Overcoming

Netflix

Hoe je een documentaire in de montage totaal kunt verknallen…

Je hebt een fascinerend hoofdpersonage: Bjarne Riis, ploegleider van de wielerploeg CSC en zelf oud-winnaar van de Tour de France. En altijd geassocieerd met doping, dat ook.

Sterke bijrollen: Riis’ toprenners Ivan Basso (een potentiële winnaar), Carlos Sastre (diens interne concurrent en bovendien aanstaand vader) en Kurt-Asle Arvesen (een knecht die betrokken is bij de ene na de andere valpartij).

Een ‘man you love to hate’ als superieure tegenstander: veelvuldig Tour-winnaar Lance Armstrong, die dan nog niet is ontmaskerd als Mr. Doping.

Alle mogelijke uitdagingen: blessures, familietrubbels en – natuurlijk – bergtoppen.

En, vanzelfsprekend, een onweerstaanbaar strijdtoneel: de Ronde van Frankrijk van 2004.

Na drie weken absolute topsport, met alle bijbehorende pieken en dalen, kom je – filmmaker Tómas Gislason uit Denemarken – met ronduit prachtig materiaal thuis en sla je helemaal op hol in de editruimte:

Stevig split screen-gebruik.

Zomaar zwartwit.

Dramatische slow-motion.

Onnavolgbare flashbacks.

Potsierlijke teksten in beeld.

Overdadige kleurcorrectie.

Toevallige timelapse-sequenties.

Opdringerige soundtrack.

Flashy flash forwards.

Overdramatische herhalingen.

Oh ja, dat hadden we ook nog: green screen.

Kortom: een onvervalste ADHD-montage. Waarmee in Overcoming (108 min.) al het afzien, de heroïek, dat gekonkel, de stress en het alomtegenwoordige drama van de ultieme wielerwedstrijd vakkundig de nek om wordt gedraaid.

Lance

ESPN

Kampioen. Winnaar. Leider. Macho. Controlfreak. Wielrenner. Tijdrijder. Dopingzondaar. Valsspeler. Poseur. Leugenaar. Bullebak. Agressor. Psychopaat. Ofwel: Lance (203 min.). En, o ja: kankeroverlever. Beroemdheid. Miljonair. Filantroop.

Wat valt er na talloze interviews, reportages en de documentaires The Armstrong Lie en Stop At Nothing: The Lance Armstrong Story nog te vertellen over de man die zevenmaal de Tour de France won en daarna met donderend geraas van zijn voetstuk donderde, toen de al jarenlang circulerende geruchten over excessief dopinggebruik gewoon helemaal waar bleken te zijn? In hoeverre biedt dit tweeluik Armstrong (opnieuw) een kans om zijn straatje schoon te vegen?

Filmmaakster Marina Zenovich kijkt met zijn moeder Linda, die hem al op zeventienjarige leeftijd op de wereld zette, en stiefvader Terry Armstrong in elk geval serieus naar zijn jeugd. ‘Zonder mij zou Lance nooit de kampioen zijn geweest die hij nu is’, zegt die laatste schuldbewust. ‘Want ik jaagde hem op als een dier.’ Achteraf bezien had stiefpapa hem behalve de zweep ook wat vaker liefde moeten geven, constateert hij. En Lance’s biologische vader was sowieso nooit in beeld. Met de nodige wijsheid van nu is het eenvoudig om te constateren: ideale basis om een Lance Armstrong te worden.

Het navolgende verhaal van de opkomst en ondergang van de bijbehorende wielerkampioen wordt met behulp van het gebruikelijke peloton van ploeggenoten (George Hincapie, Tyler Hamilton en Bobby Julich), begeleiders (zijn ploegleider Johan Bruyneel, managers, advocaten en soigneur), medewerkers van Armstrongs stichting Livestrong, allerhande deskundigen (oud-renners, medewerkers van het anti-dopingagentschap, UCI-officials en journalisten, onder wie Armstrongs nemesis David Walsh) én de renner die Armstrongs dopinggebruik aan de grote klok zou hangen (Floyd Landis) nog eens van binnenuit opgetekend. 

Met Lance zelf opnieuw als de ideale held/schurk (die zich steeds moeiteloos langs Zenovich’s vragen wurmt, lacht of verontschuldigt), een fijne collectie archiefmateriaal en nét iets te geacteerde fly on the wall-scènes in huiselijke kring. Waarbij doping natuurlijk een steeds terugkerend thema is: als middel waarmee hij zijn ongebreidelde ambitie kon waarmaken, een way of life’ bijna. Als mogelijke oorzaak voor de teelbalkanker die hij zou krijgen. En als permanente schaduw over zijn imposante prijzenkast. 

Het blijft een grootse en fascinerende vertelling over een authentieke ‘man you love to hate’. Rest wel de vraag wat het over hem zegt dat hij opnieuw meewerkt aan een documentaire over zijn getroebleerde leven en carrière – een ander zou wellicht voor de rest van zijn leven onder een steen zijn gekropen – en welk belang hij daarbij heeft. Het lijkt er in elk geval sterk op dat hij nog steeds niets anders kan of wil zijn dan ‘Lance Armstrong’, ook al is dat dan een gebutste en íets nederige versie van de vroegere mannetjesputter.

Zonder die ene bijzonder hardnekkige eigenschap om alles naar zijn hand te zetten, in combinatie met de strenge dopingregels en bijbehorende maatschappelijke verontwaardiging, zou hij nu nog altijd vereerd worden als een icoon van zijn sport. Net als die andere ongelofelijke streber, de basketballer Michael Jordan, die dit jaar mocht excelleren in de geweldige docuserie The Last Dance. Lance’s reputatie is en blijft echter bezoedeld. Het kon véél erger, vindt Armstrong zelf in deze toch wel weer intrigerende karakterstudie. ‘Ik had ook Floyd Landis kunnen zijn’, zegt hij, ouderwets fel en vilein. ‘Elke ochtend wakker worden als een enorme zak stront.’

9.79

9.79*, (aka 9.79), British poster art, Dennis Mitchell, Desai Williams, Ben Johnson, Calvin Smith, Linford Christie, Carl Lewis, Ray Stewart, Robson da Silva, 2012. ©ESPN Films

Één enkel shot vertelt het verhaal van deze film. Over nog geen tien seconden uit het leven van acht topatleten. De deelnemers aan de finale van de honderd meter. Op de Olympische Spelen van Seoul in 1988. De winst ging nu eens niet naar Carl Lewis. De Amerikaanse wonderboy die het sprintonderdeel jarenlang had gedomineerd. Maar naar zijn grote rivaal. De Canadese krachtpatser Ben Johnson. In een onmogelijk geachte tijd. Een nieuw wereldrecord: 9.79 (84 min.). Dat natuurlijk niet kon blijven staan.

Waarom zou ik me helemaal kapot trainen? Vroeg Johnson zich enkele jaren eerder af. Als mijn concurrenten stimulerende middelen gebruiken. Een arts met steroïden lonkte. Hij werd vervolgens zienderogen sterker. Sprintte letterlijk weg bij de concurrentie. Zelfs Lewis kwam in zicht. De all american hero. Winnaar van maar liefst vier gouden medailles. Op de Olympische Spelen van 1984. In de enige echte stad van onbegrensde dromen, Los Angeles.

Lewis’ tandpastasmile begon te betrekken. Toen hij regelmatig Johnsons hielen kreeg te zien. De ‘sportman van de twintigste eeuw’ bleek een slechte verliezer. Die Johnson moest wel een valse start hebben gemaakt. Anders had hij natuurlijk zelf gewonnen. Ze werden aartsrivalen. Kracht versus souplesse. Ongepolijst tegenover aalglad. Man van weinig woorden jegens held met een boodschap. Het werd allemaal een kwestie van beeldvorming: de valsspeler die de gedroomde kampioen zijn titel ontfutselde.

Alle deelnemers aan de legendarische race. Doen hun verhaal in deze film uit 2012. Stuk voor stuk zijn ze ooit in verband gebracht met dopinggebruik. De meesten ontkennen natuurlijk halsstarrig. Dopingexperts denken er nog steeds het hunne van. Intussen loopt de concurrentiestrijd helemaal uit de hand. Johnson en Lewis staan lijnrecht tegenover elkaar. In zo ongeveer alles. Filmmaker Daniel Gordon bouwt daar een enerverende film omheen. Één van de beste sportdocu’s aller tijden. Waarbij één vraag onbeantwoord blijft. Is er, behalve doping, ook een ander vuil spel gespeeld?

Is Ben Johnson terecht met pek en veren overgoten? Ten faveure van Gouden medaille-winnaar Carl Lewis. Van ‘the dirtiest race in history‘. Halverwege de film is er al een soort antwoord geformuleerd. Met één enkel shot van de Olympisch kampioen. De Amerikaanse wonderboy lacht zijn tanden bloot. Een indrukwekkende rij. In een mond die, zonder een woord te zeggen, alles vertelt.

Stop At Nothing: The Lance Armstrong Story

Je zou hem de ultieme winnaar kunnen noemen. Ten koste van alles en iedereen, ongeacht de middelen. De ideale posterboy voor het winner-takes-all wereldbeeld – en in het verlengde daarvan: het onversneden roofdier-kapitalisme. En toen haalde het verleden Lance Armstrong, zevenvoudig winnaar van de Tour de France, alsnog met duizelingwekkende snelheid in. De ultieme Gele Truidrager werd de risee van zijn sport.

De ontluisterende documentaire Stop At Nothing: The Lance Armstrong Story (100 min.) uit 2014 gaat terug naar het moment waarop de opkomst – en navolgende neergang – van de Amerikaanse wielercrack gestalte krijgt: zijn noodlottige ontmoeting met dopingdokter Michele Ferrari. Armstrong werd zijn ideale pupil. Of, zoals David Walsh, de Ierse journalist die hem jarenlang op het spoor was en daarvoor, niet alleen door Armstrong zelf, met pek en veren werd overgoten, het formuleert: ‘Als jij je werk als Frankenstein doet, word ik het beste monster dat je ooit hebt geschapen.’

Filmmaker Alex Holmes ontleedt de veelvraat van het moderne wielrennen, die bereid was om werkelijk alles te vreten (of slikken of injecteren of transfuseren of…) om te kunnen winnen, met zijn voormalige secondant Frankie Andreu en diens vrouw Betsy, oud-ploeggenoot en klokkenluider Tyler Hamilton, z’n voormalige masseuse Emma O’Reilly die eveneens een boekje open deed over Armstong en die andere Amerikaanse wielergrootheid Greg Lemond, met wie hij een uiterst moeizame relatie onderhoudt. Samen met enkele journalisten, een strijdbare advocaat en het hoofd van de Amerikaanse anti-dopinginstantie belichten zij de strijd om de waarheid boven tafel te krijgen.

De all American hero, moedige kankeroverwinnaar en naamgever van zijn eigen goede doel-stichting laat zelf verstek gaan in deze film, waarin hij wordt geportretteerd als een aartsleugenaar en gewetenloze psychopaat die geen middel onbenut laat om zijn grote geheim te beschermen. De hoofdpersoon komt wel veelvuldig aan het woord in archiefmateriaal, waarin hij talloze statements doet die naderhand stuk voor stuk zijn ontkracht. Ook, uiteindelijk, door hemzelf: in een zogenaamd ‘tell all‘- interview met Oprah Winfrey. Met zijn gedrag heeft hij zijn sport dan al op systematische wijze besmeurd.

Er is nóg een andere Armstrong-documentaire over min of meer hetzelfde thema: The Armstrong Lie van regisseur Alex Gibney uit 2013. Vier jaar eerder had hij de Amerikaanse beroepswinnaar gevolgd tijdens zijn terugkeer in de Tour de France. Die film werd echter ingehaald door de feiten. Toen het dopingschandaal zijn opnamen irrelevant had gemaakt, ging Gibney verhaal halen. Bij mensen uit Armstrongs entourage en bij Lance zelf.

Icarus

Netflix

Terwijl Icarus begint als een dopingvariant op Supersize Me, de film waarvoor Morgan Spurlock een maandlang alleen bij McDonald’s at, begint de veelbesproken Netflix-documentaire gaandeweg steeds meer te lijken op Citizenfour, de Oscar-winnende film over klokkenluider Edward Snowden.

Regisseur Bryan Fogel, tevens een verdienstelijk amateurwielrenner, wil een experiment aangaan. Om zijn prestaties bij de zogenaamde Haute Tour, een soort miniatuurversie van de Ronde van Frankrijk, op te krikken, besluit hij zich te onderwerpen aan een serieus dopingprogramma.

In dat kader komt hij in contact met Grigory Rodchenkov, de directeur van het Russische antidopinglaboratorium en tevens, zo blijkt al snel, de architect van het groots opgezette en uiterst geheime dopingprogramma van zijn land.

Die ontmoeting brengt in Icarus (121 min.) een fascinerende maalstroom van gebeurtenissen op gang, waardoor Rodchenkov zijn eigen positie grondig moet herbezien en besluit om Fogel, letterlijk met gevaar voor eigen leven, door de krochten van Poetins Rusland te leiden.