Marlon Brando In Paradise

TVF / vrijdag 1 mei, om 20.30 uur, op NPO2 Extra

Als de Amerikaanse steracteur Marlon Brando (1924-2004) tijdens opnames voor de Hollywood-film Mutiny On The Bounty begin jaren zestig in de Stille Zuidzee stuit op het prachtige eiland Tetiaroa, weet hij direct: dit is de plek voor mij. Enkele jaren later koopt Brando het paradijselijke oord daadwerkelijk aan.

Het is de vervulling van een jeugddroom: als getroebleerde tiener droomde hij al regelmatig weg bij foto’s van Tahiti. De eilandengroep appelleert ook aan Brando’s geknakte ambitie om wetenschapper te worden en zo een bijdrage te kunnen leveren aan het behoud van de aarde. Het Frans-Polynesische koraaleiland Tetiaroa kan een thuishaven worden voor wetenschappelijke experimenten, bedreigde diersoorten en nieuwe vormen van toerisme (die al snel onbetaalbaar blijken).

Het postume portret Marlo Brando In Paradise (52 min.) van Dirk Heth en Silvia Palmigiano behandelt ‘s mans filmcarrière – die resulteert in klassiekers zoals On The Waterfront, The Godfather en Apocalypse Now – vooral als een decor waarin zijn idealisme, sociale bewogenheid en milieubewustzijn tot volle wasdom kunnen komen. Hij is, in de woorden van zijn biograaf Susan Mizruchi (Brando’s Smile), de eerste ‘celebrity do-gooder’ – en daardoor ook bepaald niet onomstreden.

Als Brando in 1973 bijvoorbeeld weigert om de Oscar voor zijn rol als maffiabaas Don Corleone te accepteren en in zijn plaats een vertegenwoordigster van de Native Americans naar de uitreiking stuurt om de Amerikaanse filmindustrie te bekritiseren, wordt hem dat zeker niet door iedereen in dank afgenomen. Buiten Hollywood voelt Marlo Brando zich duidelijk meer senang. Op Tetiaroa kan hij de man zijn die hij diep in zijn hart wil zijn – ook al blijken niet al zijn ideeën levensvatbaar.

Toch leeft ‘s mans droom, ruim twintig jaar na zijn dood, daar nog altijd voort, getuige bijvoorbeeld The Tetiaroa Society en The Brando Resort. De drijvende krachten achter deze initiatieven, alsmede Brando’s dochter Rebecca, krijgen in deze aardige film over één van de meest uitgesproken mannen van Hollywoods gouden jaren dan ook de rol die doorgaans aan insiders van de filmbusiness is voorbehouden: het inkaderen van de held en op gepaste wijze lof over hem uitstrooien.

Één ding is zeker, stelt zijn voormalige personal assistant Avra Douglas nog: Marlon Brando sprak over zo ongeveer alles liever dan over acteren.

Trailer Marlon Brando In Paradise

Simple Minds: Everything Is Possible

Simple Minds

Alle verplichte elementen voor een popdocu zitten erin. Dat begint in Simple Minds: Everything Is Possible (87 min.) al direct met het decor: een grauwe arbeiderswijk in Glasgow, de ideale voedingsbodem voor jongens die méér willen van het leven. En daarmee zijn we meteen aanbeland bij de hoofdpersonen voor zo’n film: Jim Kerr en zijn maatje Charlie Burchill. Volgens de overlevering startte hun ‘bromance’ al in de zandbak bij de Toryglen-flat. ‘Voor sommige mensen houdt de wereld aan het einde van de straat op’, stelt Kerr. ‘Voor Charlie en mij als tieners begon de wereld daar pas.’

En dan begint ook die band, al gauw Simple Minds genaamd. In de jaren dat punk opkomt. Als iedereen denkt dat ie kan spelen en ook vindt dat ie dat moet gaan doen. ‘De barbaren rammelden aan de poort’, aldus Kerr, die wordt gebombardeerd tot zanger. Zijn maatje Charlie heeft zich dan al gemanifesteerd als een verdienstelijke gitarist. Ze gaan samen liedjes schrijven. De twee treden voor het eerst met hun bandje op in januari 1978. Aan zelfvertrouwen over hun ‘artrock’ bepaald geen gebrek. ‘We zijn te goed om genegeerd te worden’, beweren ze tegen de plaatselijke krant.

Na het beluisteren van Joy Division’s signatuuralbum Unknown Pleasures willen ze hun eigen, tamelijk gladde new wave-debuutalbum desondanks bijna in de vuilnisbak gooien. Veel te gepolijst! Een half jaar later al volgt elpee twee. Die hoeft van de band niet ‘commercieel’ te zijn of hits te bevatten. Dat lukt zonder al te veel problemen – tot grote frustratie van hun platenlabel. Zo moeten de Simple Minds – verplicht in dit soort docu’s – eerst de nodige zijpaden bewandelen om dan toch de weg naar de top te vinden. Dat ze die vinden staat overigens vast. Anders zou deze film er nooit zijn gekomen.

Hun lange weg naar de voetbalstadions, waar Kerr, Burchill en de hunnen (die ook hier slechts een bijrol krijgen toebedeeld) moeiteloos mensenmassa’s naar hun hand zetten, wordt in deze docu van Joss Crowley begeleid door oud-manager Bruce Findlay, lieden uit de bandomgeving en de sterproducers die eraan te pas kwamen (John Leckie, Jimmy Iovine en Trevor Horn). En natuurlijk zijn ook vakbroeders zoals Bobby Gillespie (Primal Scream), Bob Geldof (The Boomtown Rats) en Dave Gahan (Depeche Mode) bereid om de status van hun muzikale vrinden – en zichzelf – nog eens te bevestigen.

Na de gloriejaren, waarin de zanger nog een celebrity-huwelijk met Pretenders-boegbeeld Chrissie Hynde ziet floreren en stranden, volgt de onvermijdelijke teruggang – ook verplicht in dit soort bandjesportretten. Kerr en Burchill moeten zich ermee verzoenen dat ze zijn ingehaald door een nieuwe generatie acts, die te goed is om genegeerd te worden. Als rechtgeaarde stadionband zijn ze weer veroordeeld zijn tot gewone zalen. Dan komt onvermijdelijk ook de vraag op tafel: hebben de Simple Minds nog toekomst? Ja dus. Ze spelen nog altijd, in een steeds vernieuwende bezetting. 

‘We zeggen niet: we zijn terug, maar: dit hebben we met ons leven gedaan’, heeft Jim Kerr dan nog een oneliner paraat. ‘En als er zoveel op het spel staat, moet je wel elke avond alles geven.’ Zijn boezemvriend Charlie vult aan: ‘We waren tot het inzicht gekomen dat we net als oude blueszangers tot onze laatste snik door zouden gaan. Dat was ons statement.’ En dus maken ze zich op, het laatste elementaire element van dit type (leuke) popdocu, voor de grootste tournee in jaaaren.