
Waarom hij op zoek is gegaan naar de andere jongens? De reden daarvoor is simpel, volgens de Joodse schrijver Gerhard Durlacher (1928-1996). Net als bij al zijn andere naspeuringen naar de oorlog: ‘om jezelf zekerheid te geven dat het ook allemaal waar was, die nachtmerrie’. De waarheid van de vernietigingskampen is zelfs voor de mensen die er verbleven niet te bevatten. Ook zij blijven behoefte houden aan ondersteunend bewijs. ‘Anders denk je van jezelf: ik ben gek. Dat is een nachtmerrie, dat is helemaal niet waar.’
Durlacher, vader van schrijfster Jessica Durlacher, was vijftien en één van de 89 jongens in het vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau die door de beruchte kamparts Josef Mengele werden geselecteerd en níet naar ‘het gas’ hoefden. Hij schreef er het boek De Zoektocht over, dat als basis diende voor Laatste Getuigen (89 min.). In deze documentaire uit 1991 probeert Cherry Duyns met drie van hen die tocht langs de poorten van de hel te reconstrueren. Terwijl zij konden/moesten voortleven, werden hun familieleden collectief als ‘ongedierte’ verdelgd.
‘Waarom?’ vraagt Ernst Hacker, die nooit eerder over zijn oorlogsverleden sprak. ‘Dat vraag ik me nog steeds af. Elke dag zie ik hoe m’n ouders en m’n broer het crematorium binnengaan.’ Waarna hij, met de handen voor het gezicht, onbedaarlijk begint te huilen. ‘Er gaat geen dag voorbij… Ik kan er tot op heden niet bij waarom ze dat gedaan hebben. Ik zou zo graag bij ze zijn.’ En dan volgt het schuldgevoel. ‘Maar om eerlijk te zijn heb ik niet gehuild toen m’n ouders het crematorium ingingen. Ik heb nooit kunnen huilen. Pas nu kan ik huilen.’
En dat gaat ook ruim 75 jaar na afloop van die verdoemde oorlog nog altijd door merg en been. Kun je er ooit overheen komen? vraagt Duyns aan Yehuda Bacon. ‘Voor een kind was dat de enige vanzelfsprekende realiteit’, antwoordt de kunstenaar, die na de oorlog naar Israël verkaste. ‘Er was niks anders. Ik kon niet vergelijken. Ik verklaar het zo: in Theresienstadt droomde ik nog dat ik thuis was en terugging naar m’n postzegelverzameling die ik ergens had verstopt.’ In Auschwitz was z’n kindertijd echter al ‘zo oneindig ver weg, dat ik droomde dat ik in Theresienstadt was.’
Waarom juist deze jongens werden gespaard door de nazi’s – waren zij voorzien als gijzelaars, loopjongens of toch als degenen die geruststellende brieven naar huis moesten schrijven? – is nog altijd niet precies te reconstrueren. Ieder van hen heeft, zo blijkt op een reünie in een Israëlische kibboets, zijn eigen manier moeten vinden om met het verleden te dealen. Het is in elk geval duidelijk dat deze mannen nog altijd niet bevrijd zijn – of ooit kunnen worden – van de gruwelijke geschiedenis waarvan zij getuige moesten zijn.