Wham! 10 Days in China

Martin Goddard / AVROTROS / dinsdag 3 en 10 november, om 20.25 uur, op NPO2

Het is de grote droom van de Britse zanger George Michael, halverwege de jaren tachtig nog de ene helft van het popduo Wham!, om in Amerika door te breken. Maandenlang touren in de Verenigde Staten ziet hij echter niet zitten. Manager Simon Napier-Bell bedenkt een list: een bezoek aan China, het communistische land dat sinds mensenheugenis vrijwel onbereikbaar is voor westerlingen, zal beslist veel aandacht genereren en die Amerikaanse ambities binnen handbereik brengen. Andrew Ridgeley, de andere helft van Wham!, ziet er alleen weinig in. Hij vindt het maar een riskante onderneming, vertelt ie in de tweedelige docu Wham! 10 Days In China (91 min.).

Die titel impliceert al dat de trip er toch is gekomen. Met Ridgeley en andere leden van Team Wham! – George Michael, die in 2016 overleed, natuurlijk uitgezonderd – reconstrueert Mike Christie deze reis naar de andere kant van de wereld. Ook de Britse roddelpers, met wie dan nog vooral Ridgeley een moeizame relatie heeft, sluit aan. Want de strapatsen van Wham! zijn natuurlijk eerst en vooral een publiciteitsstunt, om via een ideologische opponent de VS open te breken. Teneinde de kosten te drukken moet er ook een documentaire, gemaakt door de gerenommeerde filmmaker Lindsay Anderson, opgenomen worden – en dat is dus niet dit tweeluik.

De cultuurclash die Anderson voor ogen had, is er overigens wel degelijk in te herkennen. Ingepast in het verhaal van de boezemvrienden George en Andrew, dat onlangs ook al in de documentaires Wham! (2023) en Wham! The Story Of Last Christmas (2024) is vervat. Het ongemak waarmee de twee Britten, gadegeslagen door journalisten en fotografen uit eigen land, zich door China bewegen, wordt door Christie gepaard aan de reactie op hen van gewone Chinezen. Stoïcijns voor zich uit starende mannen, die voor het eerst hun muziek horen. Concertgangers die stil blijven zitten en niet weten hoe ze moeten meeklappen. En een enkeling die zich dan, in weerwil van de plaatselijke regels, toch helemaal laat gaan – en prompt wordt gearresteerd.

‘Het was een soort raam’, herinnert Cui Jian zich. ‘En op het moment dat je dat raam opendoet, zie je dat de wereld groter is.’ Net als andere Chinese concertbezoekers zal hij later zelf carrière maken als artiest. In die zin lijken de optredens van Wham! in Beijing en Guangzhou op dat legendarische Sex Pistols-concert in het Manchester van 1976, waarover het verhaal gaat dat elke afzonderlijke aanwezige daarna z’n eigen punkband begon. En net als Johnny Rotten en de andere Pistols worden George Michael en Andrew Ridgeley permanent met argusogen bekeken door de Britse pers. Enkele journalisten hebben natuurlijk ook hun giftige pen meegenomen.

De beelden voor Lindsay Andersons documentaire, die uiteindelijk achter slot en grendel zouden belanden, brengen de driehoeksverhouding tussen Wham!, China en de media overtuigend in kaart en vormen meteen een treffend tijdsbeeld. Ruim veertig jaar na dato laten ze bovendien nog eens zien hoe getalenteerd George Michael, die later definitief een wereldster zou worden als soloartiest, als jonkie al was.

Boyzone: Life, Death And Boybands

SkyShowtime

Na het eerste televisieoptreden van Boyzone in 1993 – van zingen kwam ’t niet, het bleef bij dansen – kegelde initiatiefnemer Louis Walsh zonder duidelijke reden twee bandleden eruit. Ze pasten er toch niet helemaal tussen, waarschijnlijk. Toen waren er nog maar vier over. ‘Ik moest ze laten weten dat ze op elk moment vervangen konden worden’, legt Walsh uit. De jongens in zijn boyband moesten hongerig en ambitieus blijven en mochten niets voor vanzelfsprekend aannemen.

Nu had de manager alleen nog een nieuw groepslid nodig. Want vijf was volgens hem het ideale aantal voor zo’n jongensband. Als er dan eentje z’n biezen pakte, had ie er nog genoeg over om gewoon door te kunnen gaan. Walsh rekruteerde Michael Graham, die altijd een Fremdkörper zou blijven in de groep. En daarmee was ‘de Ierse Take That’ compleet, klaar om de wereld te veroveren. Tenminste, het vrouwelijke deel. Beter: de meisjes. Daarvan moesten de harten sneller gaan kloppen.

De driedelige docuserie Boyzone: Life, Death And Boybands (145 min.) van Sophie Oliver is een opvallend open, kritische en schrijnende terugblik op de carrière van de vijf Adonissen uit Dublin en hun gehaaide manager Louis Walsh, een man die al net zo rücksichtslos opereerde als Frank Farian, de bedenker van Milli Vanilli, en Lou Pearlman, de manager van Backstreet Boys en *NSYNC, popacts waarover in de afgelopen jaren ook smeuïge documentaireproducties zijn uitgebracht.

Alleen kwam daarin de man die achter de schermen aan alle touwtjes trekt zelf niet aan het woord. Hier wel. En Walsh spreekt niet met meel in de mond. Volgens journalist Paul Martin van de tabloid The Irish Mirror, tabloid, gefilmd in een schemerige parkeergarage, was de Boyzone-manager een geweldige bespeler van de pers. Walsh gaf hen vaak carte blanche en verzon zonder problemen allerlei onzinverhalen over de groep om maar in beeld te blijven, desnoods over de rug van zijn jongens.

Zo kreeg Martins coververhaal ‘Baby Spice & Boyzone Steve are live and kissing’ een wrange nasmaak. Want Boyzone-kanjer Stephen Gately, waarvan menig meisjeshart sneller ging kloppen, was in werkelijkheid homo. In 1999 kwam dat alsnog uit. ‘Iemand verraadde hem’, herinnert Boyzone-voorman Ronan Keating zich, ‘en deed Steo in de uitverkoop.’ Het verhaal bereikte vervolgens showbizzjournalist Rav Singh van The Sun, de concurrent van The Irish Mirror. En die had niet geaarzeld.

‘Boyzone-ster Stephen Gately koos The Sun om z’n moedige mededeling te doen’, leest Keating 25 jaar later voor uit de krant. ‘Flikker op! Hij heeft niet gekozen.’ De hele groep was destijds verontwaardigd over wat er met hun vriend en collega gebeurde. ‘Hij was er niet klaar voor, die arme jongen’, zegt Shane Lynch. ‘Hij was zo bang.’ Manager Walsh kan een glimlach echter niet onderdrukken als hij The Sun onder ogen krijgt. ‘Goed om te zien’, zegt hij tevreden. ‘Hij haalde de voorpagina.’

De tabloids zouden een dubieuze rol blijven spelen in de bandhistorie, in het bijzonder na Gately’s overlijden in 2009. En de verhoudingen in de groep zouden daarna ernstig verzuren, waardoor de verplichte reünietournee, die dit soort docu’s doorgaans aftopt, er in Boyzone’s geval echt niet in lijkt te zitten. Alhoewel? Ronan Keating, Shane Lynch en Keith Duffy zeggen niet direct nee. Alleen Mikey Graham, die altijd twijfels heeft gehouden bij het boybandbestaan, staat vooralsnog niet te springen.

Louis Walsh zou in elk geval helemaal niets veranderen aan de voorbije dertig jaar. ‘Het was misschien niet perfect’, zegt hij triomfantelijk. ‘Maar het was perfect voor mij.’