Last Hijack

Submarine

Mohamed Nur staart vanaf het strand verlangend naar de zee. De Afrikaanse man keert het water uiteindelijk de rug toe en loopt ervan weg. In zijn werkplaats bevestigt hij een haak aan een opvallend blauw touw. Als Mohamed dat touw de lucht inwerpt, neemt het hem mee de lucht in. De man van vlees en bloed is inmiddels in een geanimeerde versie van zichzelf veranderd. Zwevend door de lucht transformeert hij tot een enorme roofvogel, die zich daarna met zijn levensgrote klauwen op een vrachtschip stort.

Is het een herinnering van de Somalische piraat? Of fantaseert hij over een volgende schipkaping? De verbluffende openingsscène van Last Hijack (52 min.) werpt direct het centrale dilemma van deze film uit 2014 op en laat tevens zien dat dit verhaal op een bijzondere manier zal worden verteld: met een combinatie van traditionele documentaire-elementen en volledig geanimeerde scènes. De documentaire van Tommy Pallotta en Femke Wolting gaat bovendien vergezeld van een interactieve documentaire.

In Last Hijack Interactive, gemaakt door Mirka Duijn die daarvoor een Emmy Award voor won, kan de gebruiker met de voortdurend qat kauwende Mohamed het hele proces van een kaping minutieus doorlopen. Óf kiezen voor de herinneringen van kapitein Colin Darch, diens vrouw, Mohameds advocaat, zijn clanoudste, een journalist en/of een veiligheidsexpert. Óf zich nader verdiepen in de moderne historie van Somalische piraterij. Óf kijken en luisteren naar de berichtgeving over piraterij. Óf… Al grasduinend ontstaat een gelaagd en genuanceerd beeld van een kwestie die veel complexer is dan ie in eerste instantie lijkt.

De documentaire vertelt daarentegen een redelijk eenduidig verhaal. Van een man uit de Hoorn van Afrika die bevattelijk is voor het gemakkelijke leven en niet al te veel morele beperkingen ziet bij het verwerkelijken daarvan. Mohamed heeft inmiddels al de nodige vrouwen versleten, her en der kinderen achtergelaten en een chronisch gebrek aan geld dat alleen met oneigenlijke middelen is aan te zuiveren. Hoezeer zijn ouders ook op hem inpraten, de piraterij blijft onverminderd trekken.

‘Piratengeld is goedkoop’, zegt Mohamed als het burgermansleven zich toch weer eens opdringt. ‘“Made in Taiwan”. Het is binnen drie minuten verdwenen.’ Het lijkt alsof hij vooral tegen zichzelf spreekt. Terwijl de dertiger zich voorbereidt op alweer een huwelijk, blijft de zee echter toch lonken. ‘Waarom zou je bloedgeld gaan verdienen als het ook eerlijk kan?’, wil zijn nieuwe geliefde weten. ‘Wat moet ik dan gaan doen?’, stelt hij een wedervraag, kauwend op de onvermijdelijke qat. ‘Weer terug naar de steengroeve?’

Mohameds vader zet het met een groep geloofsgenoten alvast op een bidden. ‘We vragen God om hem op het rechte pad te brengen.’ En de kijker houdt zijn hart vast…

Safari

Het moet de angstdroom zijn van iedere cinefiel: te moeten leven in een wereld die louter wordt bevolkt door Ulrich Seidl-personages. Het kost weinig moeite om je daarbij een voorstelling te maken. Onuitwisbare beelden uit zijn vele films schieten voorbij. Van seksuele perversiteiten in een oververhitte Weense buitenwijk (Hundstage). De man die in z’n kelder trots zijn nazi-parafernalia toont (Im Keller). Of – ik probeer het beeld terstond te verdringen – de oudere Europese dames die zich in Afrika vermaken met viriele donkere mannen (Paradies: Liebe).

De Oostenrijker Seidl, die in zijn carrière regelmatig schakelt tussen speelfilms en documentaire, houdt er een inktzwart mensbeeld op na – en geeft dat met ‘liefde’ en ‘plezier’ door aan zijn publiek. Één blik op de titel van zijn nieuwste documentaire (Safari), de thematiek (plezierjacht) en de filmposter (een stel dat fier poseert bij een gevelde zebra) en de goede verstaander weet alweer genoeg: dit is wederom een film om te bekijken met dichtgeknepen neus, samengeperste billen en een hand die elk moment voor de ogen kan worden geslagen.

Ook het leeuwendeel van de personages in deze schurende film (84 min.) is weer lelijk en dom en houdt er weerzinwekkende denkbeelden op na. Zoals de man die een gnoe liefdevol op zijn kop klopt en bemoedigend toespreekt (‘een goede strijder’) nadat hij hem zelf vanaf een veilige afstand met een geweerschot van het leven heeft beroofd. Met enkele handjes water wordt het dier vervolgens schoongepoetst, en intussen de directe omgeving gefatsoeneerd, zodat de onvermijdelijke heldenfoto kan worden gemaakt van de stoere jager met zijn ontzielde prooi.

Traag en sober registreert Seidl de jacht op kansloze zebra’s en giraffes, die steevast wordt beslecht met een fataal schot, gevierd via een ‘Jagersheil’-groet en vereeuwigd met een fotocamera. Voor buitenstaanders zijn het even trieste als onbegrijpelijke taferelen. Zo nu en dan belicht Safari daarnaast ook de tragikomische aspecten van de plezierjacht. Zo brengen twee dikkige mannen van middelbare leeftijd, boerend en snurkend, urenlang tevergeefs door in een soort schutterscabine. De lulligheid ten top.

Intussen laat Seidl de jagers tijdens zorgvuldig geënsceneerde interviews langzaam maar zeker helemaal leeglopen. Nadat ze de zegeningen van de jacht hebben geteld en hun activiteiten (voor zichzelf) hebben gerechtvaardigd, belanden ze uiteindelijk in troebeler water en brengt Seidl hen in verband met een soort koloniaal racisme, waarbij zwarten letterlijk het vuile werk mogen opknappen voor witte mannen. Het is de venijnige pointe van een vertrouwd ongemakkelijke Seidl-film.