Mohammad & Jafar

2mei_Mohammad_en_Jafar_1993_©NTR

 

‘Je kunt de jongen wel uit het kamp halen, maar het kamp niet uit de jongen, zeggen ze hier’, stelt Marcel Goedhart halverwege zijn film Mohammad & Jafar (54 min.). Hij volgt al 25 jaar twee jongens uit Dheisheh, een Palestijns kamp nabij Bethlehem, op de door Israël bezette Westelijke Jordaanoever. Het kamp is intussen een soort stad geworden, Mohammad en Jafar mannen van tegen de veertig. Zo’n beetje alles is in die jaren veranderd. Behalve die ene droom.

Het verlangen om terug te keren naar hun geboortegrond, het dorp Sufla dat hun voorouders in 1948 onder druk van Israëlische troepen hebben moeten verlaten, is nooit gestorven en leeft inmiddels voort in de volgende generatie van Dheisheh. Via de levens van twee gewone mannen vertelt Goedhart zo het verhaal van een ontheemd volk dat met het aanstaande zeventigjarige bestaan van de staat Israël nog steeds hartstochtelijk hunkert naar zijn eigen land.

Hij volgt daarbij de werkwijze van Michael Apted in de legendarische Up-serie; met tussenpozen van enkele jaren bezoekt Goedhart de gematigde Mohammad en de van nature wat militantere Jafar en legt dan hun persoonlijke leven en ontwikkeling vast. In de montage snijdt hij heden en verleden door elkaar, zodat hun vroegere dromen botsen op de realiteit van vele jaren later. Tegelijkertijd laat hij zien of oude wonden zijn geheeld of nog elk moment kunnen worden opengereten.

Ooit beschouwden de twee oude vrienden zichzelf als strijders in de Intifadah. Met stenen als voornaamste wapen vochten ze tegen de bezetter. Voor hetzelfde geld waren ze allebei martelaar geworden. Een kwart eeuw later zijn ze allebei nog springlevend. Gehavend door diezelfde strijd, dat wel. Jafar spendeerde enkele jaren in een gevangenis, Mohammad verloor al op jonge leeftijd zijn vader. Door een Israëlische sluipschutter, zo weet hij zeker.

Nu wil Mohammad zelf vader worden. Jafar vreest intussen dat zijn zoon in zijn voetsporen zal treden. Zal hij uiteindelijk ook met de schrik vrij komen of toch eindigen als martelaar? Over een jaar of acht mag Marcel Goedhart daarover rapporteren in het volgende hoofdstuk van dit boeiende documentaire-feuilleton over twee heel gewone mannen, Mohammad en Jafar, in heel ongewone omstandigheden.

Watani – My Homeland


Als de zevenjarige Farah beschrijft hoe ze zag dat een bevriende man werd onthoofd toen de bom die hij maakte voortijdig ontpofte, lopen de koude rillingen over je rug. De horror van oorlog, door de ogen van een kind. Dat went nooit. Ook de andere kinderen van het Syrische gezin, dat enkele jaren wordt gevolgd in Watani: My Homeland (51 min.), krijgen nauwelijks de kans om gewoon kind te blijven.

Het duurde acht jaar voordat ze kinderen konden krijgen, vertelt hun vader Abu Ali aan het begin van de documentaire. En nu, constateert hij vertwijfeld, brengt hij zijn zoon en drie dochters zelf in gevaar omdat hij zo nodig moet vechten in het (gematigde) Vrije Syrische Leger. Als niet veel later het noodlot toeslaat en Abu Ali in handen valt van IS, verlaat zijn gezin huis en haard voor een onzeker bestaan als vluchteling.

Regisseur Marcel Mettelsiefen doet verslag van hoe het hen daarna vergaat in deze boeiende film, die eerder dit jaar was genomineerd voor een Oscar voor beste korte documentaire. In Europa proberen moeder Hala en haar vier kinderen een nieuw leven op te bouwen. Intussen wachten ze, met stijgende ongerustheid, op nieuws van/over vader Abu Ali…

0,03 Seconde


‘Iedereen kent de Olympisch kampioen’, stelt gouden medaille-winnaar Ferry Weertman in 0,03 Seconde (90 min.). ‘Maar hoeveel ken je er die tweede zijn geworden?’ Toch is het een ‘verliezer’ die je hart wint in deze documentaire over vijf zwemmers die vorig jaar deelnamen aan de Olympische Spelen in Rio de Janeiro.

Regisseur Suzanne Raes zet haar geld op de even kwets- als aaibare Femke Heemskerk. De andere helden van deze meeslepende film (titelfavoriet Ranomi Kromowidjojo en haar vriend Ferry, de ambitieuze Sebastiaan Verschuren en Heemskerks lange afstandsmaatje Sharon van Rouwendaal) zijn allemaal gepositioneerd rond de lotgevallen van de met haar vorm en gemoed worstelende Femke.

Heemskerks omgang met haar voormalige coach Marcel Wouda wordt geportretteerd als een liefdesaffaire die door omstandigheden niet kan worden geconsumeerd. Intussen zit ze opgescheept met de barse macho Philippe Lucas als trainer, een Franse variant op schaatscoach Peter Müller (die ooit z’n pupil Marianne Timmer verschalkte).

In een verlaten zwembad in het Franse Narbonne bezwijkt Femke bijna onder Lucas’ gestaalde regime, terwijl haar maatje Sharon er juist sterker en sterker van wordt. De beelden van topsporters die in afzondering gedwongen worden het uiterste uit zichzelf te halen behoren tot de grootste troeven van 0,03 Seconde.

Waarschijnlijk werd de sport zwemmen ook nooit eerder van zo dichtbij vastgelegd. Door het sublieme camerawerk, afgetopt met een weelderig geluidsdecor, is het bijna alsof je als kijker zelf onderdeel wordt van die voortdurende race tegen de klok, coach en concurrentie, die slechts een enkeling kan winnen.

De afloop van alle inspanningen (of wie welke medaille wint) mag dan bekend zijn, maar het hoe en waarom van de weg ernaartoe blijft fascinerend. Zeker omdat Suzanne Raes de opofferingen die de zwemmers en hun directe omgeving zich moeten getroosten voor Rio zo groots en tegelijk intiem in beeld brengt; kleine levens, in dienst van grote prestaties.

En Femke? Die schijnt weer terug te zijn bij Marcel.