Robert Jan Stips – De Tovenaar Van De Nederpop

Bart Chabot leidt de hoofdpersoon van deze documentaire op geheel eigen wijze in: nee, hij is niet zo bekend als Barry Hay of Herman Brood, maar hij is de beste muzikant van de Nederlandse popscene, iedereen wil met hem werken en toch wordt-ie niet herkend op straat. Heeft u al door over welke Onbekende Nederlander de inmiddels dolenthousiaste Chabot het heeft? Gelukkig worden nu de usual suspects voorgesteld die de man in kwestie verder zullen duiden: Cesar Zuiderwijk, Henk Hofstede, Anton Corbijn, Rinus Gerritsen en Freek de Jonge. Stuk voor stuk hebben ze gewerkt met – tromgeroffel, doodse stilte, trompetgeschal! – Robert Jan Stips – De Tovenaar Van De Nederpop (59 min.).

In strandpaviljoen De Fuut in zijn thuisstad Den Haag tovert Stips aan een nieuwe plaat, waarmee hij wil voortborduren op het magische werk van zijn eerste bandje Supersister. Hij laat zich daarbij tevens ondersteunen door vroegere vrienden uit die vermaarde progrockgroep uit de sixties. Ook de ‘simpele rock & roll-muzikanten’ van enkele vooraanstaande vaderlandse bands melden zich voor de opnamesessies. Terwijl de oude kameraden elkaar begroeten en onder leiding van Stips samen gaan musiceren, loopt regisseur Marcel Goedhart de carrière van de multi-instrumentalist door: van Supersister via Golden Earring, Gruppo Sportivo, Sweet D’ Buster en The Nits naar Freek de Jonge.

Het bevalt Robert Jan Stips wel, die rol in ‘de subtop’. Op die manier heb je als muzikant een langer leven, meent hij. Misschien is het ook een manier om enigszins op afstand te blijven, ga je als kijker denken. Zeker als je vervolgens zijn dramatische familieverhaal krijgt te horen (dat Goedhart ondersteunt met enkele fraaie geanimeerde scènes). Met name de relatie met zijn vader, die in zijn hart misschien ook kunstenaar had willen zijn, maar zijn dagen sleet als ambtenaar, speelt Stips nog altijd parten. ‘Het vaderschap heb ik zelf moeten uitvinden. En daar ben ik ook niet altijd even goed in’, zegt hij. ‘Ik vind het lastig om heel warm te zijn naar het gezin toe. Dat zou wel warmer kunnen.’ Zelfs in de muziek is dat zo, constateert hij. ‘Misschien maak ik daarom ook wel andersoortige muziek dan blues of liefdesliedjes.’

Met die muziek heeft hij niettemin vrienden voor het leven gemaakt, in de Nederlandse muzikantenscene, maar ook ver daarbuiten. Met de internationaal vermaarde fotograaf en filmregisseur Anton Corbijn bijvoorbeeld, die zich nog goed kan herinneren hoe hij in 1973 als middelbare scholier een fotoshoot mocht doen met de band waarvan hij al enkele jaren fan was. Als tegenprestatie, vertelt hij met hartverwarmend enthousiasme, stelde Corbijn alles in het werk om vele jaren later de Supersister-evergreen She Was Naked een plek te geven in zijn debuutfilm Control. En dat viel weer in goede aarde binnen de internationale progrockscene, waarbinnen de eerste band van Stips – Arjay voor zijn Amerikaanse fans – nog altijd een cultstatus heeft.

Zo ontvouwt zich een liefdevol portret van een gewaardeerde muzikant, die op een gracieuze manier ouder en grijzer is geworden (al zijn die strakblauwe kijkers gebleven). En daarbij neem je de wat gekunstelde barscène met Bart Chabot, die natuurlijk ook op gedragen toon een punt mag zetten achter de film, over waarom die nederpoptovenaar nooit een Bekende Nederlander is geworden maar voor lief. Zou het misschien kunnen – in de oren van Hay- en Brood-adepten klinkt dat wellicht ongeloofwaardig – dat Robert Jan Stips ‘gewoon’ prettig bescheiden is (gebleven) en ervoor kiest om vooral via zijn instrumentarium te spreken?

Kap Nâh!! – Het Verhaal Van Marnix Rueb

NTR

Zijn eerste Haagse Harry-tekening publiceerde Marnix Rueb in 1991 in het tijdschrift Doen, bij een artikel van zijn jongere broer Robert-Jan over Haagse dichters. Ruebs volkse ‘poëet-proleet’ Harry staat achter de microfoon op een podium en draagt voor uit eigen werk: ‘Uit me laaste bundel ut plèn bè nach: ut erotiese ve’haal “Kânkâhoeâ!”.’

Harry was het duiveltje in Marnix, zegt Jean-Marc van Tol, tekenaar van de Fokke en Sukke-strip in de documentaire Kap Nâh!! – Het Verhaal Van Marnix Rueb (60 min.) van Bart Grimbergen en Roel Wijngaards-de Meij. De Hagenees met die mat in zijn nek en zijn eeuwige campingsmoking past perfect in de prachtige Haagse traditie van Jacobse en Van EsHarrie ‘O, O, Den Haag’ Klorkestein enne… Henk Bres (al is dat geen typetje; niet bewust, tenminste).

De man achter Haagse Harry was echter bepaald geen Hagenees, maar een echte Hagenaar. Als zoon van een kinderrechter groeide hij op in een bevoorrecht milieu. Zonder moeder, dat wel. Zij overleed toen hij nog een kind was. En dan was er nog die persoonlijke tragiek die hem als persoon heeft gevormd. Misvormd, aldus zijn vriend Sjaak Bral (een typetje overigens van Marcel van der Heijden). Marnix Rueb, een echte binnenvetter, sprak er nooit over. Beter: bijna nooit.

Via gesprekken met Ruebs broers, weduwe, beste vriend en dochter vertelt dit vlotte portret het levensverhaal van de in 2014 overleden striptekenaar. Dat is ook meteen het nadeel van de film: veel pratende hoofden en erg anekdotisch. Filmisch blijft deze biografie een beetje achter, al werken de archiefbeelden van gewone mensen, Hagenezen en Hagenaars, die hardop voorlezen uit de strips erg aanstekelijk en is de scène waarin Rueb kort voor zijn dood meezingt bij een concert van zijn idool Bruce Springsteen zeer ontroerend.

Kap Nâh!! wordt nooit meer dan een typisch televisieportret, maar is daarom niet minder vermakelijk. ‘Vestaat u mèn?!’, zou Harry zelluf zeggen. Met opgestoken middelvinger, natuurlijk.

Unknown Brood


Provocerend gesteld: Herman Brood is de ideale rock & roller voor mensen die eigenlijk niet van rock & roll houden. Of beter: voor mensen die de rock & roll-levensstijl verkiezen boven de muziek. Zoals je hem ook de ideale kunstenaar kunt noemen voor mensen die eigenlijk niet van kunst houden. Of: de troeteljunk van mensen die drugsverslaafden het liefst uit hun eigen straat verjagen. Ik draaf door…

Regisseur Dennis Alink probeert in deze krachtige film de Unknown Brood (85 min.) te vinden, de man achter het fenomeen. Volgens eigen zeggen was die mensenschuw, sociaal onhandig en ‘allergisch voor gezelligheid’. Speed hielp hem over de drempel om ‘Herman Brood’ te worden. Zonder drugs zou hij niet oud zijn geworden, denkt zijn jongere zus Beppie zelfs. Achteraf bezien was er in zijn leven en werk altijd al een doodswens aanwezig, die in 2001 culmineerde in die fatale sprong van het Hilton.

Alink voert in zijn documentaire de gebruikelijke Brood-mythevormers op: de onvermijdelijke manager Koos van Dijk, de onvermijdelijke oud-bandleden en de onvermijdelijke biograaf Bart Chabot. Stuk voor stuk lijken ze hun bestaansrecht te ontlenen aan de jaren in het kielzog van de rock & roll junkie. Behalve zulke usual suspects komen ook intimi als Hennie Vrienten, Willem Venema en Anton Corbijn aan het woord. De echte meerwaarde zit echter bij Broods openhartige vrouw Xandra en kinderen, zijn ex-vriendin Dorien (die hem inspireerde tot Doreen) en zijn nuchtere zus. Zij openen de deur naar de Herman die Brood liever verborgen hield.

‘Herman en ik zeiden wel eens tegen elkaar dat we last hadden van een gelukkige jeugd’, beweert Beppie Brood stellig. Hij speelde in het openbaar echter liever de getormenteerde artiest, die een beroerde jeugd had gehad als loensend, gepest jongetje. Het was slechts één van de elementen van het trucje ‘Herman Brood’, dat gretig aftrek vond bij gulzige journalisten en televisiemakers, die zich hier in allerlei archieffragmenten van hun meest schaamteloze kant laten zien. Brood documenteerde daarnaast met een filmcamera zijn eigen leven. In rafelige homevideo’s tekent hij opmerkelijk afstandelijk zijn eigen aftakeling op.

Naarmate de documentaire vordert wordt het verval steeds zichtbaarder. Hij had dat zelf ook maar al te goed door. Herman wilde, in de woorden van die andere speedkikker Jules Deelder, niet eindigen als ‘een halfje Brood’. Tegelijkertijd zag hij er ook wel de (donkere) romantiek van in, getuige de vergelijking die hij in een interview trekt met de aan een overdosis bezweken stand up-comedian Lenny Bruce (van wie hij volgens de overlevering de kreet Shpritsz leende). Waarna Neerlands bekendste rock & roller uiteindelijk die al meermaals in bijzinnen, grapjes en songs aangekondigde stap in het diepe waagde en met het beëindigen van zijn leven nog eenmaal zijn imago bestendigde.

Van buitenaf bezien en met de wetenschap van nu lijkt Broods hele bestaan een soort uiting van het onvermogen om gewoon te leven. En juist dat maakt hem, en deze film die het beeld van een wankelend rock & roll-cliché behoorlijk kantelt, zo aangrijpend. Mens onder de mensen. Zelfs als je Herman Brood bent – of speelt.

Een fenomeen als Herman Brood vormt dankbaar documentairemateriaal. Rock ‘N Roll Junkie is bijvoorbeeld een klassieke docu uit 1994 over Neerlands bekendste rock & roller, gemaakt door vier overtuigde Brood-liefhebbers. Daarin zien we Brood zoals we hem kennen: cool, geil en high.

In Buying The Band, dat begin dit jaar een bescheiden hype werd in popland Nederland, is te zien hoe enkele leden van Herman Broods voormalige begeleidingsband, The Wild Romance, helemaal zijn blijven hangen in de rock & roll-lifestyle van weleer. De uiterst vermakelijke film van Teus van Sintmaartensdijk laat zien hoe ondernemer en would be-drummer Jan ’t Hoen zich inkoopt in de band en met hen onder de noemer Romanza Brava on the road gaat. De ontwikkelingen die hij zo in gang zet, zijn even voorspelbaar als komisch.