslist worden.

De plaatselijke autoriteiten dreigen Budhia echter een loopverbod op te leggen. Volgens hen wordt de Marathon Boy (98 min.), met alle gezondheidsrisico’s van dien, geëxploiteerd door zijn mentor, die vooral op eigen naam en faam uit zou zijn. Waarom leeft het ‘wonderkind’ überhaupt niet meer bij zijn biologische moeder Sulanti in de straatarme sloppenwijk Bhubaneswar? Heeft zij hem daadwerkelijk verkocht?

Zo ontstaat in deze documentaire van Gemma Atwal uit 2010 rond de hoofdpersoon – een klein kind dat niet alleen veel te winnen heeft, maar alles ook weer kan verliezen – een politiek steekspel dat het hele land in zijn greep krijgt. De beurtelings spannende, potsierlijke en dramatische ontwikkelingen volgen elkaar in rap tempo op in deze lekker vette Bollywood-docu, die met korte geanimeerde intermezzo’s een tijdspanne van vijf jaar overbrugt.

Totdat de kwestie echt helemaal uit de hand loopt en het verhaal van Budhia en zijn surrogaatvader Biranchi Das een onverwachte dramatische wending neemt…

Budhia Singh is inmiddels achttien en heeft nog altijd een droom. ‘Ik wil voor India de gouden medaille op de marathon tijdens de Olympische Spelen van 2024’, zei hij in 2018 tegen persbureau Reuters.

9.79

9.79*, (aka 9.79), British poster art, Dennis Mitchell, Desai Williams, Ben Johnson, Calvin Smith, Linford Christie, Carl Lewis, Ray Stewart, Robson da Silva, 2012. ©ESPN Films

Één enkel shot vertelt het verhaal van deze film. Over nog geen tien seconden uit het leven van acht topatleten. De deelnemers aan de finale van de honderd meter. Op de Olympische Spelen van Seoul in 1988. De winst ging nu eens niet naar Carl Lewis. De Amerikaanse wonderboy die het sprintonderdeel jarenlang had gedomineerd. Maar naar zijn grote rivaal. De Canadese krachtpatser Ben Johnson. In een onmogelijk geachte tijd. Een nieuw wereldrecord: 9.79 (84 min.). Dat natuurlijk niet kon blijven staan.

Waarom zou ik me helemaal kapot trainen? Vroeg Johnson zich enkele jaren eerder af. Als mijn concurrenten stimulerende middelen gebruiken. Een arts met steroïden lonkte. Hij werd vervolgens zienderogen sterker. Sprintte letterlijk weg bij de concurrentie. Zelfs Lewis kwam in zicht. De all american hero. Winnaar van maar liefst vier gouden medailles. Op de Olympische Spelen van 1984. In de enige echte stad van onbegrensde dromen, Los Angeles.

Lewis’ tandpastasmile begon te betrekken. Toen hij regelmatig Johnsons hielen kreeg te zien. De ‘sportman van de twintigste eeuw’ bleek een slechte verliezer. Die Johnson moest wel een valse start hebben gemaakt. Anders had hij natuurlijk zelf gewonnen. Ze werden aartsrivalen. Kracht versus souplesse. Ongepolijst tegenover aalglad. Man van weinig woorden jegens held met een boodschap. Het werd allemaal een kwestie van beeldvorming: de valsspeler die de gedroomde kampioen zijn titel ontfutselde.

Alle deelnemers aan de legendarische race. Doen hun verhaal in deze film uit 2012. Stuk voor stuk zijn ze ooit in verband gebracht met dopinggebruik. De meesten ontkennen natuurlijk halsstarrig. Dopingexperts denken er nog steeds het hunne van. Intussen loopt de concurrentiestrijd helemaal uit de hand. Johnson en Lewis staan lijnrecht tegenover elkaar. In zo ongeveer alles. Filmmaker Daniel Gordon bouwt daar een enerverende film omheen. Één van de beste sportdocu’s aller tijden. Waarbij één vraag onbeantwoord blijft. Is er, behalve doping, ook een ander vuil spel gespeeld?

Is Ben Johnson terecht met pek en veren overgoten? Ten faveure van Gouden medaille-winnaar Carl Lewis. Van ‘the dirtiest race in history‘. Halverwege de film is er al een soort antwoord geformuleerd. Met één enkel shot van de Olympisch kampioen. De Amerikaanse wonderboy lacht zijn tanden bloot. Een indrukwekkende rij. In een mond die, zonder een woord te zeggen, alles vertelt.

The Fall

De grootte van het podium, hun eigen torenhoge ambities of gewoon het noodlot zet soms sporters tegenover elkaar, die voor altijd in één adem zullen worden genoemd. Muhammad Ali en Joe Frazier. Tonya Harding en Nancy Kerrigan. Bjorn Borg en John McEnroe. Met gouden pen zijn hun al dan niet heroïsche gevechten in de sportgeschiedenisboeken bijgeschreven.

Een ander duo dat tot elkaar veroordeeld is geraakt staat centraal in de stevige documentaire The Fall (90 min.): Mary Decker en Zola Budd. Tijdens de Olympische Spelen van 1984 in Los Angeles bonden ze de strijd met elkaar aan op de 3000 meter. De Amerikaanse wereldkampioene tegenover een frêle Zuid-Afrikaanse tiener, die het liefst blootvoets liep en net voor de Spelen was ingelijfd door de Britse ploeg.

Als blanke atlete uit een land dat wereldwijd werd geboycot vanwege het Apartheidsregime, lag Budd toen al gedurig onder vuur. Ze wilde zich niet uitspreken tegen de misstanden in haar land. Zelf zegt ze nu dat ze toentertijd niet eens wist wie Nelson Mandela was. De man was immers al voor haar geboorte vastgezet en werd sindsdien stilgezwegen in Zuid-Afrikaanse media. Het klinkt niet eens heel ongeloofwaardig.

Terwijl Zola Budd ongewild het middelpunt was van een politieke controverse, werd ook de druk op haar Amerikaanse rivale, de gedoodverfde favoriete Decker, flink opgevoerd. Dit moesten haar Spelen worden. Nadat ze al enkele edities, buiten haar eigen schuld, aan zich voorbij had moeten laten gaan. Maar was de ogenschijnlijk zo goedlachse loopster uit Californië nog wel onverslaanbaar?

Los van elkaar blikken de twee atleten ruim dertig jaar na dato terug op de aanloop naar de wedstrijd die hun levens zou definiëren. De herinneringen van Decker en Budd zijn parallel gemonteerd door filmmaker Daniel Gordon (die eerder al sportdocu’s als George Best: All By Himself en het ijzersterke 9,79 regisseerde). Hij werkt zo gestaag toe naar het dramatische moment tijdens de Olympische finale dat hen allebei zal breken.

Die ene fatale misstap, waarbij de meningen verschillen over wie die op zijn geweten heeft, maakte de twee rivalen tevens tot aartsvijanden. Het is de vraag of de twee dames die schaduw van zich af weten te werpen en in de slotmeters van deze film alsnog tot een oprechte verzoening kunnen komen.

Losers

Netflix

Bij een serie sportdocumentaires over ‘losers’ ga je automatisch bedenken wat Nederlandse bijdragen aan de reeks zouden kunnen zijn. Even vluchtig nadenken leverder al snel op: de onfortuinlijke debutant in het Nederlands elftal Marcel Peeper, schaatser Hilbert van der Duim die een ronde te vroeg dacht dat hij klaar was (commentator Leen Pfrommer: ‘Hilbert, jongen, je moet doorrijeh!’) en de spelers van het Feyenoord dat in 2010 met 10-0 werd afgedroogd door PSV.

In Losers, een pakkende titel waarbij de vlag de lading niet helemaal dekt, worden acht vergeten sportverhalen opgediept. Niet zozeer over verliezers als wel over sporters die werden geconfronteerd met diepe teleurstellingen of fikse ontberingen. Over een bokser die eigenlijk nooit de ring in wilde (en liever in Hollywood had gewerkt) en tegen een pijnlijke knockout oploopt. Een Brits voetbalteam, dat degradatie uit de allerlaagste divisie probeert te voorkomen en in het allesbeslissende duel wordt geconfronteerd met een bijtgrage politiehond. En een zwarte kunstschaatster uit Frankrijk die de volledig witte ijsdanswereld op zijn grondvesten doet schudden.

Meest in het oog springend is het relaas van de Italiaanse marathonloper Mauro Prosperi. Hij belandt tijdens de Marathon des Sables, een loodzware woestijnrace in Marokko, in een zandstorm, raakt vermist en moet noodgedwongen zijn eigen urine drinken en vleermuizen eten om te overleven. Het kost hem niet alleen bijna zijn leven. ’Met Indiana Jones leven is moeilijk omdat Indiana Jones er nooit is’, zegt zijn vrouw Cinzia met de nodige (zelf)spot. ‘En Indiana Jones denkt dat het hele leven uit avonturen bestaat. Maar het leven zelf is het avontuur.’

Deze achtdelige serie van Mickey Duzyj heeft een opzet die is te vergelijken met Andere Tijden Sport. In afleveringen van ongeveer een half uur wordt een vormende gebeurtenis uitgewerkt met de betrokken sporter, diens directe omgeving en enkele kenners van de desbetreffende sport. Het is een aanpak die bijna niet kan mislukken, al is-ie ook wat voorspelbaar. Alleen de geanimeerde scènes, waarmee herinneringen en gebeurtenissen uit het verleden worden verbeeld, geven Losers een eigen signatuur. In essentie zijn het echter gewoon verhalen, zoals die al veel vaker, soms beter en vaak slechter, zijn verteld. Over (jezelf) overwinnen – of niet.

En daarvan zijn er, zo lijkt het, nooit genoeg.

The Barkley Marathons: The Race That Eats Its Young


Ooit gehoord van The Barkley Marathons? Een bizarre ultramarathon, waarbij de deelnemers maar liefst 120 mijl moeten afleggen binnen maximaal 60 uur. Vrijwel niemand haalt de eindstreep. ‘Je kunt nu eenmaal niets bereiken’, zegt organisator Gary Cantrell met gevoel voor understatement in de bijbehorende documentaire. ‘Als er geen kans is dat het mislukt.’

Elk jaar zet Cantrell in de onherbergzame bossen van de Amerikaanse staat Tennessee, geïnspireerd door de tocht die de moordenaar van Martin Luther King ooit in hetzelfde gebied aflegde, een genadeloos parcours uit, dat nauwelijks wordt gemarkeerd. Behalve lopen, klimmen en ploegen moeten de maximaal veertig deelnemers dus ook kunnen navigeren en spoorzoeken.

Om te bewijzen dat ze daadwerkelijk alle tussenstations zijn gepasseerd, moeten de atleten bij de finishlijn boekpagina’s overleggen, die ze onderweg uit strategisch geplaatste klassiekers hebben gescheurd. Als ‘inschrijfgeld’ voor de ultramarathon dienen ze bovendien 1,60 dollar en een paar sokken of een flanellen blouse te overleggen. Waar Cantrell dat jaar toevallig behoefte aan heeft…

Het zijn zulke smeuïge details die The Barkley Marathons tot zo’n bijzondere race en deze documentaire (89 min.) tot zo’n vermakelijke film maken. Cantrell, de slimme broer van Gekke Gerrit, lacht snaaks: ‘Voor sommige mensen is alleen al levend terugkeren op het basiskamp het allermooiste wat ze kunnen bereiken.’