Naza

Cherry Pickers

Het gebeurt niet vaak dat documentaires zelf nieuws worden. Het overkwam Errol Morris toen hij met The Thin Blue Line (1988), misschien wel de allereerste true crime-docu, aantoonde dat Randall Adams, die al jaren zat te verpieteren in een dodencel, de moord op politieagent Robert Wood in 1976 niet gepleegd kón hebben. En Andrew Jarecki met The Jinx: The Life And Deaths Of Robert Durst (2018), een misdaadserie waarin zijn hoofdpersoon juist per ongeluk enkele moorden bekende. Ook klassiekers zoals Titicut Follies, Gimme Shelter en General Idi Amin Dada: A Self-Portrait deden bijvoorbeeld, vanwege uiteenlopende redenen, het nodige stof opwaaien.

Dat Naza (80 min.) wereldwijd zowel een storm van kritiek als een waaier aan loftuitingen zou oogsten, was wel enigszins te voorspellen. Het gevolg ook: de film van Yuval Abraham en Rachel Szor, die in de Oscar-winnende documentaire No Other Land (2024) de benarde positie van een Palestijnse gemeenschap optekenden, trekt overal volle zalen. De zakelijke toon waarop 24 digitaal geanonimiseerde medewerkers van de Israëlische inlichtingendiensten, in het donker geïnterviewd op het dak van een flatgebouw in Tel Aviv, spreken over de militaire operaties die de Israel Defense Forces opstartten in Gaza na de aanslagen van Hamas op 7 oktober 2023, raakt een gevoelige snaar.

Naza betekent nevenschade. Ofwel: het vermoede aantal burgerslachtoffers bij een actie. Zo’n twintig Naza per doelwit schijnt intern als acceptabel te worden beschouwd, maar soms hanteren ze ook heel andere aantallen. Een Israëlische militair spreekt bijvoorbeeld over het uitzonderlijke geval van ‘500 Naza voor één menselijk doel’. Die doelwitten worden bepaald door het computersysteem Lavender. Dat doet niet aan ethiek. Kunstmatige intelligentie is rationeler dan iemand die net een dierbare heeft verloren, stelt één van Abraham en Szors subjecten. ‘Ik word niet geacht om een morele of principiële positie in te nemen’, beweert een ander. ‘Ik heb een technische rol.’

De filmmakers vragen door, maar hengelen niet opzichtig naar emoties. De toon is functioneel, de setting afstandelijk. Ze wisselen hun gesprekken op het dak van de stad af met nachtelijke beelden van flatwoningen. De bewoners daarvan worden met behulp van de raamkozijnen, als ware het barricades, geanonimiseerd. Het nieuws over Gaza komt binnen via televisietoestellen. Het leven gaat er, kortom, ’gewoon’ door. Het is een treffende verbeelding van het dehumaniserende effect van deze oorlogsmachine, die niet alleen de slachtoffers ontmenselijkt maar ook de daders en hun acties, die veelal klinisch vanachter een beeldscherm kunnen worden opgezet en afgehandeld.

Daarbij maken ze geen onderscheid tussen kinderen en volwassenen. (Vermeende) Hamas-kopstukken moeten koste wat het kost uitgeschakeld worden. Waarbij de zinsnede ‘Waar is papa?’ naar verluidt geldt als signaal dat het doelwit thuis is gekomen en nu, samen met zijn gezin, kan worden uitgeschakeld. Het leidt tot enorme aantallen slachtoffers en verwoesting alom. Genocide? vragen de filmmakers. Absoluut, zegt één van de militairen. Een ander moet terugdenken aan de reis die hij ooit maakte naar de concentratiekampen. Naderhand zag hij de Duitsers als verpersoonlijking van het kwaad. ‘Ik zie die nazi’s nog steeds als slecht’, zegt hij. ‘Maar wie ben ik dan?’

Terrorisme kan worden gedefinieerd als ‘the systematic and deliberate attack, the murder, maiming and menacing attack of innocents, of civilians, for political goals’. Dat zijn niet de woorden van Yuval Abraham en Rachel Szor of hun klokkenluiders, maar van een politicus, die in 1986 in een Amerikaanse talkshow kwam vertellen over een boek dat hij zojuist had uitgebracht over terrorisme. Veertig jaar later stelt diezelfde Benjamin Netanyahu als premier dat Israëls optreden in Gaza een gerechtvaardigd onderdeel is van de strijd van goed tegen kwaad. Zijn eigen mannen, de voetsoldaten die de drones bedienen, spreken intussen over ‘zuiveren’ en verwoesting als strategisch doel.

De huiveringwekkende details die zij in deze verpletterende aanklacht oplepelen over hun werk zijn in dat verband niet meer dan logisch. De uiterste consequentie van hoe de huidige Israëlische regering, in elk geval sinds de aanslagen van 7 oktober 2023, naar Gaza en z’n bewoners kijkt. En daarvan slaat de wereld, héél terecht, even steil achterover.

Je Navais Que Le Néant – Shoah Par Lanzmann

mk2 Films / Arte

Twaalf jaar heeft Claude Lanzmann gewerkt aan Shoah (1985), zijn epische documentaire van negen en een half uur over de Holocaust. Het tweeluik is inmiddels opgenomen in het UNESCO Memory Of The World Register.

Tegenwoordig is nauwelijks meer voor te stellen dat Shoah er voor hetzelfde geld helemaal niet was gekomen. De Franse schrijver en filmmaker Claude Lanzmann (1925-2018) werd begin jaren zeventig benaderd, was eigenlijk helemaal niet zo happig op het maken van een film over de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog en wilde er, door allerlei strubbelingen en tegenslagen, ook meerdere malen de brui aan geven.

In Je Navais Que Le Néant – Shoah Par Lanzmann (internationale titel: All I Had Was Nothingness, 95 min.) neemt hij de wording van dit monument nog eens nauwgezet door. Althans, dat doet de Franse documentairemaker Guillaume Ribot, die de beschikking kreeg over 220 (!) uur ruw materiaal en vervolgens een voice-over van Lanzmann samenstelde, die is gebaseerd op zijn memoires en persoonlijke geschriften.

Een documentaire over het maken van een documentaire dus. En dat is in het geval van Shoah niet vreemd. Sterker: het is ook niet de eerste documentaire over het maken van de belangrijkste Holocaust-documentaire aller tijden. Claude Lanzmann: Spectres Of The Shoah (2015) van Adam Benzine richt zich op de betekenis van de film en de al even kolossale man daarachter, die daarover zelf ook uitgebreid aan het woord komt.

Deze nieuwe film, veertig jaar na de oorspronkelijke release van Shoah uitgebracht, richt zich nog nadrukkelijker op het maakproces van deze ‘race tegen de dood’ en volgt dit echt vanuit het perspectief van Lanzmann en zijn Duitse assistente Corinna Coulmas. ‘We konden niet filmen wat er was gebeurd’, vertelt hij erbij, omdat het bewijsmateriaal nu eenmaal grotendeels was vernietigd. ‘Daarom moesten we het opnieuw oproepen.’

Claude Lanzmann schuwt daarbij ogenschijnlijk geen enkel middel: hij zet Abraham Bomba, een Joodse man die vrouwen knipte voordat ze naar de gaskamers gingen, aan het werk in een kapperszaak. Voor Henryk Gawkowski, conducteur op de doodstreinen naar Treblinka, regelt hij een locomotief. En Lanzmann vraagt Simon Srebnik, één van de twee overlevenden van het vernietigingskamp Chelmno, om een oud Pools liedje te zingen.

En bij daders gaan de handschoenen echt uit: hij ritselt een vals paspoort, presenteert zich als historicus van een fictief onderzoeksinstituut en maakt gebruik van een verborgen camera, de zogeheten Paluche. Zo filmt hij bijvoorbeeld stiekem het interview met de nazi Franz Suchomel, terwijl die alleen heeft ingestemd met een geluidsopname. En als Suchomels vrouw het bedrog ontdekt, liegt Lanzmann dat het gedrukt staat.

Het doel heiligt voor hem duidelijk alle middelen. Tegelijkertijd is deze tocht naar de donkerste kamers van de hel de Franse intellectueel natuurlijk ook niet in de koude kleren gaan zitten. Ribot besluit zijn geslaagde film niet voor niets met een intieme scène, als Claude Lanzmann na een geladen gesprek met Yitzhak ‘Antek’ Zuckermann, één van de leiders van de opstand in het ghetto van Warschau, even steun zoekt bij hem.

Alleen samen zijn ze bestand tegen wat zich opnieuw, wéér, voor hun ogen ontrolt.

Shoah

Henryk Gawkowski / c: Claude Lanzmann / IFC Films

Blijmoedig glimlachend heeft hij Lanzmann tot dan toe te woord gestaan. Wat moet hij anders? Michaël Podchlebnik, één van de slechts twee overlevenden van Hitlers vernietigingskamp in het Poolse Chelmno, waar voor het eerst met gas werd gewerkt. Vierhonderdduizend anderen stierven er een wisse dood. Wat rest hem anders dan die peilloze ellende weglachen? Podchlebnik probeert te volharden in zijn lach. Moet hij soms huilen? En dan stelt Claude Lanzmann die ene vraag: hoe reageerde je toen je voor het eerst lijken moest inladen, nadat de deuren van de gaskamers werden geopend?

De vraag moet eerst worden vertaald naar het Hebreeuws. Het gezicht van Podchlebnik betrekt zienderogen: ‘Wat moest ik anders dan huilen?’ Het lid van het ’Sonderkommando’, gevangenen die anderen van en naar de gaskamers moesten begeleiden, probeert op zijn lip te bijten, maar de tranen laten zich niet meer beteugelen. ‘Op de derde dag vond ik mijn vrouw en kinderen.’ Hij kijkt bijna smekend naar de Franse filmmaker, alsof hij nog eenmaal om genade wil vragen. Die laat echter een stilte vallen. ‘Ik heb mijn vrouw begraven en daarna gevraagd of ik ook gedood kon worden. De Duitsers vonden me echter nog sterk genoeg om te werken.’

Het is Lanzmann ten voeten uit: hij dwingt zijn subjecten, met alle beschikbare middelen, om he-le-maal tot de bodem te gaan. Zoals in de klassiek geworden scène met Abraham Bomba, de kapper van concentratiekamp Treblinka. Het eindresultaat van al dat vragen en wroeten wordt beschouwd als het ultieme document over de Holocaust: Shoah (551 min.), een episch werk van ruim negen uur. In 1985 eindelijk opgeleverd, na twaalf jaar afschrikwekkend monnikenwerk. Tweehonderd uur beeldmateriaal, verzameld in veertien landen, vijf jaar lang gemonteerd. Een levenswerk over de dood – of hoe je die, vaak door puur geluk of anders door enorm doorzettingsvermogen, te slim af kunt zijn. En – vooral – hoe je een handlanger van diezelfde dood kunt worden.

Lanzmann stelt in dat kader vaak kleine, praktische vragen. Over zaken die door hun enormiteit nauwelijks zijn te bevatten. Om zo via herinnering uiteindelijk bij herbeleving te komen. Hij wil van de Poolse spoorwegwerker Henryk Gawkowski, machinist van de trein naar Treblinka, bijvoorbeeld weten of hij in de locomotief ooit geschreeuw hoorde vanuit de wagons. ‘Natuurlijk, ze schreeuwden om water.’ ‘Kun je daar ooit aan wennen’, vraagt Lanzmann door. Nee, antwoordt de machinist. Hij wist natuurlijk dat de mensen achter hem menselijk waren. Net als hijzelf. Gawkowski valt even stil. De Duitsers gaven hem Wodka te drinken, bekent hij. Zonder drank had hij het nooit kunnen doen. Zo wordt de uitvoering van die gruwelijke genocide klein en menselijk gemaakt.

Is Shoah, met zijn kolossale omvang en detaillistische insteek, nog altijd een probaat middel om jongeren te waarschuwen voor de verschrikkingen van extreemrechtse ideologieën? Dat valt te betwijfelen. Daarvoor is de film veel te lang van stof en wreekt zich de keuze om geen archiefmateriaal te gebruiken, maar de overlevenden, getuigen én functionarissen van het naziregime (soms gebruikmakend van een verborgen camera) in het hier en nu leeg te laten lopen over het toen en daar. Shoah is daardoor uiteindelijk meer een verzameling verpletterend bewijsmateriaal dan wat we tegenwoordig een meeslepende film zouden noemen. In die zin heeft Steven Spielbergs speelfilm Schindler’s List, met dat meisje in de roze jas tegen een verder volledig zwart-wit decor als een ultiem onschuldig symbool voor de Jodenvervolging, tegenwoordig waarschijnlijk meer overtuigingskracht.

Kijkers met een ‘ouderwetse’ aandachtsspanne kunnen echter volledig wegzinken in de tocht door de hel, waartoe Lanzmann zijn gesprekspartners (‘meedogenloos’, zegt hij zelf in de aan hem en zijn magnum opus gewijde documentaire Claude Lanzmann: Spectres of The Shoah) verleidt dan wel dwingt. Shoah veroorzaakt dan een soort secundaire herbeleving, waarbij je stapsgewijs afdaalt naar de diepste krochten van de menselijke ziel.

In 2025, veertig jaar na de release van Shoah, de Franse documentairemaker Guillaume Ribot het maakproces van deze klassieker in Je Navais Que Le Néant – Shoah Par Lanzmann.