Oasis: Don’t Look In Anger

Disney+

De ruzies van de broers Gallagher behoren inmiddels tot de folklore van de popmuziek. Net als pak ‘m beet de controversiële uitspraken van rapper Kanye West, Keith Richards’ (inmiddels overigens overwonnen) heroïneverslaving en het dronkemansgedrag van wijlen Shane MacGowan. Dat krijgt ook al snel iets van een gimmick: de ruzies tussen songschrijver Noel en zijn zingende jongere broer Liam als ‘unique selling point’ van Oasis, de werkemansband uit Manchester.

Na een volledig geëscaleerde woordenwisseling bij een concert in Parijs in 2009 hebben de twee elkaar ruim vijftien jaar niet ontmoet. Als ze samen met de andere bandleden gaan repeteren voor een serie reünieconcerten in 2025, vraagt dit dus enige afstemming. Die shows zijn, stellen ze in de documentaire Oasis: Don’t Look In Anger (122 min.), ‘een kans om het verhaal van de band te veranderen’ – al zullen de twee vast ook niet voor een appel en een ei weer samen op dat podium gaan staan. Die optredens moeten, in Gallagher-termen, ‘fucking carnage’ worden.

Nét voor de allereerste keer, op 4 juli in een stijf uitverkocht stadion in het Welshe Cardiff, geven Noel en Liam elkaar, op weg naar het podium, een ongemakkelijke knuffel. Even daarna toont Oasis zich voor het eerst in al die jaren weer aan de achterban, die vast van plan is om er een volksfeest van te maken. Tijdens de concerten, in elk uithoek van de wereld, huilen, knuffelen, dansen, bidden én zingen uitzinnige fans in de navolgende twee uur alsof ook zij de beste jaren van hun leven nog eens herbeleven – één van de uitgesproken troeven van deze reünietourfilm.

De regisseurs van dienst, Dylan Southern en Will Lovelace, portretteren enkelen van hen daarnaast in hun eigen gemeenschap, waar Oasis duidelijk een snaar heeft geraakt. Een Braziliaanse fan met de hond Bonehead bijvoorbeeld, vernoemd naar gitarist Paul ‘Bonehead’ Arthurs. Of de Zuid-Koreaanse haenyeo-duikster die met behulp van een collega en hun gezamenlijke voorliefde voor Oasis een donkere periode achter zich liet. Ook leuk: de kinderen van de Gallagher-broers, die elkaar nog nooit hadden ontmoet en nu samen uit hun dak gaan bij de optredens van hun beroemde vaders.

Noel en Liam beginnen na verloop van tijd hand in hand het podium op te lopen en geven zelfs hun eerste gezamenlijke interview in ruim twintig jaar. Older & wiser – en met archiefbeelden fraai afgezet tegen hun hoogtijdagen in de jaren negentig (eerder al vervat in Oasis: Supersonic, 1996). Don’t Look Back In Anger wordt daarmee precies wat de titel al belooft: een bevredigende terugkeer naar de band Oasis, hun tijdloos gebleken songs en de grote emoties die deze nog altijd losmaken. En hun tournee lijkt zelfs, tot nader order natuurlijk, voor verbroedering te hebben gezorgd tussen de beruchte Gallaghers.

Oasis: Supersonic

Mint Pictures

Ze zijn weer uit de dood herrezen. Zoals dat nu eenmaal gaat met bands die ooit véél populairder waren dan de afzonderlijke leden daarna nog zijn geworden. Dan is de verleiding om dat verleden nog eens te bezoeken – en nog eens en nog eens en… – nauwelijks te weerstaan. Zeker omdat ook de portemonnee daar beslist niet leger van wordt.

En dus laat Oasis deze zomer weer ouderwets hits als Don’t Look Back In Anger, Champagne Supernova en Wonderwall herleven en bekvechten ook de gebroeders Gallagher, de Peppi en Kokki van de Britse popmuziek, weer ouderwets met elkaar. Gitarist en songschrijver Noel, het Beatlesque pophart van de groep uit Manchester, en zanger en frontman Liam, de soms onuitstaanbare blufkikker van dat gezelschap. Hoewel er onmiskenbaar ook chemie is tussen de twee broers, kunnen ze elkaar vaak nog altijd niet luchten of zien. ‘Noel heeft heel veel knopjes, zegt Christine Mary Biller van het management van de band daarover. ‘En Liam heeft heel veel vingers.’

In het typische bandjesportret Oasis: Supersonic (116 min.) uit 2016 loopt Matt Whitecross (Coldplay: A Head Full Of Dreams) de geschiedenis van de Britpopband netjes door met de bandleden en mensen uit hun directe entourage, waaronder Liam en Noels moeder Peggie, hun broer Paul en platenbaas Alan McGee. Zij geven, buiten beeld, commentaar bij de concertfragmenten, studio-opnames, interviews, tv-optredens en backstage-beelden, waarmee de stormachtige opkomst van Oasis en de beste jaren van de band, halverwege de jaren negentig, worden gereconstrueerd. Alle strapatsen van ná 1996, evenals de rivaliteit met grote concurrent Blur, blijven onbelicht.

Dat Oasis vroeger of later zal imploderen, staat vanaf het begin vast. Zoveel grootspraak, onderbroekenlol en drugsgebruik zet de interne verhoudingen nu eenmaal op scherp en eist vroeger of later zijn tol. Op dat niveau – van jongens die zich laven aan alle denkbare rock & roll-clichés – blijft de film ook wel een beetje steken. Héél veel dieper graaft Whitecross niet. Al wordt de problematische relatie van de Gallaghers met hun vader – Noel: ‘In zekere zin heeft mijn ouwe mijn talent in me geslagen – nog wel aangestipt. De charme van deze film is juist dat Noel en de vijf jaar jongere Liam, allebei dik in de veertig bij de release ervan, nog altijd ondubbelzinnig in hun eigen imago lijken te geloven.

En hun bandje, ooit het grootste van de héééle wereld, trekt bijna dertig jaar na hun glorieperiode dus nog altijd volle stadions. Oasis-fans blijken bereid om de absolute hoofdprijs te betalen voor de gewezen vaandeldragers van de Britpop.

In 2026 verscheen de weerslag van die tournee: Oasis: Don’t Look Back In Anger.