Poldi

Netflix

Bij de meeste voetbaldocu’s gaat tachtig procent over de carrière van de hoofdpersoon en slechts twintig over zijn privéleven. De Duitse aanvaller Lukas Podolski, die maar liefst 130 keer uitkwam voor ‘Die Mannschaft’, zou dat in ‘zijn’ documentaire graag omdraaien. Terwijl hij op z’n veertigste bezig is aan zijn ‘vermoedelijk laatste seizoen’ als speler van de Poolse club Górnik Zabrze, maakt de zakenman Podolski bijvoorbeeld al overuren. In een sportwinkel overlegt hij met enkele medewerkers over een ‘goodbye collection’, om zijn pensionering als voetballer ook te gelde te maken. Één van de anderen stelt een LD-tuinkabouter voor. Poldi (94 min.) twijfelt. Iedereen heeft al een tuinkabouter. ‘Klopt’, antwoordt één van de anderen. ‘Maar niet eentje die op jou lijkt.’

Daarmee is de toon gezet voor een voetbalportret dat vooral geen routineuze sportdocu mag worden. Natuurlijk komt Podolski’s loopbaan, die hem langs clubs als FC Köln, Bayern München, Arsenal, Inter Milan en Galatasaray heeft geleid, aan de orde in deze film van Nicolas Berse-Gilles, Simone Schillinger en Kai Sehr, maar, ondanks de bijdrage van Duitse kopstukken zoals Joachim Löw, Oliver Kahn, Toni Kroos, Thomas Müller en Bastian Schweinsteiger, gebeurt dit met mate. De nadruk ligt meer op de man dan op de voetballer. In 1987 verkaste die als peuter met zijn hele familie, stuk voor stuk ‘positiv verrückt’ aldus Podolski, van Polen naar Duitsland. Als kind van een migrantengezin werd ‘geen woorden maar daden’ zijn levensfilosofie. Ofwel: wer schläft verliert.

Samen met zijn vrouw, zoon, ouders, zus, tantes en oma laat hij zijn achtergrond, jeugd, gezinsleven, zakelijke carrière én voetbalbestaan de revue passeren. Dat gebeurt open, nuchter en met veel humor. Als ze zijn aanbeland bij Podolski’s periode in Londen, snijden de filmmakers bijvoorbeeld een pijnpuntje aan: ‘We hebben beelden van Arsenal die we graag zouden gebruiken. Ze vragen daar [****] euro voor.’ Poldi vertrekt geen spier. ‘Dat gaat dan ten koste van je budget’, antwoordt hij grinnikend en loopt vervolgens alle leden van de filmcrew na. ‘Als iedereen [****] lapt, dan is het voor de bakker.’ Daarna verschijnt er een tekst in beeld: ‘Het geld werd niet ingezameld. Vandaar alleen een foto.’ Van Lukas Podolski, glunderend in een Arsenal-shirt. Hij heeft vermoedelijk net gescoord.

Zo nemen Berge-Gilles, Schillinger en Podolski in deze zeer vermakelijke documentaire behalve zichzelf ook consequent de dertien-in-een-dozijn sportfilm op de hak. Waarbij ze zich, helemaal aan het eind, zelfs nog bezondigen aan een kostelijk staaltje geschiedvervalsing en de hoofdpersoon Duitsland hoogstpersoonlijk naar de wereldtitel laten schieten.

Stasi FC

Sky

De hegemonie van Dynamo Dresden is Erich Mielke al enige tijd een doorn in het oog. De beruchte baas van de Stasi, de alomtegenwoordige inlichtingendienst van de Duitse Democratische Republiek (DDR), loopt in december 1978 hoogstpersoonlijk de kleedkamer van de grote concurrent binnen. Hij heeft een heldere boodschap: jullie hebben met Dresden je jaren aan de top van de Oberliga nu wel gehad, het is tijd voor een andere kampioen: de Berliner Dynamo FC (BFC), een echte Stasi-club.

Erich Mielke geldt als een cruciale figuur in Oost-Duitsland (1949-1990), de communistische heilstaat die na de Tweede Wereldoorlog is ontstaan.  De ene helft van de bevolking rapporteert er als informant aan zijn almachtige veiligheidsdienst over de andere helft – en andersom. Zoals ’t een man met enorme geldingsdrang betaamt, wil Mielke die totale dominantie – net als bijvoorbeeld Silvio BerlusconiPablo Escobar en Benjamin Netanyahu – ook uitdrukken via een succesvolle voetbalclub.

In de boeiende historische documentaire Stasi FC (87 min.) ontleden Daniel GordonArne Birkenstock en Zakaria Rahmani hoe sport in de DDR zo, in de laatste fase van de Koude Oorlog, schaamteloos wordt ingezet voor politieke doeleinden en macht intussen wordt gebruikt om sportieve successen te behalen. Terwijl Dynamo Berlin de kampioenschappen aaneenrijgt in de jaren tachtig – waarbij Mielkes team de scheidsrechters, zacht gezegd, niet tegen heeft – wordt de sportieve concurrentie doelbewust verzwakt.

Exemplarisch is het tragische relaas van Gerd Weber. De middenvelder van BFC’s grote concurrent Dynamo Dresden wordt in 1981 bij een uitwedstrijd in Enschede benaderd of hij samen met twee medespelers wil overlopen naar het westen. Ze bieden hen een contract aan in West-Duitsland, bij FC Köln. De mannen die hem proberen te verleiden tot een overstap blijken in werkelijkheid Stasi-medewerkers te zijn. Weber wordt opgepakt en bestempeld tot verrader. Hij is pas 25, maar zijn voetbalcarrière zit er al op.

Andere spelers die een poging wagen om achter het IJzeren Gordijn vandaan te komen, zoals de BFS-spelers Falko Götz en Dirk Schlegel, worden tot staatsvijand verklaard en op alle mogelijke manieren in verlegenheid gebracht. Het zijn tragische verhalen die eerder al hun weg hebben gevonden naar het boek The People’s Game van de Britse historicus Alan McDougall. Hij plaatst, net als oud-Stasi medewerker Harald Wittstock, alle persoonlijke verwikkelingen nog eens in hun maatschappelijke context.

Terwijl Dynamo Berlin ondertussen met elk volgend kampioenschap meer wordt gehaat, als sportieve representant van een gevreesde politiestaat, dreigt het Oostblok zelf, de alliantie van communistische landen waarvan de DDR deel uitmaakt, ook uit elkaar te vallen. En als de Muur in 1989 daadwerkelijk valt en Oost- en West-Duitsland na verloop van tijd weer worden herenigd, dringt bij al die voetballers pas echt door hoe lang de arm van de Stasi, die staat in een staat, eigenlijk was: tot diep in de kleedkamer.

Stasi FC toont zo wederom aan dat sport een perfecte arena vormt voor het vertellen van een groot maatschappelijk verhaal en de bijbehorende kleine menselijke verhalen.