Je Navais Que Le Néant – Shoah Par Lanzmann

mk2 Films / Arte

Twaalf jaar heeft Claude Lanzmann gewerkt aan Shoah (1985), zijn epische documentaire van negen en een half uur over de Holocaust. Het tweeluik is inmiddels opgenomen in het UNESCO Memory Of The World Register.

Tegenwoordig is nauwelijks meer voor te stellen dat Shoah er voor hetzelfde geld helemaal niet was gekomen. De Franse schrijver en filmmaker Claude Lanzmann (1925-2018) werd begin jaren zeventig benaderd, was eigenlijk helemaal niet zo happig op het maken van een film over de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog en wilde er, door allerlei strubbelingen en tegenslagen, ook meerdere malen de brui aan geven.

In Je Navais Que Le Néant – Shoah Par Lanzmann (internationale titel: All I Had Was Nothingness, 95 min.) neemt hij de wording van dit monument nog eens nauwgezet door. Althans, dat doet de Franse documentairemaker Guillaume Ribot, die de beschikking kreeg over 220 (!) uur ruw materiaal en vervolgens een voice-over van Lanzmann samenstelde, die is gebaseerd op zijn memoires en persoonlijke geschriften.

Een documentaire over het maken van een documentaire dus. En dat is in het geval van Shoah niet vreemd. Sterker: het is ook niet de eerste documentaire over het maken van de belangrijkste Holocaust-documentaire aller tijden. Claude Lanzmann: Spectres Of The Shoah (2015) van Adam Benzine richt zich op de betekenis van de film en de al even kolossale man daarachter, die daarover zelf ook uitgebreid aan het woord komt.

Deze nieuwe film, veertig jaar na de oorspronkelijke release van Shoah uitgebracht, richt zich nog nadrukkelijker op het maakproces van deze ‘race tegen de dood’ en volgt dit echt vanuit het perspectief van Lanzmann en zijn Duitse assistente Corinna Coulmas. ‘We konden niet filmen wat er was gebeurd’, vertelt hij erbij, omdat het bewijsmateriaal nu eenmaal grotendeels was vernietigd. ‘Daarom moesten we het opnieuw oproepen.’

Claude Lanzmann schuwt daarbij ogenschijnlijk geen enkel middel: hij zet Abraham Bomba, een Joodse man die vrouwen knipte voordat ze naar de gaskamers gingen, aan het werk in een kapperszaak. Voor Henryk Gawkowski, conducteur op de doodstreinen naar Treblinka, regelt hij een locomotief. En Lanzmann vraagt Simon Srebnik, één van de twee overlevenden van het vernietigingskamp Chelmno, om een oud Pools liedje te zingen.

En bij daders gaan de handschoenen echt uit: hij ritselt een vals paspoort, presenteert zich als historicus van een fictief onderzoeksinstituut en maakt gebruik van een verborgen camera, de zogeheten Paluche. Zo filmt hij bijvoorbeeld stiekem het interview met de nazi Franz Suchomel, terwijl die alleen heeft ingestemd met een geluidsopname. En als Suchomels vrouw het bedrog ontdekt, liegt Lanzmann dat het gedrukt staat.

Het doel heiligt voor hem duidelijk alle middelen. Tegelijkertijd is deze tocht naar de donkerste kamers van de hel de Franse intellectueel natuurlijk ook niet in de koude kleren gaan zitten. Ribot besluit zijn geslaagde film niet voor niets met een intieme scène, als Claude Lanzmann na een geladen gesprek met Yitzhak ‘Antek’ Zuckermann, één van de leiders van de opstand in het ghetto van Warschau, even steun zoekt bij hem.

Alleen samen zijn ze bestand tegen wat zich opnieuw, wéér, voor hun ogen ontrolt.

A Time For Burning

Contemporary Films

We hebben jullie historie bestudeerd, begint de jonge Afro-Amerikaanse kapper Ernie Chambers, die later nog zal worden verkozen tot het parlement van de staat Nebraska, tegen pastor Bill Youngdahl van de Omaha Augustana Lutheran Church. Jullie zijn niet degenen die ‘We Shall Overcome’ zongen. Jullie breken beloften. Jullie liegen. Julie verkrachten hele landen en volkeren. Jullie geloof is niet serieus te nemen. En jullie wetten stellen ook niks voor, zo bleek onlangs weer in Alabama.

‘Wat ons betreft is jullie Jezus besmet’, vat Chambers nog even samen voor de witte pastor, die contact wilde zoeken met een nabijgelegen zwarte kerk. ‘Net als al het andere dat jullie ons proberen op te leggen.’ Youngdahl, met al z’n goede bedoelingen, druipt af. Hij deelt in grote lijnen Ernie Chambers’ analyse, maar er zit niets anders op: ze zullen de scherven moeten lijmen. Hij gaat zijn eigen, witte, Lutherse congregatie in contact brengen met de Afro-Amerikaanse gemeenschap.

Daarvoor moet de progressieve pastor echter ook in zijn eigen kerkgemeenschap nog praten als Brugman. Kan de Omaha Augustana Lutheran Church zoveel reuring wel aan? Sommige leden zitten bepaald niet te wachten op ‘geforceerde integratie’. De timing is niet goed, vinden zij. En die zal waarschijnlijk ook nooit goed worden, denkt een kritische kijker er meteen achteraan. Sommige ontwikkelingen komen nu eenmaal altijd te vroeg en moeten worden uitgesteld tot Sint Juttemis.

De observerende documentaire A Time For Burning (56 min.) van Bill Jersey en Barbara Connell speelt zich af in 1965, als de Verenigde Staten in vuur en vlam staan door de strijd van Afro-Amerikanen tegen segregatie. Zij eisen hun burgerrechten op, maar vinden bij de kerk doorgaans geen gewillig gehoor. Tot onbegrip van sommige notabelen. Zeker als het gaat om zwarte soldaten die hebben gevochten in Vietnam. Zij worden in eigen land vaak nog als tweederangs burgers behandeld.

‘Als zo’n ‘negro’ terugkeert en bij mij om een baan komt vragen’, zegt Omaha’s burgemeester Alexander V. Sorensen bijvoorbeeld tijdens een speech voor lokale kerkleiders, ‘ben ik niet de burgemeester die gaat zeggen dat hij niet gekwalificeerd is. Voor jou hebben we geen werk. En als hij met z’n gezin naar een fatsoenlijke woning wil, gaat deze burgemeester ook niet zeggen: sorry, jouw huid is zwart. Je bent voor de rest van je leven veroordeeld tot een getto.’

‘Als de kerk zich hier niet mee gaat bemoeien’, besluit Sorensen alarmistisch. ‘Dan vrees ik voor onze toekomst.’ Hij onderschat echter de weerzin binnen de christelijke gemeenschap om daadwerkelijk te integreren, laat deze klassieke direct cinema-film, in 1967 genomineerd voor een Oscar, feilloos zien. Youngdahls loffelijke initiatief zal vastlopen in een drijfzand van onwil, bureaucratie en geouwehoer. Want daarin kun je, om Jan Schaefer tamelijk bruusk te parafraseren, ook niet bidden.

Generatie Pa

Bind / NTR

Iemand die voor zijn kinderen zorgt, sommen de drie hoofdpersonen van deze film van Bibi Fadlalla aan het begin op. De beschermer van het gezin en een held voor z’n kinderen. Een vader, kortom. Logisch en toch niet vanzelfsprekend. In het leven van veel kinderen ontbreekt zo’n vaderfiguur. De man zelf laat verstek gaan of is er wel, maar blijft emotioneel afwezig.

In Generatie Pa (55 min.) laat Fadlalla drie zwarte vaders uit Rotterdam, recht in de camera kijkend, aan het woord over hun rol als ouder: jongerenwerker en muzikant Jay Janga, muzikant en organisator Ruwhel Emers en theatermaker en spoken word-artiest Mich Simon, alias Young Mich Poetry (Y.M.P.). Zij hebben stuk voor stuk natuurlijk ook herinneringen aan hun eigen vaders: aan die eerste niet geheel legale autorijles op hun zeventiende, de bezoeken aan drugshuizen of het tevergeefse wachten als hij weer niet kwam opdagen om iets met hen te gaan doen.

Ieder heeft zo z’n eigen beelden bij het vaderschap meegekregen – en dus ook hoe ’t niet moet. En nu proberen ze er zelf het beste van te maken: voorlezen, naar de kermis, een spelletje doen, corrigeren of een nieuw huisdier introduceren. Hun vrouwen blijven intussen vrijwel volledig buiten beeld in deze sfeervolle film. Ze omringen zich wel met vrienden en praten dan over van alles en nog wat. Over slechte rolmodellen zoals R. Kelly en Bill Cosby bijvoorbeeld. En, bij de kapper, of je niet eens moet nadenken voordat je wéér een kind verwekt bij een nieuwe vrouw.

Fadlalla omkleedt hun bespiegelingen, activiteiten en gesprekken met fraaie symbolische sequenties die de vaderrol en het vaderschap representeren, pept de boel op met een bloemrijke soundtrack en levert zo een film af die qua thematiek en opzet netjes aansluit bij twee andere recente Nederlandse documentaires over mannen van nu: Zonen Zonder Vaders (Tessa Louise Pope) en Lucky Boy (Roshan Nejal). Want die nieuwe generatie mannen is genoodzaakt om zich te verhouden tot de hedendaagse wereld en hun eigen rol daarbinnen.

Coos & De Colafles

Tuvalu Media / BNNVARA

Kijk eens hoe ie loopt, riepen ze hem naderhand na. ‘Je loopt alsof je een colafles in je reet hebt gehad.’ En zo bleef één enkele gebeurtenis op zijn dertiende Coos jarenlang achtervolgen. Intussen werd hij een foute jongen, die doelbewust z’n school verknalde, regelmatig in vechtpartijen verzeild raakte en nogal eens het verkeerde pad opzocht.

Op zijn 38e is de Rotterdamse barbier helemaal klaar met dat verhaal van Coos & De Colafles (50 min.), over die dag waarop hij apestoned helemaal ‘out’ ging aan de waterkant. Hij wilde ’t eigenlijk mee zijn graf innemen, maar het incident blijft zich maar opdringen. Coos heeft daarom ruim een jaar thuisgezeten en wil nu eindelijk eens schoon schip maken.

Hij begint contact te leggen met de ruim twintig oude vrienden die er 25 jaar geleden bij waren. ‘Had ik een beetje meer opgelet en ik had gezien wat ze gingen doen, dan had dat niet gebeurd, hoor, vriend’, zegt zijn voormalige buurmeisje aan de telefoon. Zij windt er geen doekjes om: grensoverschrijdend gedrag. ‘In principe ben je gewoon seksueel misbruikt, hè?’

Terwijl Coos in deze documentaire van Wouter Vogel met kunstenaar Niels Egidius werkt aan een virtual reality-installatie, waarmee hij zijn traumatische ervaring invoelbaar probeert te maken voor zijn ouders, vrouw Jessica en broer Ronald geeft hij steeds meer pijnlijke details prijs over wat er zich destijds heeft afgespeeld en hoe dit hem heeft gevormd.

Intussen werkt deze delicate film toe naar het moment waarop mensen uit de directe omgeving van Coos met een VR-bril op kunnen beleven hoe hij het incident destijds heeft ervaren – en wie van de direct betrokkenen zoveel jaar na dato nog wel/niet bereid is om deze confrontatie aan te gaan.