Zwijgen Of Spreken

Human

In welke wereld wil jij leven? vraagt Marte Boneschansker aan de Nederlanders die deelnemen aan haar voorstelling Opstand. Met deze ‘collectieve oefening in verzet’, die filmmaakster Esther Pardijs heeft vervat in de korte documentaire Zwijgen Of Spreken (15 min.), wil de theatermaakster ‘het stille midden’ in beweging brengen.

Aan het begin worden de deelnemers geacht om een paar te vormen met iemand die ze nog niet kennen. Daarna worden ze als groep geconfronteerd met een scherm, als verbeelding van de macht, dat hen bijstuurt, verdeelt of zelfs gevangen neemt. Hoe gaan ze daarmee om? Laten ze zich uit elkaar spelen? En komen ze als groep in beweging?

Pardijs start het theaterexperiment op vanuit haar eigen gevoel van onmacht over de verruwing van de samenleving. ‘Tot nu toe heb ik gezwegen, maar dat knelt’, vertelt ze. ‘Ik ben op zoek naar mijn stem. En ik ben niet de enige.’ Waarna ze de camera richt op al die anderen op het podium, die vast met al even goede bedoelingen zijn gearriveerd.

Gewone Nederlanders, veelal in close-up in beeld gebracht, die zich laten meevoeren in het machtsspel met het scherm en die ondertussen, buiten beeld, verwoorden wat er in hen omgaat. De één realiseert zich dat ze zich doorgaans snel bij de frontlinie voegt, een ander wordt volgens eigen zeggen juist geconfronteerd met z’n eigen lafheid.

‘Is dit wat er in de samenleving gebeurt maar wat we niet altijd zien?’ vraagt Pardijs zich af aan het eind van haar film, die vooral benieuwd maakt naar het daadwerkelijk ervaren van deze Opstand. ‘Een stille massa die, net als ik, wel iets wil doen maar niet weet wat.’

Het Spel Van Tao

Human

Al die verhalen over de giftige cultuur binnen de topsportwereld kent Bettine Vriesekoop natuurlijk uit eigen ervaring. Als tafeltennisster kende ze tijdens haar lange loopbaan veel succes, maar moest ze ook enkele fikse tegenvallers incasseren. Toen Vriesekoop in 1988 bijvoorbeeld in de kwartfinale werd uitgeschakeld bij de Olympische Spelen van Seoul, gaf haar coach Gerard Bakker haar publiekelijk van onder uit de zak. In de korte docu Het Spel Van Tao (11 min.) is het pijnlijke fragment alleen te zien, niet te horen. Het spreekt nochtans boekdelen.

Bettine Vriesekoop stopte gedesillusioneerd met tafeltennis. Een jaar later maakte ze, zonder Gerard Bakker aan haar zijde (of hijgend in haar nek), een succesvolle comeback. ‘Ik ben getraind volgens het conflictmodel’, vertelt ze nu in deze gestileerde film van Esther Pardijs. ‘Je moet je tegenstander haten. Je moet ‘m afmaken. Meedogenloos zijn. En daar haal je je energie uit.’ In China, de bakermat van het tafeltennissen, leerde ze een heel andere manier van kijken naar de sport. Zoeken naar balans, tussen het mannelijke en het vrouwelijke in haar. De yin en yang, natuurlijk.

‘De Chinezen zeggen: wij hebben maar één tegenstander’, herinnert Bettine Vriesekoop zich. ‘Jullie hebben er twee: de echte tegenstander en jezelf.’ En die laatste moet en kun je volgens hen onschadelijk maken, zonder er al te veel energie aan kwijt te raken. Die gedachte heeft de interesse gewekt van Esther Pardijs. Die maakte enkele jaren geleden Turn!, een persoonlijke film over haar zoon Roman, een turntalent, en het veeleisende topsportklimaat waarin kinderen zoals hij terechtkomen. Als turnmoeder deed ze daaraan misschien wel meer mee dan ze eigenlijk wilde.

Maar is er een alternatief? Kun je topsport bedrijven, zonder grensoverschrijdend gedrag? Terwijl ze verwikkeld is in een tweekamp met een jonge Chinese speler – door Pardijs geplaatst in een sfeervol uitgelichte setting, ritmisch gemonteerd en aangekleed met een prikkelend sound- en muziekdecor – deelt Bettine Vriesekoop de filosofie die ze in China opdeed. Ze voer er zelf in elk geval wel bij: in 1992 won ze, tien jaar na haar eerste kampioenschap, opnieuw de Europese titel in het enkelspel. En zeven jaar later werd Vriesekoop gekozen tot beste Nederlandse tafeltennisster van de twintigste eeuw.

Turn!

De openingsscène van het fraaie Turn! (55 min.) vertelt in wezen het complete verhaal: niet de jongens en meisjes die boven zichzelf uit proberen te stijgen in de turnzaal zijn daarin te zien, maar hun ademloos toekijkende ouders. Esther Pardijs bijvoorbeeld, de maakster van deze boeiende egodocumentaire. En de bloedfanatieke Oscar, die net thuis, midden in de huiskamer, een set ringen heeft opgehangen, zodat zijn zoon Wytze ook daar kan trainen.

Samen met de ouders van andere talentvolle turnertjes beoordelen ze de prestaties van hun en elkaars getalenteerde kinderen. Geconcentreerd kijken ze toe. Gespannen. En uiteindelijk: trots of juist teleurgesteld. ‘Ik hoop dat een ander kind een fout maakt’, zegt Pardijs daarover, in één van de openhartige voice-overs waarmee ze de gebeurtenissen in de film extra lading geeft. ‘Dan eindigt mijn zoon Roman hoger.’

Ze vraagt zich af of de ouders om haar heen, die ook in deze ‘draaikolk van trots, jaloezie en competitiedrang’ terecht zijn gekomen, hetzelfde denken. Intussen zitten Roman en zijn teamgenoot/concurrent/vriendje Wytze bij haar in de auto te geinen, op weg van of naar alweer een training of wedstrijd. Als de negenjarige jochies die ze ook nog gewoon zijn – als hun sportcarrière, waarvoor ze zo’n vijftien uur per week moeten trainen, dat toelaat.

Het is inmiddels een vertrouwd beeld dat in deze film wordt opgeroepen: van Nederlandse ouders die als coach, fan, financier, regelaar én chauffeur voor hun sportende/musicerende/acterende kind fungeren en misschien nog wel meer belang hechten aan de prestaties van hun kroost dan het jongetje of het meisje zelf. Kan hun kind bijvoorbeeld wel naar een verjaardagsfeestje als er eigenlijk een belangrijke training op het programma staat?

Pardijs stelt zich kwetsbaar op. Ze neemt de camera mee naar groepsbijeenkomsten van de ouders, maar laat hem ook toe in haar eigen huis als ze met haar zoon en echtgenoot beslissingen over Romans sportloopbaan moet nemen. Daarnaast besteedt ze speciale aandacht aan Wytze en zijn pusherige vader Oscar, die gaandeweg steeds meer in aanvaring komt met de trainers van zijn kind. Voor ‘Wyts’ is alleen het allerbeste goed genoeg. En hij moet, ook niet onbelangrijk, medailles winnen.

Turn! brengt op bijzonder treffende wijze het leven van topsportouders in beeld en stipt en passant enkele kerndilemma’s van het ouderschap aan. Terwijl hun kinderen tot het uiterste moeten gaan tijdens trainingen, floreren op allerlei turntoestellen of juist genadeloos onderuitgaan vragen hun ouders zich af of ze hen nóg nadrukkelijker moeten aansporen tot grotere prestaties of beter, en dan liefst zonder gezichtsverlies, kunnen uitstappen.

Want van al die kinderen die een groot deel van hun jeugd spenderen in de sportzaal (of op de viool of voor een camera of…) zal uiteindelijk slechts een enkeling het werkelijk redden. Dat weet elke ouder, maar wil-ie dat ook weten?