Fabrizio Corona: Io Sono Notizia

Netflix

Als vrijwel geen ander belichaamt hij het hedendaagse Italië. Fabrizio Corona speelde ruim vijftien jaar geleden al een belangrijke bijrol in Erik Gandini’s documentaire Videocracy (2009), een ontluisterend portret van Silvio Berlusconi’s Italië, en is nu klaar voor zijn eigen (bull)shitshow: Fabrizio Corona: Io Sono Notizia (internationale titel: The Paparazzi King, 270 min.).

Corona is een man van totale schaamteloosheid. Hij kent, werkelijk waar, geen enkele gêne. Welke pijnlijke episode uit zijn leven ook de revue passeert in deze vijfdelige documentaireserie van Massimo Cappello – zijn chantagepogingen, ontsnapping of detentie – de ultieme ‘bad boy’ maakt er een sterk verhaal van. Waar hij natuurlijk als winnaar uitkomt – of op z’n minst met zijn zakken flink gevuld. Want Fabrizio is volledig geobsedeerd door seks, status én geld. Anderen zijn voor deze ‘profeet van het niets’ nooit een doel, aldus de Italiaanse schrijver Enrico dal Buono, maar een middel om te krijgen wat hij wil.

Fabrizio Corona’s verdienmodel is even geslepen als verdorven. Hij stuurt een netwerk van paparazzi-fotografen aan, die compromitterende foto’s van de Italiaanse ‘rich & famous’ maken. Die biedt Corona vervolgens aan bij de slachtoffers, zodat ze nooit worden gepubliceerd. Afpersing noemen ze dat ook wel in de gewone mensenwereld. En met hetzelfde gemak speelt hij dubbelspel. Zo laat ie bijvoorbeeld in het ene roddelblad foto’s van een buitenechtelijke affaire lekken, die door de maîtresse in kwestie dan bij de concurrent wordt ontkend. En overal wordt er grof geld verdiend. Tenminste, dat zegt hij…

Op een leugentje meer of meer kijkt Corona echter niet – ook niet in deze ‘autofictie’, waarin ook televisieproducent Lele Mora, eveneens prominent aanwezig in Videocracy, weer de show probeert te stelen als zijn beschermheilige. In een wereld waarin niets heilig is, welteverstaan. Op Lele’s feesten laten Italië’s sterren, fotomodellen en profiteurs zich graag zien en kan de foute playboy Corona, op wie Mora niet al te stiekem verkikkerd is, z’n modus operandi verfijnen. Als ‘meester in het ontdekken van lijken in de kast’ is ie maar van één man écht onder de indruk: Silvio Berlusconi. Net een stripfiguur. Met zelfs een eigen sarcofaag!

De gevolgen van Corona’s immorele acties blijven, te midden van alle ‘mooie’ verhalen, grotendeels buiten beeld in deze gelikte miniserie. Natuurlijk, zelfs Fabrizio’s eigen moeder Gabriella Previtera maakt er geen geheim van dat hij bepaald geen koorknaap is. De echte ellende blijft echter beperkt tot het relaas van zijn ex-vrouw, het voormalige Kroatische topmodel Nina Morić. Hij dwingt haar bijvoorbeeld tot abortus, maar geeft de kinderen vervolgens wel een naam. En zonder dat zij ervan weet, huurt manlief de paparazzifotograaf Maurizio Sorge in om smeuïge foto’s te maken van het consumeren van hun huwelijksreis. 

Hoewel Fabrizio Corona: Io Sono Notizia alle slinkse trucs, controverses en misstappen van de ‘charmante’ chanteur belicht, krijgt hij in deze erg lijvige miniserie tegelijkertijd alle ruimte om de übercoole foute kerel uit te hangen. Cappello geeft hem de kans om zich te verlustigen in zijn eigen schelmenstreken en benadrukt die nog eens met volvet nagespeelde scènes en ironische entre nous. Een parasitaire influencer avant la lettre, een ‘Berlusconist’ die allerlei ethische vragen oproept, wordt zo ongegeneerd op het schild gehesen als een held van onze tijd, van een wereld waarin roem álles is en slechte publiciteit blijkbaar écht niet bestaat.

Black And White Stripes: The Juventus Story

Cargo

De Agnelli’s, die fortuin hebben gemaakt met Fiat-auto’s, houden er sinds 1923 nog een familiebedrijf op na: Juventus. De voetbalclub uit Turijn wordt nu al zo’n honderd jaar doorgegeven van de ene op de andere generatie. Spelers als Alessandro Del Piero, Pavel Nedved, Gianluigi Buffon, Andrea Pirlo en Giorgio Chiellini en de succescoaches Giovanni Trapattoni, Marcello Lippi en Fabio Capello zijn uiteindelijk niet meer dan voetnoten in hun familieverhaal.

En dat is precies het probleem van Black And White Stripes: The Juventus Story (107 min.), een film die van voetbal nooit meer maakt dan de belangrijkste bijzaak van de wereld. Het speeltje van een puissant rijke familie die de aanvallen op hun status van andere alfamannetjes, van Silvio Berlusconi’s AC Milan en het Inter Milan van oliebaron Massimo Moratti bijvoorbeeld, probeert af te slaan. De als verteller ingehuurde Amerikaanse acteur F. Murray Abraham praat de eindeloze rij successen van ‘Juve’, voor de vorm ook eens afgewisseld met een enkele deceptie, geroutineerd aan elkaar. ‘De titel afpakken van Inter in de laatste minuut?’ constateert hij bij de apotheose van alweer een seizoen. ‘Adembenemend.’ Het is dat ie ‘t erbij zegt. Want de dramatiek van de onverwachte wending is volledig verloren gegaan, gesmoord in een overdaad aan clichématige en overbodige woorden.

Deze ode aan ‘De Oude Dame’ van Marco en Mauro La Villa start in 1982, als Juventus een tweede gouden ster, de beloning voor twintig landskampioenschappen, aan z’n iconische zwart-wit gestreepte shirt wil toevoegen. In de beslissende wedstrijd komt de verantwoordelijkheid daarvoor op de schouders te liggen van Liam Brady. De Ierse spelmaker, die net te horen heeft gekregen dat hij wordt vervangen door de Franse wereldster Michel Platini, gaat de penalty nemen die voor Juve’s twintigste ‘scudetto’ moet zorgen. Hij scoort. Euforie. Vrijwel tegelijkertijd stelt een nieuwe generatie van de Agnelli-clan zich echter alweer ten doel om eerder een derde gouden ster te krijgen dan Inter en AC Milan hun tweede. Waarna de strijd om het Italiaanse kampioenschap elk jaar nog eens dunnetjes wordt overgedaan. Met nieuwe helden, een andere coach en om de zoveel tijd de volgende Agnelli.

Dat dertigste kampioenschap is ook het richtpunt voor deze eikenhouten sportfilm uit 2016, die wel erg vaak op foto’s moet teruggrijpen omdat bewegende (wedstrijd)beelden blijkbaar niet konden of mochten worden gebruikt. Onderweg krijgt de Agnelli-dynastie nog met een onverwachte hindernis te maken. In 2006 wordt de clubleiding beschuldigd van matchfixing. Juventus moet twee landstitels weer inleveren en wordt teruggezet naar de Serie B. Het zal uiteindelijk niet meer dan een hobbel op de weg naar (nog meer) succes blijken, die in Black And White Stripes, met behulp van een flink aantal topspelers en een Agnelli hier en daar, tamelijk plichtmatig wordt afgelopen. Intussen dreigt de belangrijkste bijzaak van de wereld een tamelijk bloedeloos tijdverdrijf te worden.

Super League: The War For Football

Apple TV+

Europese voetbalgrootmachten kunnen het zich eigenlijk niet meer permitteren om te verliezen. De financiële huishouding van topclubs zoals Real Madrid, Manchester City en Juventus is gebaseerd op zoveel vaste inkomsten dat ze een verplicht aantal topwedstrijden per jaar moeten spelen. In de Champions League kan het echter nog steeds gebeuren, al lijkt alles erop gericht om de kans daarop te minimaliseren, dat een potentiële winnaar voortijdig strandt tegen een kleinere club.

Om elke vorm van toeval of risico voortaan helemaal uit te sluiten, ontwikkelt een select gezelschap topclubs in 2020 een geheim plan voor een eigen competitie, die alleen toegankelijk is voor de allerrijksten (en dus: allerbesten): de Super League. Dat is tegen het zere been van zo’n beetje elke andere Europese club en de organisator van de Champions League, de UEFA. ‘Een fluim in het gezicht van iedereen die van voetbal houdt en van onze samenleving’, noemt Aleksander Ceferin, de Sloveense voorzitter van de Europese voetbalbond, het idee zelfs. Hij slaat een opmerkelijk populistische toon aan, die toch echt op gespannen voet staat met de staat van dienst van zijn eigen organisatie. ‘Wij zullen niet toestaan dat ze het voetbal van ons afpakken.’ 

Daarmee speelt Ceferin, slim dan wel oprecht, in op het sentiment van gewone voetballiefhebbers: dat het internationale voetbal steeds meer doorgestoken kaart wordt, waarbij de rijke clubs zich niets aan de anderen gelegen laten liggen en zo de volkssport voetbal wel eens de doodssteek zouden kunnen toebrengen. Aleksander Ceferin voelt zich in het bijzonder verraden door Juventus-voorzitter Andrea Agnelli. De man die hij beschouwde als een persoonlijke vriend heeft achter zijn rug geprobeerd om het hart uit de UEFA te snijden. En de Italiaan en zijn medestanders zijn dan weer van mening dat de voetbalbond een ideale kans laat lopen om het voetbal, dat volgens hen minder populair aan het worden is, grondig te vernieuwen.

Juist daar zit ook de kracht van de vierdelige serie Super League: The War For Football (232 min.), van Jeff Zimbalist (Favela RisingThe Two Escobars en The Line). De verschillende hoofdrolspelers komen hoogstpersoonlijk aan het woord en krijgen de ruimte om hun gezichtspunt over het voetlicht te brengen. Daarmee kan de miniserie – die is opgebouwd rond de ontwikkelingen tijdens vier turbulente dagen in april 2021, waarop het idee van de Super League uitlekte en vervolgens in het gezicht van de bedenkers ontplofte – bijna doorgaan voor een sportvariant op een productie van Brook Lapping, het Britse productiehuis dat zich profileert met documentaires over grote geopolitieke onderwerpen en daarbij de machthebbers zelf aan het woord laat.

Zimbalist heeft zowel de voorzitters van Real Madrid, Juventus en Barcelona als hun tegenpolen bij de UEFA, de Spaanse voetbalbond La Liga en clubs als Paris Saint-Germain, Bayern München en Ajax voor de camera gekregen. Samen met kritische volgers van het internationale voetbal en vertegenwoordigers van supporters geven zij inzicht in een keiharde business, waarbinnen ‘sugar daddy’s’, kiene ondernemers en dubieuze staten zich hebben opgeworpen als de nieuwe eigenaars van clubs die ooit van gewone voetballiefhebbers waren. Een wereld ook waarin de sport zelf nauwelijks ter zake lijkt te doen en werkelijk alle bestuurders, die van de UEFA en de wereldvoetbalbond FIFA beslist niet uitgezonderd, een berg boter op het hoofd hebben.

Dat is intrigerende materie: een soort Succession of House Of Cards binnen de voetballerij, waarbij ongegeneerde machtspolitiek, überkapitalisme en broedermoord – allemaal in het belang van de sport natuurlijk – voor allerlei enerverende verwikkelingen zorgen. Zimbalist bouwt daarmee een scherpe, kek vormgegeven en meeslepende vertelling, waarin de strijd om de Super League werkt als een breekijzer om de deur naar de bestuurskamer van de internationale voetballerij open te wrikken. Daar wikt en beschikt een op zichzelf betrokken herensociëteit over de toekomst van de sport die zichzelf nog altijd wijsmaakt dat ze van het gewone volk is.