‘Van binnen voel ik me heel anders dan ik er van buiten uitzie’, zegt Dinja Pannebakker. De jonge vrouw is zo Nederlands als maar kan. Ze komt alleen wel uit Sri Lanka. Als baby werd Dinja geadopteerd door een Nederlands stel. En volgens lotgenoten zou ze nu echt eens op zoek moeten gaan naar haar roots. Zelf heeft ze daar echter geen enkele behoefte aan.
Vandaar de hartekreet: Ik Kóm Niet Uit Sri Lanka (42 min.). De hoofdpersoon vertelt zelf haar verhaal in deze aardige webdocu in vier delen van Lisa Grooters en Reinout Lanting, die nu als één geheel op televisie wordt uitgezonden. Dinja gaat daarin onderzoeken waarom ze helemaal niets voelt als ze een foto van haar biologische moeder ziet. Bij een bezoek aan haar geboorteland wilde ze zelfs maar één ding: weg.
Dinja gaat in gesprek met haar ouders, vriendinnen en collega’s bij de radiozender FunX en spreekt, soms met de nodige tegenzin, af met lotgenoten. De documentaire wordt daardoor wel wat praterig. Gaandeweg wordt haar bovendien iets helder wat de oplettende kijker allang duidelijk is: hoezeer je ook je best doet, je wortels verloochen je echt niet zomaar.
Haar vorige film over geadopteerde Ethiopische kinderen veroorzaakte in eigen land heel wat commotie. In Mercy Mercy (2012) maakte de Deense filmmaakster Katrine Rijs Kjær inzichtelijk hoe een adoptie helemaal fout kan lopen. Met alleen maar slachtoffers: Masho’s biologische ouders in Afrika, haar Scandinavische adoptie-ouders en het verweesde meisje zelf, dat uiteindelijk verstrikt raakte in de jeugdhulpverlening. Ook Kjær zelf kwam onder vuur te liggen: had ze niet moeten ingrijpen?
Enkele jaren later is er nu een soort vervolg, Girl In Return (55 min.). Ander meisje, hetzelfde liedje: het botert niet met de adoptie-ouders, tegen alle afspraken in is het contact met de biologische ouders rigoureus verbroken en ook dit kind dreigt een speelbal te worden van hulpverleners en de bijbehorende instanties. Ze is alleen wat ouder en al flink aan het puberen. Het adoptiekind in kwestie heet Amy Rebecca Steen. Althans, dat is de naam die ze van haar adoptiegezin heeft gekregen. Eigenlijk heet ze Tigist Anteneh. En ze zit gevangen tussen haar biologische, adoptie- en pleegouders.
Haar verhaal is ronduit treurig stemmend: op tienjarige leeftijd samen met haar zusje overgekomen naar Denemarken, slechts twee jaar later alweer uit huis geplaatst, in een pleeggezin terecht gekomen en daar weer weggehaald. Inmiddels is ze terug bij pleegmoeder Hanne, met wie ze een warme band lijkt te hebben, maar haar adoptieouders die de officiële voogdij hebben liggen dwars. Snapt u het nog? En zou het meisje zelf, dat terugverlangt naar Ethiopië en haar biologische moeder en zus, het dan kúnnen begrijpen? Intussen zit haar jongere zusje Buzayo nog gewoon in het adoptiegezin (en niet in deze film).
Kjær volgt Amy/Tigist van haar veertiende tot haar achttiende en filmt ook haar biologische familie in Addis Abeba, die (aan) haar blijft trekken. Waar ze in Mercy Mercy nog een rol als alwetende verteller claimde, blijft de documentairemaakster in deze wederom zeer schrijnende film geheel buiten beeld. Ze stelt alleen zo nu en dan een vraag aan het verweesde meisje, dat zich inmiddels afvraagt of de adoptie kan worden teruggedraaid. Van de Deense autoriteiten mag ze echter niet naar Ethiopië reizen om de band met haar familie te herstellen. Het is een hopeloos stemmende patstelling. Wie voelt zich geroepen, of genoodzaakt, om die te doorbreken?
Ze had zichzelf wijsgemaakt dat ze een dochter was van koningin Juliana en voor haar eigen veiligheid naar de Verenigde Staten was gebracht. Anderen kenden Anneke Kohnke tijdens de Tweede Wereldoorlog simpelweg als ‘de baby’, een Joods meisje dat na de deportatie van haar ouders opgroeide in een Nederlands pleeggezin.
Fred Blacquière, haar pleegbroertje in die woelige jaren, heeft zijn moeder enkele jaren geleden op haar sterfbed beloofd dat hij op zoek zal gaan naar Anneke, die ze aan het eind van de oorlog uit het oog zijn verloren. Dat is het startpunt van deze prachtige documentaire van Deborah van Dam, de ultieme film over Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog.
De Baby (85 min.) is bepaald geen sjabloonachtige WOII-documentaire, waarin enkele onverschrokken verzetshelden op het schild worden gehesen of juist een tragische Joodse familiegeschiedenis uiteen wordt gezet, zoals de Publieke Omroep elk jaar rond Dodenherdenking en Bevrijdingsdag nog wel eens wil uitzenden. Dit verhaal gaat veel dieper en is nóg confronterender.
De inmiddels in New York woonachtige Anneke, die haar jeugd in de jaren na de oorlog zo ver mogelijk heeft weggedrukt, wordt vanuit Nederland bijna gedwongen om de confrontatie aan te gaan met haar tragische verleden, waarin niets zwart of wit blijkt, om uiteindelijk uit te komen bij het ongemakkelijke heden, dat ook nog vele tinten grijs laat zien.
Het is een schrijnend, bijzonder slim opgebouwd verhaal waarin de kijker, met Anneke, van de ene in de andere verbazing valt. Zo herkent ze zichzelf bijvoorbeeld als baby op een foto met hét symbool van de Jodenvervolging in Nederland, Anne Frank. Ze dacht altijd dat ze dat beeld zelf had verzonnen. Glimlachend: ‘Dus misschien was ik ook wel echt een kind van de koningin.’
Een heel enkele keer veroorzaakt een documentaire een storm van verontwaardiging, die maar nauwelijks wil gaan liggen. De IDFA-favoriet Mercy Mercy (56 min.), donderdag opnieuw te zien op NPO2, zorgt in 2012 voor parlementaire enquêtes en kamervragen. Hoe kan dit zomaar gebeuren en waarom grijpt niemand in?
Dat verwijt wordt ook filmmaakster Katrine Rijs Kjær gemaakt. Gedurende vijf jaar volgt zij de lotgevallen van het Ethiopische meisje Masho en haar broertje Roba, die in 2008 op vier- en tweejarige leeftijd worden geadopteerd door een Deens stel. Wat een succesverhaal had moeten worden – kinderen vinden nieuw thuis in liefdevol gezin – mondt uit in een nachtmerrie.
Henriette en Gert probeerden al jaren kinderen te krijgen, maar als het eenmaal zover is blijken ze er niet voor in de wieg gelegd. De adoptieouders kunnen de soms wat obstinate Masho, die hechtingsproblematiek zou hebben, nauwelijks de baas en nemen uiteindelijk een dramatische beslissing. Kjær legt dat hele proces van héél dichtbij vast, zónder tussenbeide te komen.
Intussen snakken de biologische ouders van Masho en Roba, die met AIDS besmet zijn geraakt en waarschijnlijk niet lang meer hebben te leven, in Ethiopië tevergeefs naar contact met hun kinderen. Dat is hen immers meerdere malen beloofd door het bemiddelende adoptiebureau. Ze horen echter niets meer van hen. Hun wanhoop gaat door merg en been.
Mercy Mercy belicht de schaduwzijde van de adoptie van (Afrikaanse) kinderen, zorgt voor een nauwelijks weg te slikken brok in de keel en werpt tevens vragen op over de rol van een documentairemaker: is die film (en wat je daarmee eventueel zou kunnen bereiken) werkelijk zo belangrijk dat menselijke waarden ervoor aan de kant gaan? Of prevaleert uiteindelijk toch de directe verantwoordelijkheid die je hebt als je wordt geconfronteerd met lijden dat je zou kunnen voorkomen of verminderen?