Les Enfants Du Borinage – Lettre À Henri Storck

Patric Jean / RTBF

De meeste bewoners van de Borinage willen me niet te woord staan, schrijft de Belgische filmmaker Patric Jean in Les Enfants Du Borinage – Lettre À Henri Storck (53 min.) aan zijn illustere voorganger, die een kleine zeventig jaar eerder het leven filmde in de Waalse mijnstreek, waar hij zelf opgroeide. Want uiteindelijk, constateert Jean somber, gaan de verachten ook zichzelf verachten. 

In 1933, toen De Grote Depressie ook ongenadig huishield in Wallonië, maakte Henri Storck samen met de Nederlandse cineast Joris Ivens de klassieke stomme film Misère Au Borinage, een vlammend pamflet tegen de beroerde leefomstandigheden van de arbeiders in de steenkoolmijnen. Na een staking in 1932 werd menige werkeman ontslagen en met z’n gezin het huis uitgezet en tot de bedelstaf veroordeeld.

Jeans hommage uit 1999, het jaar waarin Storck op 92-jarige leeftijd overleed, schetst een al even desolaat portret van hun ‘erfgenamen’. Het is een verhaal dat thuis hoort in een andere eeuw – al speelt het zich slechts een kleine dertig jaar geleden af, in het laatste jaar van de twintigste eeuw. Over mensen die nog altijd onder erbarmelijke omstandigheden leven. Sinds Storck er filmde, lijkt er weinig veranderd in de Borinage.

Na de sluiting van de mijnen kunnen armoede, werkeloosheid en analfabetisme als vanouds welig te tieren in de grauwe regio. In hun krotwoningen, geplaagd door tocht en vocht, lijken veel Borains te berusten in hun lot. Voor hen is het vanzelfsprekend dat er geen geld is voor een geschikt huis, gezonde voeding of een tandartsbezoek. Hun tristesse en wanhoop lijken volledig verinnerlijkt, onderdeel geworden van wie ze zijn.

Emile, een strijdbare oudere man, leidt Patric Jean naar het huis van een moeder met vier jonge kinderen. Zowel het dak als de ruiten zijn kapot. Een toilet of verwarming is er niet. De vrouw doet niet open. ‘Mama is heel bang’ roepen haar kinderen door het raam. In een ander verkrot huis vertelt een vrouw, te midden van haar gezin, over hoe haar dochter uit huis werd geplaatst en tussen mensen met een beperking terecht kwam.

Het zijn troosteloze verhalen, vanuit een verweesde onderklasse. Van mensen die zich zelf niet kunnen of willen redden en die vast ook moeilijk zijn te helpen. Vroeger moet het ooit – ooit! – beter zijn geweest, maar dat is nergens meer aan af te zien. Kijk naar de kermis, waar vroeger de gehele gemeenschap was te vinden. Nu zwieren er alleen enkele, ogenschijnlijk starnakel dronken, figuren rond op een vrijwel leeg plein.

Wat zou er van deze mensen, hun kinderen en de dorpen waarin ze woonden zijn geworden? vraag je je onwillekeurig af. Zou Patric Jean, een kleine dertig jaar later, niet eens opnieuw de proef op de som moeten nemen in de Borinage? Wat heeft de eenentwintigste eeuw hen tot dusver gebracht?

The Big Conn

Apple TV+

Zou het hartveroverende personage Saul Goodman, de lekker louche advocaat uit de gelauwerde series Breaking Bad en Better Call Saul, misschien geënt zijn op Eric C. Conn? De advocaat uit Pikeville, Oost-Kentucky, oogt net zo goedkoop, houdt er al even dubieuze methoden op na en schaamt zich ook niet voor een Goodman-achtige commercial, compleet met country- of rapsongs, koddige dansjes en bevallige dames, onder wie de bekende pornoster Raven Riley. En Conn laat rustig, dat ook, een standbeeld van Abraham Lincoln, à 400.000 dollar, bij zijn privéparkeerplaats plaatsen.

In de mijnstreek heeft ‘Mr. Social Security’, een ‘Appalachian’ kruising tussen Robin Hood en Rudy Giuliani, aan het begin van deze eeuw een uitkeringsfraude van ruim een half miljard opgezet. Bijna honderd procent van de aanvragen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering die hij indiende namens zijn cliënten, doorgaans slecht opgeleide en al enige tijd werkeloze werkemensen, werden toegewezen door één en dezelfde rechter: David Daugherty uit Huntington, West-Virginia. En daarvan kreeg de doorgewinterde – opgelet! – Connman dan weer een heel fijn percentage, dat werd geïnvesteerd in zo ongeveer een week vakantie per maand.

The Big Conn (232 min.), de vierdelige serie van James Lee Hernandez en Brian Lazarte (McMillions) over die kwestie, profiteert intussen van een heuse sterrencast: via passages uit zijn ongepubliceerde autobiografie, ingesproken door Boyd Holbrook, wordt de Conn-artiest zelf opgevoerd. Hij zal ook nog op andere manieren van zich laten horen. Daarnaast is er bijvoorbeeld Mason Tackett, een lochte hillbilly-variant op Eminem. Jennifer Griffith en Sarah Carver, klokkenluiders bij de Sociale Zekerheidsadministratie, fungeren als de tweekoppige Erin Brockovich, terwijl Damian Paletta, de Woodward & Bernstein voor hetzelfde geld van The Wall Street Journal, de zwendel uiteindelijk publiek maakt.

In de handen van Hernandez en Lazarte, die hun sappige schelmenverhaal opleuken met erg dik aangezette reconstructiescènes, losse humor en ludieke muziekjes (waaronder de kraker Little Green Bag van George Baker, dat sinds Quentin Tarantino’s Reservoir Dogs toch echt als een afgelikte boterham geldt), wordt Conn een nóg larger than larger than life-personage. Hoe vaak hij is getrouwd, daarover verschillen bijvoorbeeld de meningen. Ergens tussen de zes en veertig keer. ‘De vent heeft gewoon geen moreel kompas’, stelt Conns goedlachse advocaat Scott White. ‘Je kunt een slang niet verwijten dat ie zich als een slang gedraagt.’

Te midden van Conns kolder dreigt de achterliggende problematiek – van de gewone mensen met een haperend lichaam, die zich ook bij Kentucky’s eigen Goodman hebben gemeld – verloren te gaan. Want als de Amerikaanse overheid begint terug te slaan en toegekende uitkeringen ineens stopzet, worden zij geacht om de klappen op te vangen. Als deze kwetsbare Amerikanen in aflevering drie letterlijk in beeld komen, verandert deze miniserie even rigoureus van toon. Die plotselinge aandacht voor Conns slachtoffers blijft alleen een beetje een fremdkörper. Al snel vervolgt The Big Conn z’n weg weer als het type vermakelijke real life-misdaadkomedie, dat tegenwoordig per strekkende meter wordt afgeleverd.