Paradise Lost-trilogie


Drie jongetjes, vermoord door drie jongens. De namen van de jongetjes zijn we – tragisch genoeg – allang vergeten. De jongensnamen staan inmiddels in het collectieve geheugen gegrift: Damien Echols, Jason Baldwin en Jessie Misskelley. Ook wel bekend als: The West Memphis Three. Metalliefhebbers. Satanisten. En drievoudige moordenaars. Toch?

De Amerikaanse filmmakers Joe Berlinger en Bruce Sinofsky besloten de kwestie te gaan onderzoeken. Dit resulteerde in 1996 in Paradise Lost: The Child Murders At Robin Hood Hills (150 min.), een inmiddels klassieke true crime-documentaire. Gaandeweg raakten Berlinger en Sinofsky ervan overtuigd dat de drie alternatieve jongeren onschuldig vastzaten. En dus gingen ze door met filmen.

Vier jaar later verscheen Paradise Lost 2: Revelations (130 min.), alweer een mokerslag van een film. Gevolgd door Paradise Lost 3: Purgatory (121 min.), het voor een Oscar genomineerde derde deel uit 2011. De ter dood veroordeelde Echols en zijn twee jeugdvrienden waren onschuldig, zoveel was duidelijk. Althans volgens de Amerikaanse filmers. Maar wie had die gruwelijke kindermoorden dan op zijn geweten?

Joe Berlinger en Bruce Sinofsky presenteren hun bevindingen als een superspannende whodunnit. Ze spitten al het beschikbare bewijsmateriaal en de verklaringen door en gaan ook zelf op zoek naar antwoorden. Tijdens dit jarenlange proces, dat heeft geresulteerd in drie films van bioscooplengte, stuiten ze op diverse verdachten, waaronder de stiefvader van één van de vermoorde kinderen.

Deze John Mark Byers, een onvervalste redneck met een Jezus-complex die steeds als een dolle hond de camera van Berlinger en Sinofsky opzoekt, is een personage waarvan filmmakers dromen: sinister, profaan en dolkomisch. En gecompliceerder dan je in eerste instantie denkt. Een man die je ’s nachts gedurig wakker houdt: zou hij zijn eigen stiefzoon en diens vriendjes…?

De filmmakers kiezen duidelijk positie in Paradise Lost: de West Memphis Three is onschuldig. Uitroepteken. Daarmee opereren ze in de traditie van Errol Morris, die in (een van) de eerste true crime-klassieker The Thin Blue Line (1988) aantoonde dat Randall Adams de moord op een politieagent niet kón hebben gepleegd, en de makers van de Netflix-hit Making A Murderer, die al jaren Steven Avery proberen vrij te pleiten.

Gaandeweg hebben Berlinger, Sinosfky en hun Paradise Lost-trilogie, die in zijn geheel op YouTube is te bekijken, steun gekregen van prominenten als acteur Johnny Depp, Pearl Jam-zanger Eddie Vedder en de metalband Metallica (die voor het eerst muziek beschikbaar stelde voor een film). Maar mondt wat een opzichtige rechterlijke dwaling lijkt ook daadwerkelijk uit in vrijspraak voor de drie jongens, die dan inmiddels tegen de veertig lopen?

De gestorven jongetjes heetten overigens Steve Branch, Michael Moore en Christopher Byers.

Na de Paradise Lost-trilogie leek de West Memphis-ruif helemaal leeg gegeten. Niets bleek minder waar. In 2012 verscheen West Of Memphis (147 min.) van Amy Berg, een film uit de koker van Lord Of The Rings-regisseur Peter Jackson die kan worden beschouwd als een waardevolle aanvulling op de Paradise Lost-trilogie.

Er is trouwens ook een speelfilm gewijd aan de geruchtmakende kindermoorden in West Memphis, Devil’s Knot met in de hoofdrollen Reese Witherspoon en Colin Firth. Daar ben ik zelf echter nooit aan begonnen.

Tot slot: het is zelfs niet uitgesloten dat er nog een vierde deel van Paradise Lost. In de documentaireserie Life And Death Row: The Mass Execution wordt ook nog even aandacht besteed aan de zaak van The West Memphis Tree. En wie staat er op achtergrond te filmen als eerst Damien Echols en daarna Johnny Depp het woord richt tot een groep anti-doodstrafactivisten? Juist: Joe Berlinger. Zijn vaste partner Bruce Sinofsky zal dat eventuele vierde deel overigens niet meer meemaken. Hij overleed in 2015.

Lost In La Mancha


Afgelopen weekend kwam er een voorlopig eind aan het drama dat zich al decennialang voltrekt in het leven van regisseur Terry Gilliam. Er moest een rechtszaak aan te pas komen, die hem ook nog in het ziekenhuis deed belanden met een lichte hartaanval, maar na een positieve uitspraak kon zijn speelfilm The Man Who Killed Don Quixote eindelijk in première gaan tijdens het festival van Cannes. Zo kwam er toch nog een happy end aan een filmproject waarvoor Gilliam, voorzichtig uitgedrukt, een ijzeren wil, olifantenhuid en de ausdauer van een schildpad nodig had.

De wet van Murphy heeft films over Don Quichot vaker geplaagd. Ook Orson Welles (Citizen Kane) beet zich al eens stuk op het maar al te symbolische verhaal over een man die de strijd aanbindt met molenwieken. Terry Gilliam, ooit het enige Amerikaanse lid van de absurde Britse comedyclub Monty Python, wil zijn geheel eigen interpretatie van de klassieker van Cervantes al zo’n beetje zijn hele leven verfilmen, maar vond steeds andere problemen op zijn pad. Zo moest Hollywood bijvoorbeeld niets hebben van de film, nadat een eerdere Gilliam-productie, The Adventures Of Baron Munchhausen, op een echec was uitgelopen. In dat opzicht blijft de geschiedenis zich overigens herhalen: de Amerikaanse distributeur van Quixote heeft zich onlangs alsnog teruggetrokken.

Uiteindelijk vond Gilliam eind jaren negentig in Europa geld voor zijn droomproject en konden de opnames voor The Man Who Killed Don Quixote, een film die toen al tien jaar in ontwikkeling was, rond de eeuwwisseling eindelijk beginnen. Met de Franse acteur Jean Rochefort als de tragische hoofdpersoon Don Quichot, Johnny Depp in de rol van Toby Grisoni (een hedendaagse stand-in voor Sancho Panza) en diens toenmalige vrouw Vanessa Paradis als zijn potentiële geliefde. Het zou een gigantisch fiasco worden, dat werd gedocumenteerd in een geweldige documentaire uit 2002: Lost In La Mancha (89 min.), een tragikomische film van Keith Fulton en Louis Pepe die oorspronkelijk was bedoeld als making of.

Terwijl werkelijk álles tegenzit – fysieke malheur bij Rochefort, een volledig weggespoelde filmset en steeds weer opspelende financiële problemen, om maar eens wat te noemen – begint Terry Gilliam meer en meer te lijken op, juist, Don Quichot. En Fulton en Pepe hebben overal toegang – omdat ze nu eenmaal een promofilm maken, die Gilliam bovendien altijd kan gebruiken om zijn eigen verhaal over het productieproces te onderbouwen. Ook als de onderlinge verhoudingen verzuren en het hele project spaak loopt blijft het duo als een vlieg op de muur filmen. Het resultaat, bijeengehouden door de onderkoelde voice-over van acteur Jeff Bridges, werkt ongetwijfeld op de lachspieren en zorgt tegelijkertijd voor compassie met de grote dromer Terry Gilliam.

Daarmee is niet gezegd dat The Man Who Killed Don Quixote een slechte film zou zijn geworden (of nu, bijna twintig jaar later, met een nieuw productieteam en Jonathan Pryce en Adam Driver in de hoofdrollen ís geworden). De documentaire Lost In La Mancha bevat enkele voorlopige filmscènes die tot de verbeelding spreken. En als je Gilliam zelf bezig ziet, bijvoorbeeld als hij hoogstpersoonlijk enkele rollen inspreekt bij gestoryboarde scènes, dan wordt eens te meer duidelijk dat hier een originele stem klinkt die gehoord moet worden. Een bezoek aan de bioscoop voor The Man Who Killed Don Quixote kan daarnaast zo langzamerhand worden beschouwd als een daad van pure medemenselijkheid.

Op deze Wikipedia-pagina is het complete verhaal van het productieproces van deze ‘development hell’ te lezen. In de geschiedenis van The Man Who Killed Don Quixote zijn ook nog bijrollen weggelegd voor Robert Duvall, John Hurt, Michael Palin en Ewan McGregor, acteurs die stuk voor stuk niet in de uiteindelijke film zijn beland.

Wellicht hebben ze wél een plek bemachtigd in He Dreams Of Giants, een zojuist aangekondigde nieuwe documentaire van Keith Fulton en Louis Pepe over de Don Quichot-avonturen van Terry Gilliam. Volgens dit Variety-artikelconcentreren ze zich in deze opvolger van Lost In La Mancha vooral op wat er omgaat in het hoofd van de veelgeplaagde regisseur.