Can You Feel It – How Dance Music Conquered The World

Clockwork Orange, Camden, London, 1995 / Clubbers Some thin-Else

Eerst is er de beat. Daarna volgen de clubs. En die geven deejays een platform om supersterren te worden. Dat is dan ook meteen de opzet van Can You Feel It – How Dance Music Conquered The World (178 min.)  een driedelige serie van Nico Wasserman en James Giles waarin verteller Rosalind Eleazar voorgaat door de historie van dancemuziek.

En die begint, in elk geval in deze versie van de gebeurtenissen, bij de Amerikaanse drummer Earl Young die in 1973 een discobeat introduceert in de single The Love I Lost van Harold Melvin & The Blue Notes. Zijn groove slaat aan en zorgt voor een nieuwe, uiterst dansbare muziekstroming die volgens menige oude rocker gigantisch ‘sucks’. Disco dus. Niet veel later zijn begrippen als ‘four to the floor’, remix en 12 inch (of maxi-single) volledig ingeburgerd. In Chicago ontstaat in de jaren tachtig vervolgens een eerste versie van housemuziek, terwijl Detroit zich min of meer tegelijkertijd opwerpt als onvervalste technostad. Deze nieuwe dansmuziek heeft alleen een gigantische U-bocht via Groot-Brittannië nodig, om echt de oversteek naar het grote publiek te maken.

Daarmee legt deze serie, met de muzikale pioniers die ertoe deden en doen, een gedegen fundament voor het volgende hoofdstuk. Over de plekken waar die nieuwe muziek en de bijbehorende cultuur een thuis zullen vinden: clubs en festivals. Ook daarvoor grijpen Wasserman en Giles een halve eeuw terug. Naar de feesten die deejay Dave Mancuso aan het begin van de seventies in New York begint te organiseren onder de noemer The Loft. Van daaruit is het dan weer een logische stap naar Studio 54, waar iedereen die gezien wil worden zich op de dansvloer meldt. Waarna Eleazar natuurlijk aanbeland in de raves van Manchesters Hacienda, uitgebreid verpoost op het ultieme pleziereiland Ibiza en uiteindelijk strandt in Las Vegas. Want daar eindigt uiteindelijk alles en iedereen.

Intussen valt bij herhaling de term ‘hedonisme’. Die vlag dekt blijkbaar de lading. Ook als dit straffe drieluik, waaraan allerlei kopstukken en insiders hun medewerking hebben verleend, aanbelandt bij de supersterren: deejays zoals Paul Oakenfold, Norman ‘Fatboy Slim’ Cook, Paul van Dyk, David Guetta en Steve Aoki die een mensenmenigte naar hun pijpen kunnen laten dansen met trance, EDM of dance-muziek voor mensen die daar eigenlijk niet van houden. De Nederlander Tijs Verwest, alias Tiësto, is in 2003 de eerste deejay die een stadionconcert geeft. Dat succes levert niet alleen geluk op, vertelt hij. De Bredanaar voelt zich regelmatig eenzaam en gedeprimeerd en merkt dat een automatische piloot zijn ooit zo geïnspireerde draaiwerk dreigt over te nemen.

Tiësto zal zichzelf helemaal hervinden en op zijn eigen voorwaarden onderdeel blijven van een wereld die steeds bigger business wordt – en daardoor zo nu en dan weer op zoek moet naar zijn ziel: de beat. En die gaat, in goed Nederland, on and on and on.

Veearts Maaike

KRO-NCRV

’t Is goed, meisje’, zegt de Groningse boer Evert Smink tegen zijn koe, terwijl hij haar liefdevol op de hals klopt. ‘Bedankt voor de melk die je hebt gegeven, hoor.’ Intussen dient Veearts Maaike (97 min.) het dier een fatale injectie toe.

De koe heeft onlangs onverwacht gekalfd en ligt sindsdien al dagen lusteloos op de grond. ‘Het komt niet meer goed’, heeft Maaike van den Berg even daarvoor geconstateerd. Evert wist het al, zegt hij. ‘Alleen zelf ben ik er nog niet helemaal aan toe.’ En nu moet de boer dus afscheid van zijn melkkoe. ‘Dank je wel. Je mag wel gaan’, fluistert hij haar liefdevol toe en aait haar nek. ‘Ga maar, meisje.’

De ontroerende scène is exemplarisch voor deze aardse docu van Jan Musch en Tijs Tinbergen, die eerder films als Mees TV en Rotvos maakten: een jonge, stoere en ambitieuze vrouw van de wereld staat zij aan zij met een man die helemaal is gevormd door het Groningse platteland, op een moment dat het ertoe doet.

In een andere, zeer expliciete scène probeert Maaike bijvoorbeeld een kalf ter wereld te brengen. Als dat niet op de reguliere manier kan, moet er een keizersnede aan te pas komen. Terwijl de veearts begint aan haar incisie, wendt boer Roelf Bus het gezicht even af. Het is een tafereel van vertrouwen en vertrouwdheid tussen boer en arts, intimiteit wellicht, die natuurlijk nooit wordt uitgesproken.

Leven en dood liggen dicht bij elkaar in de Nederlandse melkveehouderij. Als het gaat om de dieren, maar ook bij de bedrijven zelf. Sommige boeren bouwen een nieuwe stal en geven zichzelf daarmee opnieuw een toekomst. Bij andere families ontbreekt een opvolger en wacht een voortijdig einde – en waarschijnlijk het slachthuis voor de betrokken dieren.

Via de veearts wordt, met grootse droneshots en veel gevoel voor symmetrie, zo tevens haar directe werkveld in beeld gebracht: een boerengemeenschap uit de omgeving van Loppersum, die zich regelmatig de speelbal van Haagse en Brusselse regelgeving voelt. Maaike pendelt letterlijk op en neer tussen die twee werelden en voelt zich uiteindelijk gedwongen om te kiezen.

Ligt haar toekomst in de dagelijkse praktijk, rijdend van veehouderij naar veehouderij? Of moet ze het zoeken op een hoger niveau, als woordvoerder of vertegenwoordiger van dierenartsen? Zodat ze zich kan laten gelden over actuele thema’s als het gebruik van antibiotica, melkquota en fosfaatrechten.

Die tweestrijd brengen Musch en Tinbergen treffend in beeld in deze typische plattelandsfilm: de veearts die met beide poten in de klei staat – en menig uur achter het stuur doorbrengt, op weg naar alweer een boer – tegenover de eloquente vertegenwoordigster, die zich in haar werkveld wil manifesteren en metavragen stelt als: ‘hoe willen we in Nederland dieren houden?’ en ‘hoe willen we vlees eten?’.