Im Keller

Ulrich Seidl

In de kelder, waar een normaal mens zakken rijst, frisdrank en blikken soep stalt, kun je ook héél rustig gaan zitten toekijken hoe jouw enorme slang een muis besluipt en opvreet, de wildste sadomasochistische fantasieën uitleven en allerlei opgezette dieren bewaren (die je natuurlijk stuk voor stuk – met één schot, dat spreekt vanzelf – hebt geschoten). Om maar enkele voorbeelden te geven uit Im Keller (85 min.), een bijzonder unheimische film uit 2014 van de Oostenrijkse filmer Ulrich Seidl.

Hij presenteert personages die je het liefst meteen zou vergeten. Dat wil alleen niet lukken. Een volwassen vrouw die uitgebreid haar levensechte babypoppen vertroetelt en ze daarna terug stopt in hun bananendoos. De voluptueuze prostituee, die via haar vak veel ‘lustige Typen’ ontmoet, en haar klant, die er trots op is dat hij zo uitbundig kan ejaculeren. Een hoornblazer die lekker met z’n muzikale kameraden zit te pimpelen in zijn kamertje met nazi-parafernalia. En de dominante vrouw en haar slaaf, die poedelnaakt en met gewichten aan zijn geslachtsdeel het huishouden doet. En goed ook. Daarna volgt de kelder, waar het pas echt menens wordt.

Elders worden prachtige gesprekken gevoerd. Bij de ondergrondse schietbaan bijvoorbeeld. Over ‘oriëntaalse logica’. ‘Die kunnen niet logisch denken’ meent een man met een baard. ‘Hoe kan het dan dat sommige van hen zijn opgeleid tot ingenieur?’ werpt een ander tegen. ‘Als er op honderdduizend idioten één slimmerik is, dan maakt ze dat nog niet allemaal slim’, stelt een derde even later. Precies, meent de man met baard: ‘Dat is nou een generalisatie.’ Het duurt niet lang of het gesprek gaat over Turken die hún vrouwen willen neuken, boerka’s en de achtergestelde cultuur van moslims in het algemeen. Waarna ze weer lekker gaan schieten.

Seidls camera beweegt nauwelijks. Hij zet zijn hoofdpersonen bovendien midden in hun eigen decor en laat ze vervolgens wezenloos en ongemakkelijk lang in de lens staren. Zet de filmmaker zijn subjecten te kijk? Heeft hij dingen geënsceneerd? Of laat hij de nare werkelijkheid zien zoals die nu eenmaal is? En legt hij zo de (bedorven) ziel van zijn land bloot? Zeg het maar. Im Keller oogt in elk geval als een ongenadige freakshow, regelmatig te gênant om aan te zien, die slechts een enkele keer wordt onderbroken door redelijk normale mensen met een modeltreinbaan of drumstel. De kelder als wanstaltige representatie van Oostenrijks onderbuik. Alleen Josef Fritzl ontbreekt, de man die zijn dochter 24 jaar lang opgesloten hield en van zijn kelder een voorgeborchte van de hel had gemaakt.

Safari

Het moet de angstdroom zijn van iedere cinefiel: te moeten leven in een wereld die louter wordt bevolkt door Ulrich Seidl-personages. Het kost weinig moeite om je daarbij een voorstelling te maken. Onuitwisbare beelden uit zijn vele films schieten voorbij. Van seksuele perversiteiten in een oververhitte Weense buitenwijk (Hundstage). De man die in z’n kelder trots zijn nazi-parafernalia toont (Im Keller). Of – ik probeer het beeld terstond te verdringen – de oudere Europese dames die zich in Afrika vermaken met viriele donkere mannen (Paradies: Liebe).

De Oostenrijker Seidl, die in zijn carrière regelmatig schakelt tussen speelfilms en documentaire, houdt er een inktzwart mensbeeld op na – en geeft dat met ‘liefde’ en ‘plezier’ door aan zijn publiek. Één blik op de titel van zijn nieuwste documentaire (Safari), de thematiek (plezierjacht) en de filmposter (een stel dat fier poseert bij een gevelde zebra) en de goede verstaander weet alweer genoeg: dit is wederom een film om te bekijken met dichtgeknepen neus, samengeperste billen en een hand die elk moment voor de ogen kan worden geslagen.

Ook het leeuwendeel van de personages in deze schurende film (84 min.) is weer lelijk en dom en houdt er weerzinwekkende denkbeelden op na. Zoals de man die een gnoe liefdevol op zijn kop klopt en bemoedigend toespreekt (‘een goede strijder’) nadat hij hem zelf vanaf een veilige afstand met een geweerschot van het leven heeft beroofd. Met enkele handjes water wordt het dier vervolgens schoongepoetst, en intussen de directe omgeving gefatsoeneerd, zodat de onvermijdelijke heldenfoto kan worden gemaakt van de stoere jager met zijn ontzielde prooi.

Traag en sober registreert Seidl de jacht op kansloze zebra’s en giraffes, die steevast wordt beslecht met een fataal schot, gevierd via een ‘Jagersheil’-groet en vereeuwigd met een fotocamera. Voor buitenstaanders zijn het even trieste als onbegrijpelijke taferelen. Zo nu en dan belicht Safari daarnaast ook de tragikomische aspecten van de plezierjacht. Zo brengen twee dikkige mannen van middelbare leeftijd, boerend en snurkend, urenlang tevergeefs door in een soort schutterscabine. De lulligheid ten top.

Intussen laat Seidl de jagers tijdens zorgvuldig geënsceneerde interviews langzaam maar zeker helemaal leeglopen. Nadat ze de zegeningen van de jacht hebben geteld en hun activiteiten (voor zichzelf) hebben gerechtvaardigd, belanden ze uiteindelijk in troebeler water en brengt Seidl hen in verband met een soort koloniaal racisme, waarbij zwarten letterlijk het vuile werk mogen opknappen voor witte mannen. Het is de venijnige pointe van een vertrouwd ongemakkelijke Seidl-film.