Wu-Tang Clan: Of Mics And Men

Don’t grow old gracefully’, voegde Pete Townshend The Rolling Stones ooit toe bij hun introductie in The Rock And Roll Hall Of Fame. ‘It wouldn’t suit you.’ En als dat voor één hedendaagse act ook zou moeten gelden, dan is het voor The Wu-Tang Clan. En zie daar: 25 jaar na dato opereren de New Yorkse hiphoppers nog altijd als een hechte eenheid, die tegelijkertijd elk moment kan ontsporen.

Individueel zouden deze jongens uit een achterbuurt in Staten Island, die vrijwel allemaal opgroeiden in een vaderloos gezin en daarna in de welig tierende drugswereld belandden, stuk voor stuk uitgroeien tot absolute wereldsterren: RZA, Method Man, Ghostface Killah, GZA, Masta Killa, Raekwon, Cappadonna, Inspectah Deck, U-Love en de onverbeterlijke brokkenpiloot Ol’ Dirty Bastard (die in 2004 overleed aan een fatale combinatie van cocaïne en pijnstillers). En dat zette, natuurlijk, druk op het collectief. In de vierdelige documentaireserie Wu-Tang Clan: Of Mics And Men (232 min.) van Sacha Jenkins wordt dat niet onder het tapijt geveegd. Geld en onderlinge wedijver hebben heel veel verpest.

Een pijnlijk voorbeeld daarvan is de relatie van Wu-Tangs onbetwiste spil Robert ‘RZA’ Diggs met zijn oudere broer Mitchell ‘Divine’ Diggs, die jarenlang de zakelijke belangen van de groep behartigde. Divine moest met lede ogen aanzien hoe er in Wu-Tang Clan-verband enorme sommen geld werden verkwist en kon/kan al helemaal niet begrijpen dat zijn broer anderen ruimte gaf om elders een solocarrière op te starten (en zo het bedrijf tientallen miljoenen lichter maakte). Voor RZA is het echter nog altijd simpel: een ‘brother’, zo niet zijn eigen broer, is belangrijker dan de knaken. Divine, die sindsdien duidelijk goed heeft geboerd, blijkt nog altijd niet on speaking terms met de rest van de groep, maar doet wel degelijk zijn zegje in de serie.

En ook sommige anderen hebben nog een rekening te vereffenen met elkaar. Neem dat gerust letterlijk. Treffend zijn bijvoorbeeld de verwikkelingen rond het album Once Upon Time In Shaolin (2015), waaraan de Tilburgse (!) reserve-Wu-Tanger Cilvaringz en diens beschermheer RZA zes jaar lang in stilte, stiekem dus, werkten. Diverse clanleden hadden naderhand het gevoel dat ze erin waren geluisd. Toen ze op verzoek een stukje inrapten, was er helemaal geen sprake van een officiële Wu-Tang Clan-langspeler, waarvan bovendien maar één (lees: 1) exemplaar op de markt zou worden gebracht. Toen het ding op een veiling voor twee miljoen dollar werd gekocht door ‘de meest gehate man van Amerika’, waren de rapen gaar.

Dergelijke strubbelingen geven de met veel interviews, archiefmateriaal en muziek opgetekende bandhistorie kleur, maar eigenlijk is de menselijke noot, als de hiphop-pet zogezegd even wordt afgezet, nog veel interessanter. Als Masta Killa en zijn vader bijvoorbeeld vertellen dat ze familie zijn van Marvin Gaye. Of als Method Man en U-God tijdens hun bezoek aan een voormalig bijbaantje, in het restaurant bij het Amerikaanse vrijheidsbeeld, weer even de tieners Clifford Smith en Lamont Hawkins worden. ‘Ik droom soms dat ik hier nog werk’, zegt Clifford (alias Method Man) tegen ‘meneer Hill, zijn voormalige leidinggevende. ‘Dit was echt de beste baan die ik ooit heb gehad.’ Waarna hij een veger en blik vraagt en nog eenmaal het restaurant rondgaat.

Al met al zijn de wildebrassen, getuige dit bijzonder aardige groeps- en zelfportret, toch nog behoorlijk gracieus opgegroeid. Als artiest, als lid van de Wu-Tang-familie én als vader van hun eigen kinderen. En die zogenaamde ‘volwassenheid’ staat ze niet eens slecht.

The Legend Of Cocaine Island

Netflix

‘Ken je het verschil tussen een sprookje uit het Noorden van het land en een sprookje hier uit het zuiden?’ vraagt Russell, een goedlachse bewoner van het dorpje Archer in de Amerikaanse staat Florida, bij aanvang van deze kostelijke documentaire. ‘Een noordelijk sprookje begint met: Once upon a time. En een zuidelijk sprookje met: Y’all ain’t gonna believe this shit!’

Voordat Russell daadwerkelijk aan zijn verhaal begint, heeft Theo Love, de maker van The Legend Of Cocaine Island (97 min.), echter nog een disclaimer: ‘We can’t confirm many details of this story.’ Tis maar dat u ’t weet. Waarna Russell nog eens goed op zijn praatstoel gaat zitten en begint te vertellen over zijn buurman Julian: ‘Zijn vrouw runde een schildpaddencentrum in Culebra. Julian liep op het strand op zoek naar schildpadnesten en zo begon het verhaal.’

In de zee bij Puerto Rico heeft de hippie Julian vijftien jaar eerder een tas gevonden, die maar liefst 32 kilo cocaïne bevat. ‘Dus iemand was een hoop geld kwijt.’ Julian weet volgens Russell niet wat hij ermee moet doen. ‘Uiteindelijk zei hij: verrek! Hij begroef het. En daar lag het voor meer dan tien, vijftien jaar.’ Totdat het verhaal dat al tijden rondgaat in Julians nieuwe woonplaats Archer een plaatselijke aannemer bereikt, ene Rodney Hyden.

En die lijkt zo te zijn weggelopen – als ik niet zoveel respect had voor de medemens, zou ik zeggen: weggewaggeld – uit een doldwaze film van Quentin Tarantino of Guy Ritchie. Over kleine kruimelaars die het grote geld ruiken en maar al te graag die verborgen schat willen gaan opgraven – al zijn ze in eerste instantie wel de schop vergeten. Dat klinkt als een karikaturale avonturenfilm en dat is het ook. Een true crime-comedy, met vette humor, kekke muziekjes en kolderieke verhaalwendingen.

En, natuurlijk, talloze larger than life-personages: de nét iets te goedgelovige antiheld Rodney, diens verwende vrouw Jamie, hun schalkse dochter Emily, de plaatselijke ‘stoner kid’ Andy die wel een extra zakcentje kan gebruiken, een kleine naamloze dealer die zich verschuilt achter zijn sjaal met een skelet erop én Carlos, de authentieke Latijns-Amerikaanse drugscrimineel die zo lijkt te zijn weggelopen uit Scarface. Voor een grijpstuiver zijn ze voor zowat alles te porren.

The Legend Of Cocaine Island is zo’n beetje de antithese van de gemiddelde documentaire, waarin een zwaarwegende maatschappelijke kwestie tot achter de komma wordt uitgediept. In deze baldadige film verbindt Theo – zou ’t een artiestennaam zijn? – Love op onnavolgbare wijze humor en elementen uit documentaire en speelfilm met elkaar. Het eindresultaat, waarin de hoofdpersonen met zichtbaar plezier hun eigen lotgevallen naspelen, fladdert vrolijk op en neer tussen waarheid, herinnering en broodje aap en hapt verdacht lekker weg.