Kylie

Netflix

‘Ik weet niet waar we heen gaan’, zegt Kylie Minogue bij de start van deze driedelige serie tegen documentairemaker Michael Harte. ‘Maar je zal veel gaan onthullen. Je kan niet wachten, hè? Je wil alle sappige details. Maar ik wil niet alles zien wat ik verberg. Want ik verberg het niet voor jou maar voor mezelf.’ Uitroepteken.

En voor de kijker die dan nog niet voldoende is geteasd om stante pede te beginnen aan dat (zelf)portret, voegt Minogue eraan toe: ‘Het was goed, geweldig, verschrikkelijk, maar ik blijf proberen weer op het podium te komen. Het leven heeft voor mij zin op het podium.’ Korte stilte. ‘En mensen weten niet waarom.’ Uitroepteken 2.

Welkom bij Kylie (181 min.), van het team dat u eerder vergelijkbare producties zoals Beckham en Wham! bracht. Met een zekere mate van diepgang en openheid – zolang die het uit te dragen ‘brand’ versterkt en niet in de weg zit. In dit geval: een Australische vrouw die al haar hele bestaan een publiek leven leidt – en soms ook lijdt.

Met Kylie zelf, haar beroemde zus Dannii, producer Pete Waterman, mede-soapie en ex-geliefde Jason Donovan en zanger/songschrijver Nick Cave gaat Harte terug naar het ideale buurmeisje uit de soap Neighbours, dat onder de hoede van het producersteam Stock, Aitken & Waterman uitgroeit tot de, ahum, ‘grootste vrouwelijke artiest’.

En dat daarna aan de zijde van Michael Hutchence, de frontman van de populaire Australische rockband INXS, en Nick Cave, als zijn slachtoffer in de onweerstaanbare moordballade Where The Wild Roses Grow, van bimbo naar diva transformeert. Om tenslotte van sekssymbool via een ernstige aandoening een ‘wise old woman’ te worden.

Minogue’s gecompliceerde relatie met de roddelpers loopt als een rode draad door al die ontwikkelingen heen. Omhoog geschreven naar de top van de hitlijsten, afgeschreven als ‘de zingende parkiet’. Opgejaagd ook als helft van een onweerstaanbaar sterrenkoppel en nét iets te hartelijk verwelkomd als bekende vrouw met borstkanker.

Die ziekte, waarover ze open spreekt in de slotaflevering, en het leed daaruit voortkomt geven deze amusante miniserie een geladen laatste akte, waarna de hoofdpersoon op herkansing mag bij het Glastonbury-festival, dat ze eerder noodgedwongen heeft moeten afzeggen, en en nog een allerlaatste intieme onthulling in petto heeft.

They Shall Not Grow Old

Van gezichtsloze mannen uit een lang vervlogen tijd, stom en zwart-wit, worden ze jongens van nu. Vitaal, goedlachs en jong, verrassend jong. They Shall Not Grow Old (99 min.), Peter Jacksons epische film over de Eerste Wereldoorlog (1914-1918), is dan al ruim 25 minuten onderweg. De oorlog tussen Groot-Brittannië en Duitsland is verklaard. Met een uitgebreide campagne zijn mankrachten geworven. En talloze Britse jongelingen, vaak nog minderjarig, hebben zich gemeld. Al hebben ze geen idee waarvoor ze hebben ingetekend.

De geluidloze, grofkorrelige zwart-wit beelden, begeleid door quotes van een eindeloze stroom veteranen, brengen de aanloop naar de Grote Oorlog treffend in beeld, maar er is tegelijkertijd geen twijfel mogelijk: hun nét iets te vlot opgestapelde verhalen spelen zich af in een andere wereld, ruim honderd jaar geleden. Waar we onze (over)grootvaders vroeger, ook alweer lang geleden, wel eens over hebben horen vertellen. En waar Peter Jacksons opa William gewond raakte, bij de Slag aan de Somme in 1916.

En dan, na een klein half uur, krijgen die naamloze mannen ineens letterlijk kleur en beginnen ze zowaar ook met elkaar te kletsen. Een enkeling roept zelfs ‘hoi mam’ naar de camera. Met liplezers en stemacteurs heeft Peter Jackson de soldaten een stem gegeven. Ook het decor waarin ze zich begeven, de loopgraven, komt tot leven. De geluiden van mannen onder elkaar, onderbroken door artillerievuur en ontploffende granaten. Het is een geweldige zet: een historische documentaire wordt nu een actuele film, die zich qua beleving (bijna) kan meten met een recente speelfilm over diezelfde oorlog, 1917.

Gesprekken met veteranen uit de jaren zeventig en tachtig en de prachtig gerestaureerde en ingekleurde beelden gaan daarbij een glorieus verband aan met elkaar – al hadden ze in werkelijkheid natuurlijk weinig met elkaar van doen. De militairen die je ziet kunnen niet de mannen zijn die je hoort. Toch slaagt Jackson erin om hen met elkaar te verbinden en hun collectieve ervaring, die honderd jaar later nog altijd actueel en urgent voelt, over te brengen: de kameraadschap, het respect voor de opponent (‘de Jerries’) en de onderbroekenlol, maar ook de gruwelen van de strijd, zoals gangreen, frostbite en – natuurlijk – de eervolle dan wel roemloze dood.

Één van zijn collega’s was geraakt, vertelt een anonieme soldaat bijvoorbeeld. ‘Zijn linkerarm en linkerbeen waren afgerukt. Zijn linkeroog hing op zijn wang. En hij riep om zijn moeder’, herinnert hij zich. ‘Dus heb ik hem doodgeschoten.’ De militair probeert zich te verontschuldigen: ‘Dat moest wel. Ik moest hem doodschieten. Hij zou sowieso zijn gestorven. Ik heb hem alleen uit zijn lijden verlost.’ Snikkend: ‘Dat deed zo’n pijn.’

Het zijn zulke kleine, indrukwekkende verhalen, van een jongen die je niet kent over een jongen die je ook niet kent, waarmee Peter Jackson de beleving van al die Jan Soldaten tijdens Die Andere Wereldoorlog weer tastbaar maakt. Een niet te onderschatten prestatie.