Boom For Real: The Late Teenage Years of Jean-Michel Basquiat

Op weg naar een expositie moest je bij wijze van spreken over de lijken heen stappen. Intussen behandelde de kunst in de galerie die je daarna bezocht dan onderwerpen uit een wereld die je volledig wezensvreemd voorkwam. De politieke situatie in een Midden-Amerikaans land. Of de beslommeringen van mensen van middelbare leeftijd.

Het is een herkenbaar beeld dat één van de sprekers in Boom For Real: The Late Teenage Years Of Jean-Michel Basquiat (75 min.) oproept: de kunst van de gevestigde orde representeert op geen enkele manier meer de wereld waarin de volgende generatie leeft en jaagt daarmee automatisch een nieuwe kunststroming aan. Omdat ouwe lullen nu eenmaal weg moeten.

Deze documentaire van Sara Driver zoomt in op het New York van de jaren zeventig, dat met enorme hoeveelheden drugsgebruikers, daklozen en moorden nieuwe dimensies gaf aan het begrip stedelijk verval. De stad zou een ideale voedingsbodem blijken voor punkrock en de bakermat worden voor hiphop, met aanverwante uitingsvormen als breakdance en graffiti.

Binnen die laatste stijlvorm zou ook de neo-expressionistische kunstenaar Basquiat opkomen, dan nog als onderdeel van het duo SAMO, een verwijzing naar ‘same old shit’. Met zijn enigmatische straatpoëzie zou hij zich gaandeweg ontwikkelen tot één van de toonaangevende kunstenaars van het einde van de twintigste eeuw. Voordat heroïne hem definitief in zijn greep zou krijgen…

Deze film concentreert zich evenwel op de jaren dat Basquiat als een getalenteerde krabbelaar op zoek was naar zijn ideale uitingsvorm. Nog meer is het echter een documentaire over de underground-scene waarbinnen hij opgroeide. Filmmaker Jim Jarmusch, kunstenaar/hiphopper Fab 5 Freddy en talloze andere insiders belichten de wereld waarin zij hun stiel vonden.

De kunstenaar waaraan deze documentaire is opgehangen delft daarbij het onderspit. Jean-Michel Basquiat is na vijf kwartier nog altijd een vreemde voor de kijker. En ook zijn kunst en biotoop hebben geen nieuwe dimensie gekregen. Dat is al met al een teleurstellende conclusie. Boom For Real is daardoor vooral interessant voor mensen die sowieso al interesse hadden in de New Yorkse artscene.

Struggle: The Life And Lost Art Of Szukalski

In 1971 stuit de Amerikaanse kunstverzamelaar Glenn Bray op een expressionistische tekening van Copernicus, gemaakt door een onbekende kunstenaar waarvan hij enkele jaren eerder toevallig al eens een indrukwekkend boek heeft gekocht. Stanislav Szukalski, de naam is hem verder onbekend. De man, dik in de tachtig inmiddels, blijkt enkele kilometers verderop te wonen. Bray neemt contact op en raakt bevriend met de hoogbejaarde excentriekeling, die hij al snel begint te zien als een vergeten genie. Hij besluit ‘Stas’ te gaan filmen.

‘Szukalski was de Michelangelo van de twintigste eeuw’, zegt Ernst Fuchs, oprichter van de Weense School Van Fantastisch Realisme in Struggle: The Life And Lost Art of Szukalski (105 min.). Schrijver en uitgever George DiCaprio (ja, de vader van) noemt hem ‘de grootste autodidact van onze tijd’. En schilderes Natalia Fabia zegt: ‘Hij was een soort punkrocker die het niets kon schelen wat anderen dachten.’ In de jaren zeventig leeft deze belangrijke kunstenaar echter in totale anonimiteit in een klein huisje in Californië. Gaandeweg verzamelt zich rond hem een groepje devote kunstliefhebbers, dat zich afvraagt wat er in hemelsnaam mis is gegaan met Szukalski.

Stapsgewijs, met cliffhangers en valkuilen, doet regisseur Irek Dobrowolski uit de doeken wat er is gebeurd met de dwarse beeldhouwer, schilder en tekenaar (die er nog altijd niet voor terugdeinst om andere kunstenaars uit te maken voor ‘fartist’). In dat opzicht doet de film denken aan succesvolle documentaires als Finding Vivian Maier en Searching For Sugar Man, die een kunstenaar en zijn werk toegankelijk maken via een spannende vertelling. Bij Szukalski ligt de crux van zijn verhaal in vaderland Polen, zo betoogt historicus Timothy Snyder (On Tyranny/The Road To Unfreedom), waar de kunstenaar enkele zwarte bladzijden aan zijn oeuvre toevoegde – en waar hij tegenwoordig, in bepaalde kringen, weer opvallend populair is.

Kap Nâh!! – Het Verhaal Van Marnix Rueb

NTR

Zijn eerste Haagse Harry-tekening publiceerde Marnix Rueb in 1991 in het tijdschrift Doen, bij een artikel van zijn jongere broer Robert-Jan over Haagse dichters. Ruebs volkse ‘poëet-proleet’ Harry staat achter de microfoon op een podium en draagt voor uit eigen werk: ‘Uit me laaste bundel ut plèn bè nach: ut erotiese ve’haal “Kânkâhoeâ!”.’

Harry was het duiveltje in Marnix, zegt Jean-Marc van Tol, tekenaar van de Fokke en Sukke-strip in de documentaire Kap Nâh!! – Het Verhaal Van Marnix Rueb (60 min.) van Bart Grimbergen en Roel Wijngaards-de Meij. De Hagenees met die mat in zijn nek en zijn eeuwige campingsmoking past perfect in de prachtige Haagse traditie van Jacobse en Van EsHarrie ‘O, O, Den Haag’ Klorkestein enne… Henk Bres (al is dat geen typetje; niet bewust, tenminste).

De man achter Haagse Harry was echter bepaald geen Hagenees, maar een echte Hagenaar. Als zoon van een kinderrechter groeide hij op in een bevoorrecht milieu. Zonder moeder, dat wel. Zij overleed toen hij nog een kind was. En dan was er nog die persoonlijke tragiek die hem als persoon heeft gevormd. Misvormd, aldus zijn vriend Sjaak Bral (een typetje overigens van Marcel van der Heijden). Marnix Rueb, een echte binnenvetter, sprak er nooit over. Beter: bijna nooit.

Via gesprekken met Ruebs broers, weduwe, beste vriend en dochter vertelt dit vlotte portret het levensverhaal van de in 2014 overleden striptekenaar. Dat is ook meteen het nadeel van de film: veel pratende hoofden en erg anekdotisch. Filmisch blijft deze biografie een beetje achter, al werken de archiefbeelden van gewone mensen, Hagenezen en Hagenaars, die hardop voorlezen uit de strips erg aanstekelijk en is de scène waarin Rueb kort voor zijn dood meezingt bij een concert van zijn idool Bruce Springsteen zeer ontroerend.

Kap Nâh!! wordt nooit meer dan een typisch televisieportret, maar is daarom niet minder vermakelijk. ‘Vestaat u mèn?!’, zou Harry zelluf zeggen. Met opgestoken middelvinger, natuurlijk.