Silent Flood

Tabor Film / vanaf donderdag 17 september in de bioscoop

‘Ze hebben geen elektriciteit of andere moderne gemakken’, vertelt de ene Oekraïense soldaat aan de andere, terwijl ze aan het front handgebakken brood met elkaar delen. Dat is belachelijk, vindt die. Geen televisie of telefoons, benadrukt de eerste nog maar eens. ‘Als je bij hen binnenkomt, schrik je je dood. Alles is van hout. Geen plastic of metaal.’ Zijn collega begint te glimlachen. ‘Zelfs hun wasmachines zijn zeker van hout?’ Nee, reageert z’n gesprekspartner. Ze brengen hun was naar de Dnjestr-rivier en doen hem daarin met de hand. ‘Met stenen!’

De soldaten kunnen er niet over uit: de ‘kashketniky’, een soort Oekraïense Amish, lijken echt in een ander tijdsgewricht te leven. Ze mijden het contact met de buitenwereld. Bij hen is er ook geen alcohol, geen moderne geneeskunde en geen oorlog. Tenminste, zolang de jaarlijks overstromende Dnjestr hen niet opzadelt met vijandelijke soldaten. Want de Russische aanval bereikt uiteindelijk ook het westen van Oekraïne. Op hun eigen voorwaarden levert de pacifistische gemeenschap tóch een bijdrage aan de strijd: militairen aan het front worden voorzien van zelfgemaakt brood.

Dmytro Sukholytkyy-Sobchuk begint zijn observerende documentaire Silent Flood (90 min.), op het IDFA van 2025 bekroond met de Award voor beste cinematografie, bij de rivier, die tijdens zowel de Eerste als de Tweede Wereldoorlog aan de frontlinie lag en nu geen afdoende barrière lijkt te vormen tegen Poetins aanvalsdrift. Een idyllische leefomgeving, weldadig vereeuwigd. De mens is er eerst en vooral onderdeel van een gemeenschap. De Oekraïense filmmaker licht er dus ook geen individuen uit, maar richt zich op het collectief, de leefwijze en hun mores.

Bij de beeldenpracht klinken stemmen van binnen en buiten de gemeenschap. Over hoe zij de wereld op afstand proberen te houden, om puur te blijven voor hun God. ‘Wij hebben geen priesters of geestelijk leiders’, vertelt een kashketniky-man bijvoorbeeld, buiten beeld. ‘We bidden samen en vragen God om ons te behoeden voor zonde en weg te houden bij het moderne leven.’ En over hoe de buitenwereld soms naar hen kijkt: profiteurs, inteelt en landverraders. ‘Onze jongens werden naar de oorlog gestuurd’, laat een vrouw optekenen. ‘Maar zij wilden niet gaan.’

Halverwege laat Sukholytkyy-Sobchuk de idylle achter zich en reist met een zending brood mee naar het frontgebied. Zijn film verschiet dan van kleur: de grauwe realiteit van oorlog doet zijn intrede. Deze wereld, eveneens gecreëerd door God, is door de mens bezaaid met landmijnen. Een treffende metafoor voor hoe de Russische invasie gaandeweg elk stukje Oekraïne overspoelt en zelfs degenen die zich willen onttrekken aan de strijd meezuigt in een maalstroom van geweld. Net als de Dnjestr-rivier: zonder genade.

Duutsers

EO

De kinderen van toen zijn de ouderen van nu. De laatste ooggetuigen van hoe Rouveen, een boerendorp in Overijssel, de Tweede Wereldoorlog doorkwam. In hun eigen woning vertellen ze dorpsgenoot Geertjan Lassche over hun ervaringen met de Duutsers (48 min.). Dat gebeurt in de taal die ze samen delen: het Nedersaksisch.

Het plattelandsdorp Rouveen, vlakbij Staphorst, had indertijd zo’n 7500 inwoners. Het was volgens Lassche een orthodox-christelijk dorp, met zowel hervormden als gereformeerden. Een zelfvoorzienende, maar ook geïsoleerde gemeenschap. Aan het begin van de oorlog kwamen er in het plaatselijke Kamp Conrad, waar later eerst landverraders en daarna Molukkers werden gehuisvest, Joden uit de rest van het land wonen. Over wat er met hen gebeurde, werd in het dorp nauwelijks gesproken. Ze waren met hun eigen levens bezig. Want ook zij kregen, naarmate de oorlog vorderde en grimmiger werd, steeds meer te maken met ‘de haat’.

‘Iedereen was bang voor iedereen soms’, vertelt Gerrit, inmiddels overleden, één van de dorpelingen die de oorlog als kind meemaakte. ‘Want er zijn dingen bekend ook, dat iemand de buren ging verraden om simpele dingen. Ik weet het van m’n eigen ouders ook nog. Die wilden een keer een varken slachten, maar de dag ervoor is het in beslag genomen. Dat is verraden.’ Rouveen krijgt daarnaast ook te maken met groot leed. Als dorpsgenoot Klaas Pielman, vader van drie kinderen en met een zwangere vrouw, bijvoorbeeld weigert om zijn fiets af te staan aan een Duutser, wordt hij rücksichtslos doodgeschoten.

In zulke herinneringen zit de kracht van deze microblik op de grote geschiedenis: die oorlog, al zo vaak ondergebracht in helden- of slachtofferverhalen, wordt hier teruggebracht naar gewone mensen-proporties en in verband gebracht met de namen, gezichten en levens van hele gewone landgenoten, de kinderen van toen. Zodat de (plattelands)kinderen van nu zich er gemakkelijk mee kunnen identificeren.