Sotto Le Nuvole

Bantam Film / vanaf donderdag 27 augustus in de bioscoop

De laatste uitbarsting van de Vesuvius dateert alweer van tachtig jaar geleden. Toch leven de inwoners van Napels nog altijd in de schaduw van de vulkaan. Bij de meldkamer van de brandweer komen regelmatig telefoontjes van verontruste bewoners binnen. Zij hebben een schok gevoeld of beving waargenomen. 

Bij gewone Napolitanen zit de teloorgang van Pompeï nu eenmaal in het collectieve geheugen. In het jaar 79 na Christus werd de Romeinse stad bij een uitbarsting van de Vesuvius verzwolgen door een golf van gloeiende lava, vulkaangruis en as. De dreiging van onheil – en de onrust die daarmee gepaard gaat – werkt ook als een permanente onderstroom voor Sotto Le Nuvole (Internationale titel: Below The Clouds, 114 min.).

Heden en verleden lopen voortdurend door elkaar heen in deze nieuwe film van de Italiaanse regisseur Gianfranco Rosi, die eerder in Sacro GRA (2013) en Fuocoammare (2016) respectievelijk de ringweg rond Rome en de vluchtelingencrisis op het eiland Lampedusa belichtte en nu de havenstad Napels portretteert, waar het verleden middels Romeinse ruïnes en archeologische opgravingen alomtegenwoordig is.

Rosi kijkt mee bij archeologisch onderzoek van de Universiteit van Tokio bij de Romeinse Villa Augustea, laat zich door een gids met een zaklamp rondleiden door een kelder met kunstschatten en sluit aan als brandweerlieden en de procureur-generaal afdalen onder de grond, waar ze zijn gestuit op het werk van grafrovers. Met zelf gegraven tunnels zijn deze ‘rioolratten’ erin geslaagd om talloze historische artefacten te ontvreemden.

Sotto Le Nuvole is door de filmmaker geschoten in straf zwart-wit. Bij het vereeuwigen van de stad en z’n inwoners speelt hij voortdurend met perspectief, kadrering en licht. Hij beperkt zich verder tot observeren en neemt daarvoor ook ruim de tijd. Deze mozaïekfilm bevat weliswaar enkele terugkerende personages en situaties, maar richt zich niet op het opzetten, uitwerken en afwikkelen van afgeronde verhalen.

Illustratief is het relaas van Syrische mannen die met een schip Oekraïens graan komen lossen. ‘Wat geweldig, Napels!’ reageert de echtgenote van één van hen enthousiast, als ze hem aan de telefoon krijgt. ‘Eet je daar pizza?’ Even later spreekt ze haar zorg uit: de Oekraïense stad waar ie net vandaan komt is gebombardeerd. En hij weet dat ze over vijf dagen – ze hebben nu eenmaal geen andere keus – weer naar Odessa vertrekken.

Als al het graan aan het eind van deze verstilde film is gelost, liggen de Syriërs uitgeteld in het lege ruim van hun schip. Zoals Titti, een leraar die Victor Hugo’s Les Misérables heeft voorgelezen aan zijn pupillen, de laatste bladzijden van zijn boek bereikt. En een lege metro tot stilstand komt in de nachtelijke stad. Zulke stemmige beelden vormen de bouwstenen van Rosi’s narratief, in een lijvige film om langzaam in weg te zinken.

The Story Of Ne Kuko

Doxy

Het nkisi-beeld dat in Kinkuku, een bergdorp in de Congolese provincie Boma, nog altijd een enorme spirituele kracht wordt toegedicht, heeft in het Belgische Africa Museum simpelweg een inventarisnummer gekregen. 0.0.7943 om precies te zijn, voor het zogenaamde krachtbeeld van koning Ne Kuko. Het staat al ruim honderd jaar in een vitrine in Tervuren. Gereduceerd tot een artefact uit de koloniale tijd, dat er bijna om vraagt om terug gestolen te worden.

En dat is precies waar de Pan-Afrikaanse restitutie-activist Mwazulu Diyabanza zich mee bezighoudt. In de openingsscène van de zinnenprikkelende film The Story Of Ne Kuko (26 min.), die was genomineerd voor een Gouden Kalf voor beste korte documentaire, ontvreemdt hij als een Afrikaanse Robin Hood een beeldje uit het Nederlandse Afrika Museum in Berg en Dal. De hele actie – en zijn navolgende aanhouding – laat Diyabanza zelf filmen. Hij staat immers volledig in zijn recht. 

Met dit boude staaltje ‘decolonizing art’ geeft documentairemaker Festus Toll z’n film direct een pikstart. In de messcherpe, associatieve en ritmische vertelling vertegenwoordigt zulk Afrikaans erfgoed ook elementaire bescherming tegen malheur. Zonder hun beschermheilige voelen de inwoners van Kinkuku zich minder goed beschermd. Met het geroofde erfgoed is bovendien een deel van hun collectieve identiteit verdwenen. Een deel van wie hen maakt tot wie ze zijn.

Toll laat in dat kader ook een voorouder aan het woord. Die verhaalt over de Belgische ontdekkingsreiziger Alexandre Delcommune, die steun zocht bij Ne Kuko’s nkisi. Rijke en machtige Europeanen zoals hij wisten dorpshoofden zover te krijgen dat ze hun land – en dat van hun voorouders – aan hen verkochten voor plaatselijke varianten op spiegeltjes en kraaltjes. In een archief te Brussel is te zien hoe dat in praktijk werkte: Ne Kuko heeft op 19 april 1884 zo’n verdrag ondertekend met een kruisje.

Met behulp van zijn complete filmische trukendoos, inclusief een prikkelend stem- en geluidsdecor, gebruikt Festus Toll het tragische verhaal van de Congolese leider als voorbeeld van de vervloekte geschiedenis van geroofde Afrikaanse kunst – onlangs eveneens belicht in Mati Diops bekroonde hybride van docu en fictie, Dahomey – en toont hoe die doorwerkt in het heden. Intussen staart Ne Kuko’s ontwortelde nkisi vanuit z’n Belgische vitrine nog altijd wezenloos voor zich uit.

Wachtend op z’n eigen Mwazulu Diyabanza.