Sotto Le Nuvole

Bantam Film

De laatste uitbarsting van de Vesuvius dateert alweer van tachtig jaar geleden. Toch leven de inwoners van Napels nog altijd in de schaduw van de vulkaan. Bij de meldkamer van de brandweer komen regelmatig telefoontjes van verontruste bewoners binnen. Zij hebben een schok gevoeld of beving waargenomen. 

Bij gewone Napolitanen zit de teloorgang van Pompeï nu eenmaal in het collectieve geheugen. In het jaar 79 na Christus werd de Romeinse stad bij een uitbarsting van de Vesuvius verzwolgen door een golf van gloeiende lava, vulkaangruis en as. De dreiging van onheil – en de onrust die daarmee gepaard gaat – werkt ook als een permanente onderstroom voor Sotto Le Nuvole (Internationale titel: Below The Clouds, 114 min.).

Heden en verleden lopen voortdurend door elkaar heen in deze nieuwe film van de Italiaanse regisseur Gianfranco Rosi, die eerder in Sacro GRA (2013) en Fuocoammare (2016) respectievelijk de ringweg rond Rome en de vluchtelingencrisis op het eiland Lampedusa belichtte en nu de havenstad Napels portretteert, waar het verleden middels Romeinse ruïnes en archeologische opgravingen alomtegenwoordig is.

Rosi kijkt mee bij archeologisch onderzoek van de Universiteit van Tokio bij de Romeinse Villa Augustea, laat zich door een gids met een zaklamp rondleiden door een kelder met kunstschatten en sluit aan als brandweerlieden en de procureur-generaal afdalen onder de grond, waar ze zijn gestuit op het werk van grafrovers. Met zelf gegraven tunnels zijn deze ‘rioolratten’ erin geslaagd om talloze historische artefacten te ontvreemden.

Sotto Le Nuvole is door de filmmaker geschoten in straf zwart-wit. Bij het vereeuwigen van de stad en z’n inwoners speelt hij voortdurend met perspectief, kadrering en licht. Hij beperkt zich verder tot observeren en neemt daarvoor ook ruim de tijd. Deze mozaïekfilm bevat weliswaar enkele terugkerende personages en situaties, maar richt zich niet op het opzetten, uitwerken en afwikkelen van afgeronde verhalen.

Illustratief is het relaas van Syrische mannen die met een schip Oekraïens graan komen lossen. ‘Wat geweldig, Napels!’ reageert de echtgenote van één van hen enthousiast, als ze hem aan de telefoon krijgt. ‘Eet je daar pizza?’ Even later spreekt ze haar zorg uit: de Oekraïense stad waar ie net vandaan komt is gebombardeerd. En hij weet dat ze over vijf dagen – ze hebben nu eenmaal geen andere keus – weer naar Odessa vertrekken.

Als al het graan aan het eind van deze verstilde film is gelost, liggen de Syriërs uitgeteld in het lege ruim van hun schip. Zoals Titti, een leraar die Victor Hugo’s Les Misérables heeft voorgelezen aan zijn pupillen, de laatste bladzijden van zijn boek bereikt. En een lege metro tot stilstand komt in de nachtelijke stad. Zulke stemmige beelden vormen de bouwstenen van Rosi’s narratief, in een lijvige film om langzaam in weg te zinken.

Notturno

Cinéart

Hun levens zijn doordesemd met oorlog. Een oneindige strijd, die hen soms tijdelijk in slaap sust en die dan toch weer plotseling kan oplaaien. Al ruim een eeuw. Sinds de val van het Ottomaanse rijk, aan het einde van de Eerste Wereldoorlog.

In het grensgebied tussen Irak, Koerdistan, Syrië en Libanon heeft de bevolking (moeten) leren leven met voortdurend gevaar. Terwijl een eendenjager in het holst van de nacht met zijn kano het water opgaat, klinkt er tussen het rustgevende getsjirp van de krekels bijvoorbeeld regelmatig ratelend geschut. De man kijkt er niet van op.

Intussen zijn er overal militairen die de wacht houden, klaar om in te grijpen als de situatie daar om vraagt. Want Islamitische Staat, dat ongenadig huishield in de regio, is nog altijd niet definitief verslagen. De herinneringen aan het horrorbewind van de terreurbeweging houdt menigeen nog altijd in zijn greep. Niet alleen in de nachtelijke uren.

Gianfranco Rosi vangt die dagelijkse realiteit in Notturno (100 min.) met lange, zorgvuldig gekadreerde en prachtige uitgelichte (nacht)shots, die het oog van een meester verraden. Hij schildert met luchten: van bloedstollend mooi tot ronduit onheilspellend. De camera verroert zich intussen niet en sublimeert de grauwe werkelijkheid van het leven.

Rosi’s aanpak is verder uitgesproken sober. Geen interviews. Geen muziek. En geen duidelijke protagonisten. Gesproken wordt er ook nauwelijks. Of het moet dat gekerm op de psychiatrische afdeling zijn. De repetities voor een geladen toneelvoorstelling. Of het gejammer van een Koerdische moeder die in een verlaten gevangenis haar gestorven zoon betreurt.

In de meest indrukwekkende scène vertellen kinderen aan de hand van zelfgemaakte tekeningen over hun ervaringen met Islamitische Staat. ‘Als de kinderen huilden, werden ze door IS-mannen met een stok geslagen’, zegt een jongetje over zijn tijd in een gevangenenkamp. Hij wijst naar zijn tekening. ‘Dit is hun bloed.’

Kalm observeert Rosi gewone mensen die ‘gewoon’ hun leven leiden. Hele gezinnen op één kamer, soldaten op patrouille en vluchtelingen in een modderig kamp. Nietige wezens, overlevend in het perpetuum mobile van geweld waarin ze ooit terecht zijn gekomen. Het komt allemaal samen in de blik van die ene, in zijn eigen capuchon verscholen tienerjongen, die gepijnigd voor zich uitstaart.