McQueen

Alexander. Alexander McQueen. Niet: Lee. Lee McQueen. Eigenlijk zit alles daar al in. Lee, de wat dikkige jongen uit de Londense volkswijk Stratford, werd de gevierde modeontwerper Alexander. Een punker die de modewereld op zijn grondvesten deed schudden met macabere/intrigerende/smakeloze (*) shows als Jack The Ripper Stalks His Victims en Highland Rape. Zijn werk was persoonlijker dan menigeen toen vermoedde. Alexander probeerde simpelweg het bloeden van Lees hart te stelpen.

Bij televisie-interviews wilde diezelfde McQueen (de c is in het bijbehorende logo als een copyrightsymbool in de Q verstopt) intussen niet met zijn gezicht in beeld. Terwijl hij de modewereld vol in het kruis schopte had de modehooligan, getuige een treffende anekdote uit de barokke biopic McQueen (111 min.), vaak geen cent te makken. Hij leefde enige tijd zelfs van een uitkering. En die kon hij wel eens kwijtraken als ze erachter kwamen dat hij zich met zijn hele ziel en zaligheid op mode had gestort.

Alexander McQueen maakte stormachtig carrière. Op 26-jarige leeftijd werd hij hoofdontwerper bij het Franse modehuis Givenchy, zes jaar later volgde een overstap naar Gucci. ‘Hij was de koningin, met heel veel werkbijen die op zijn signalen reageerden’, zegt zijn neef daarover. ‘En iedereen voelde dat.’ Maar gelukkig werd hij er niet van. En ook met een liposuctie en overdadige hoeveelheden coke kreeg hij de razernij in zijn lijf niet beteugeld. Die zat te diep en zou hem naar zijn onvermijdelijke ondergang drijven. Op veertigjarige leeftijd, een zelfverkozen einde.

Het is een verhaal dat al duizenden malen eerder is verteld – het getroebleerde talent dat zichzelf willens en wetens naar de verdommenis helpt – maar niet heel vaak beter of meeslepender. De filmmakers Ian Bonhôte en Peter Ettedgui zetten Alexanders levenswerk vol in het licht en versnijden dat met archiefmateriaal en interviews met de man zelf en intieme gesprekken met de mensen die ertoe deden in zijn turbulente bestaan.

De vlekkeloze vertelling, een soort modevariant op Amy, is vervolgens aangekleed met de heerlijk overdadige muziek van Lees favoriete filmcomponist Michael Nyman. Het is een film die je na bijna twee uur leeg en toch volledig verzadigd achterlaat.

(*) doorhalen wat niet van toepassing is

De Stamhouder


Een onvervalste bestseller is nog geen garantie voor een overrompelende film. In het boek De Stamhouder heeft journalist en voormalig correspondent in Moskou Alexander Münninghof op meeslepende wijze zijn bijzondere familiehistorie opgetekend.

De gelijknamige documentaire van Ger Poppelaars voelt een beetje als een herhalingsoefening. De Stamhouder (55 min.) is traditioneel van opzet, erg praterig (met bovendien een tamelijk statige voice-over) en raakt slechts zelden het grote drama aan dat het boek zo bijzonder maakt.

Waar het verhaal van Münninghofs moeizame relatie met zijn vader, die in de tweede wereldoorlog voor de Waffen-SS koos, in zijn autobiografie bijvoorbeeld vonkt en schrijnt, blijft die in de film tamelijk vlak. Alexander is een uitstekende, beschouwende verteller, maar wordt voor de camera nooit echt zoon.

De geschiedenis van de Münninghofs, die de familie van Riga tot pak ’m beet Oss heeft gevoerd, blijft niettemin een heel bijzonder verhaal. En op de momenten dat de hoofdpersoon wordt geportretteerd te midden van zijn eigen gezin, weet deze verfilming zich soms heel even aan de schaduw van het boek te ontworstelen.