Ik Deed Aangifte Tegen De Minister Van Onderwijs

VPRO

‘Op de middelbare school kwam ik er pas achter wat een homo is’, vertelt Maarten. ‘En dat ik dat dan had.’ Interviewster Yora Rienstra kan haar oren bijna niet geloven. ‘Hád?’ De domineeszoon moet er zelf om lachen. ‘Ja, die geaardheid.’ Yora bijt door: ‘Dat klinkt alsof je een ziekte had? Voelde dat zo?’ Maarten: ‘Ik denk het wel. Mijn hele middelbare schoolperiode was ik een soort van aan het bewijzen dat ik het niet was.’

Maartens ouders vertellen dat ze het heel erg verdrietig vinden dat hun zoon zo lang met zijn seksualiteit heeft geworsteld. Tegelijkertijd vinden zij die ook niet gemakkelijk. Hun hele omgeving wijst zijn geaardheid, met de bijbel in de hand, categorisch af. En dat is precies het terrein dat Rienstra, die zelf op vrouwen valt, met de tv-docu Ik Deed Aangifte Tegen De Minister Van Onderwijs (51 min.) in kaart wil brengen. De film is een vervolg op, inderdaad, de aangifte die zij eind vorig jaar deed tegen minister Arie Slob (ChristenUnie). Hij had gezegd dat reformatorische scholen homoseksualiteit mogen afkeuren zolang ze maar zorgen voor een veilig leerklimaat. En toen kwam de stoom dus uit haar oren.

Niet alle gelovige gays zitten overigens te wachten op zo’n aangifte, van een theatermaakster uit Amsterdam nota bene. Helpt die jonge homo’s en lesbiennes in een christelijke omgeving werkelijk verder? Nadat Yora Rienstra haar oor bij hen te luister heeft gelegd, besluit ze ook in gesprek te gaan met vertegenwoordigers van religieuze scholen. Daar vindt ze uiteindelijk een gewilliger oor dan ze had verwacht, al wordt ook meteen duidelijk dat het in deze kwestie spitsroeden lopen blijft voor zowel christenhomo’s als hun gemeenschap.

Ik Deed Aangifte Tegen De Minister Van Onderwijs geeft zo ruimte aan de verschillende gezichtspunten over homo’s en religie en is daardoor uiteindelijk beduidend minder scherp – of: genuanceerder – dan de titel wellicht doet vermoeden.

My Gay Life

Channel 4

Het duurde tien jaar voordat Rob en Dee zwanger waren. Er kwamen IVF en een spermadonor aan te pas. En toen had het Britse stel zowaar een zoon: Billy. Die kwam al op zevenjarige leeftijd uit de kast. Moeder heeft daar geen moeite mee, maar vader kan het nauwelijks geloven. ‘Volgens mij is hij niet gay’, meent Rob. ‘Dat kun je pas beslissen als je zestien of zeventien bent.’ Billy riposteert: ‘Hij denkt dat ik het zeg om hem op de kast te jagen.’

En zo staan de pionnen op het bord voor My Gay Life (47 min.), een jeugddocu waarvoor Billy van zijn elfde tot en met zijn achttiende zijn eigen leven filmde. Een periode waarin hij ook op gezette tijden werd geïnterviewd door de filmmakers Mel Beer en Tim Froggat. Het zijn jaren waarin het de tiener in eerste instantie voor de wind lijkt te gaan. Alleen Rob ligt dwars, vinden zijn vrouw en zoon. ‘Ik kan nu volmondig beamen dat m’n vader een enorme eikel is’, vertelt Billy zonder omhaal van woorden aan zijn dagboekcamera.

Terwijl de jongen zich overgeeft aan zijn stoutste dromen, blijft de relatie met zijn vader precair. Bovendien krijgt Billy’s moeder een fikse tegenslag te verwerken. Dan wordt het filmen zelfs even stopgezet. Pas enige tijd later hervat Billy het documenteren van zijn eigen leven voor wat uiteindelijk een vlotte coming of age-docu is geworden. Die graaft niet al te diep, belicht vooral Billy’s eigen perspectief en doet daardoor Rob als bezorgde vader niet altijd evenveel recht, maar brengt wel aardig de ontwikkeling van een zoekende homoseksuele jongen in beeld.

Die verlaat zich daarbij consequent op een motto dat hij heeft ontleend aan zijn grote idool, Lady Gaga: ‘Don’t you ever let a soul in the world tell you you can’t be exactly who you are.’ Waarvan akte.

Blitzed!: The 80’s Blitz Kids Story

Op de schouders van de gigant David Bowie, als directe reactie op de eerste punkgolf en snakkend naar een eigen signatuur vond een nieuwe generatie Britse jongeren eind jaren zeventig een thuisbasis in de Londense club The Blitz. Daar ontstond een Europese evenknie van het Amerikaanse Studio 54, waar zich een frisse incrowd van kunstenaars, modeontwerpers en muzikanten vormde. De zogenaamde ‘new romantics’. Ze waren arrogant, extravagant en genderfluïde.

Onder deze Blitz Kids – type kijken en bekeken worden – bevonden zich toekomstige pophelden als Boy George (Culture Club), Gary Kemp (Spandau Ballet) en Midge Ure (Ultravox) en de messcherpe modeontwerpers Michele Clapton, Fiona Dealey en Stephen Jones. Die willen in deze joyeuze documentaire van Bruce Ashley en Michael Donald natuurlijk maar al te graag vertellen over de tijd dat zij tot ‘the happy few’ behoorden en een geheel eigen stijl – op het snijpunt van pop, mode en kunst – begonnen uit te dragen. Ze realiseerden zich vrijwel direct: ‘Dit is mijn stam.’

Gezamenlijk hebben zij, constateren ze nu in het sjiek uitgevoerde Blitzed!: The 80’s Blitz Kids Story (90 min.), ook het pad geëffend voor mannen en vrouwen die zich buiten de voor hun gender en geslacht gebaande paden wilden wagen. Van outcast kon je wel degelijk incrowd worden. En tussendoor kwam – om de cirkel helemaal rond te maken – zowaar hun grote inspirator Bowie nog op bezoek in de glamoureuze club van het illustere duo Rusty Egan en Steve Strange. Hij vroeg enkele sleutelfiguren uit de scene bovendien om de videoclip voor zijn hitsingle Ashes To Ashes op te fleuren.

Dat is een mooi verhaal uit de oude doos, waaruit ook de ‘new romantics’ tegenwoordig met liefde en plezier putten. Ze zijn natuurlijk allang ‘old romantics’ geworden. Bevangen door de nostalgie over hun jeugd die ons allemaal ooit overvalt.

I, Sniper

Vice

‘Je hebt het gevoel dat je de families in de steek hebt gelaten.’ Steve Bailey veegt zijn tranen weg. De Amerikaanse agent heeft destijds de auto van het tweetal, met de spotter achter het stuur en zijn scherpschutter in de achterbak, staande gehouden, maar had niet door wie hij voor zich had. Uiteindelijk liet hij ze toch weer verder rijden. ‘We hadden ze’, constateert Bailey geëmotioneerd. ‘Mijn fout.’

De volstrekte willekeur van de moorden maakte het een stuk lastiger om hen in de kraag te grijpen. Natuurlijk, ze hadden een motief. Vooral hij, de 41-jarige Golfoorlog-veteraan John Muhammad. Lee Malvo, de Jamaicaanse tiener die daadwerkelijk de trekker overhaalde, was niet meer dan een werktuig. De dodelijke slachtoffers die ze samen maakten hadden feitelijk maar één ding gemeen: ze waren op het verkeerde moment op de verkeerde plek.

In het najaar van 2002, ruim een jaar na de aanslagen van 11 september 2001 en enkele maanden voor de Amerikaanse inval in Irak, begon het duivelse duo aan zijn beulswerk. Ze zouden uiteindelijk een hele serie dodelijke slachtoffers maken in de omgeving van Washington. Gewone, volstrekt onschuldige mensen. Op laffe wijze afgemaakt. Tankend bij het benzinestation. Zittend voor hun eigen huis. Of rustig het gras maaiend. Vermoord omdat Muhammad zijn woede op de wereld moest koelen en de outcast Malvo als was in diens handen was.

Vanuit de Red Onion State Prison te Virginia doet die laatste nu, via gesprekken met de gevangenistelefoon van maximaal een kwartier, zijn relaas in I, Sniper (308 min.). Daartegenover staan de huiveringwekkende verhalen van overlevenden, nabestaanden en politiemensen die jacht op hen maakten. De filmmakers, onder leiding van regisseur Ursula MacFarlane, hebben zich bovendien toegang verschaft tot ex-geliefden, familieleden en vrienden van het moordduo. Zij kunnen van binnenuit hun totale ontsporing duiden.

Deze achtdelige documentaireserie schetst hoe de terreurcampagne van Muhammad en Malvo huishoudt in de betrokken gemeenschap. Er ontstaat bijvoorbeeld een massale klopjacht op een man uit het Midden-Oosten en een kleine witte truck, terwijl de verdachten in werkelijkheid zwart waren en rondreden in een donkere Chevrolet Caprice. Schietend, welteverstaan. Alsof ze op een militaire missie waren. Maar tegen wie of wat? En hoe zijn ze gekomen tot hun ogenschijnlijk willekeurige wraakactie? Is er een levenspad denkbaar dat op een logische manier naar dit soort blinde woede leidt?

I, Sniper is groots aangepakt, dramatisch getoonzet en meeslepend gemonteerd. Een tragische geschiedenis die zich stap voor stap ontvouwt, steeds spannender wordt en onderweg ook aan diepte en betekenis wint. Totdat het drama in zijn volledige omvang zichtbaar is geworden. Geen gemakzuchtige trashy true crime dus, maar een gelaagd psychologisch portret van een jeugdige scherpschutter, diens getormenteerde leermeester en de wereld die zij ongenadig opschudden, met talloze verwoeste levens tot gevolg. Een vrijwel vergeten schokgolf die een kleine twintig jaar later hier en daar nog altijd nadreunt.

Pride

Disney +

Vóór de Stonewall-rellen, die in 1969 de Amerikaanse LGBTQ-beweging zouden aanjagen, bestonden er natuurlijk ook al homoseksuelen en lesbiennes in de Verenigde Staten. En die leefden soms een beter leven dan je nu zou denken, betogen enkele sprekers in de eerste aflevering van de zesdelige serie Pride (247 min.). De films van Hal O’Neal van halverwege de twintigste eeuw, waarin halfnaakte mannen frank en vrij met elkaar lijken om te gaan, leveren het bijbehorende bewijsmateriaal.

Open konden ze daar natuurlijk niet over zijn. Homoseksualiteit moest met alle mogelijke middelen worden afgeschermd van de buitenwereld. Anders kon het slecht met je aflopen. Of met je directe omgeving. Dat wordt op een bijzonder pijnlijke manier duidelijk in diezelfde eerste episode, als de Democratische senator Lester Hunt in 1954 een einde aan zijn leven maakt. Zijn Republikeinse collega Joe McCarthy, de man ook achter de genadeloze heksenjacht op communisten, is erachter gekomen dat Hunts zoon is gearresteerd vanwege onzedelijke handelingen met een andere man.

Het is één van de ‘vergeten’ verhalen in deze oerdegelijke serie, de Amerikaanse tegenhanger van Michiel van Erps De Roze Revolutie, die de LGBTQ-emancipatiestrijd van de afgelopen eeuw belicht met centrale spelers en een karrenvracht aan fraai archiefmateriaal. Daarbij komen natuurlijk bekende thema’s aan de orde, zoals de epische strijd met religieus rechts over Proposition 6 (waarmee homo’s uit het onderwijs moesten worden geweerd), het verpletterende AIDS-drama in de jaren tachtig en de cultuuroorlog van de nineties die uiteindelijk zou uitmonden in het homohuwelijk.

Het interessantst wordt Pride evenwel als de reeks minder bekende afslagen neemt: de verhouding van LGBTQ-activisten tot de burgerrechtenbeweging, het ontstaan van de drag- en ballroomscene of de strubbelingen van lesbiennes met sommige feministen, die hen als een bedreiging zagen voor hun eigen imago, de zogenaamde Lavender Menace. Deze grote maatschappelijke verhalen worden gestut met kleine menselijke getuigenissen. Van homo’s, lesbiennes en transgenders die hun eigen persoonlijke strijd moesten voeren om te kunnen zijn wie ze altijd al waren of wilden zijn.

Bittere noodzaak, aldus de activistische comedian Robin Tyler, die de kast waar ze uit moest komen treffend omschrijft als ‘een verticale doodskist’. Pas daarna kon het leven echt beginnen. Trots.

Hating Peter Tatchell

Netflix

Een homo was toch een viezerik die jonge jongens aanrandde? Hoewel klasgenoten regelmatig grapten dat hij gay was, kon Peter Tatchell zich als opgroeiende tiener in Melbourne helemaal niet indenken dat hij zelf homoseksueel zou kunnen zijn. Totdat hij in 1968 bij zijn eerste baantje thuis werd uitgenodigd door een collega. Ze genoten van een diner en hadden daarna seks. ‘Als dit is wat gay is’, dacht Peter volgens eigen zeggen, ‘ben ik gay.’

Zijn gesprekspartner, de Britse topacteur Ian McKellen, moet erom glimlachen. Hij lijkt zich wel in het verhaal te herkennen. Er was maar één probleem: Tatchells ouders waren zwaar christelijk, vertelt hij in Hating Peter Tatchell (91 min.). Hij was bang dat ze hem zouden aangeven bij de politie. Peters moeder, dik in de negentig inmiddels, heeft er overigens nog altijd moeite mee om te zeggen dat gay zijn oké is. En zijn zus Heather lijkt zich daar weer een beetje voor te schamen.

Omdat hij zijn dienstplicht niet tijdens de oorlog in Vietnam wilde vervullen, vertrok Peter Tatchell uiteindelijk naar Groot-Brittannië. Daar zou hij uitgroeien tot een bekend gezicht van de emancipatiebeweging Gay Liberation Front. Toen hij zich in 1981 namens de Labour Party kandidaat stelde voor het Britse parlement, werd Tatchell echter genadeloos kalt gestelld met een lastercampagne. De AIDS-crisis zou de boodschap er vervolgens nóg duidelijker in hameren: echte homoacceptatie moest op een andere manier worden bewerkstelligd.

Met de provocerende acties van Outrage!, en daarachter de meer overleggezinde belangenorganisatie Stonewall, zetten Tatchell en zijn medestanders hun strijd voort. Daarvan zijn in deze documentaire van Christopher Amos talloze omstreden voorbeelden opgenomen; van mannen die zichzelf gaan aangeven bij de politie omdat ze zich schuldig hebben gemaakt aan seksmisdaden (zoenen in het openbaar) tot het ongevraagd outen van bekende Britten die in het openbaar anti-homoregelingen steunden (zoals bijvoorbeeld de toenmalige bisschop van Londen).

Zelfverdediging, noemt Peter Tatchell dat tegenover interviewer McKellen. En zéér effectief: geen van de in opspraak gebrachte kerkleiders heeft zich daarna nog tegen homo’s uitgesproken. Ook in eigen kring kwam er echter veel kritiek op deze tactiek van de verschroeide aarde. Het was een egotrip, volgens de één. Dogmatisch en arrogant, volgens een ander. En hijzelf werd een ‘homofascist’ en ‘queer terrorist’ genoemd. Dat was zwaar, zegt Tatchell nu, maar hij draagt die bijnamen tegelijkertijd met trots.

Terwijl hij in dit scherpe portret ontspannen terugblikt op zijn activisme, schermt de vleesgeworden demonstrant zijn privéleven zoveel mogelijk af. Hij heeft al genoeg (verbaal) geweld te verduren gekregen. Hating Peter Tatchell belicht daarom vooral ‘s mans publieke bestaan, dat al een halve eeuw omspant en zich inmiddels uitstrekt tot zo’n beetje alle mensenrechten. De persoon achter de activist openbaart zich dus hoofdzakelijk in de acties zelf, waarin hij ook op gevorderde leeftijd nog met gevaar voor lijf en leden de confrontatie blijft zoeken.

Lourdes

Zeker drie miljoen mensen maken jaarlijks de pelgrimstocht naar het Franse bedevaartsoord Lourdes (90 min.), meldt de begintekst van deze documentaire. Sinds 1858 zou dit hebben geresulteerd in zo’n zevenduizend onverwachte genezingen. Zeventig ervan worden officieel als wonder erkend door het Vaticaan.

In de stoet gelovigen die dagelijks voorbijtrekt aan de grot van Massabielle, waar de Heilige Maagd Maria in de negentiende eeuw zou zijn verschenen aan de veertienjarige Bernadette Soubirous, bevinden zich mensen met allerlei aspiraties en verwachtingen. In de hoop dat zij als wonder 71 de geschiedenisboeken ingaan, of anders worden geboekstaafd als herstelgeval 7001. Hun bedevaart lijkt een uiting van oprechte (wan)hoop.

Daar – op de plek waar wonderen (moeten) gebeuren, verlichting van alle kwalen kan worden verkregen of op zijn minst vergeving voor ieders zonden wordt verleend – liggen de verhalen natuurlijk voor het oprapen. Op elke straathoek is iemand met een tot de verbeelding sprekend persoonlijk relaas te vinden. Zulke Lourdes-verhalen zijn al veel vaker verteld, maar niet vaak zo sfeervol, van dichtbij en met oog voor detail en drama als in deze film.

De documentairemakers Thierry Demaizière en Alban Teurlai introduceren bijvoorbeeld een gehandicapte man die als kind uit huis ontsnapte en vervolgens werd geschept door een voertuig. Het jongetje dat met zijn vader gaat bidden voor zijn doodzieke kleine broertje. Een man in een rolstoel met de progressieve spierziekte ALS die nog altijd op herstel hoopt. Een tienermeisje dat lijdt onder online pesterijen. En de oudere mannelijke prostituee uit Parijs, die altijd nog eens misdienaar had willen zijn.

Stuk voor stuk bidden ze tot de Heilige Maagd. Deze persoonlijke gebeden, waarvan het audio zéér intiem is vastgelegd, behoren tot de meest overtuigende elementen van een stemmige film, die de massale devotie in het Franse stadje van allerlei verschillende gezichten voorziet. Demaizière en Teurlai werken uiteindelijk toe naar een bijna sacrale slotscène, waarin hun hoofdpersonages mogen baden in ijskoud water uit de heilige grot.

En dan zit de bedevaart naar Lourdes er alweer op, zo op het eerste gezicht zonder wonderbaarlijke genezingen.

Petite Fille

Imagine Film

Zou zij de genderdysforie van haar kind hebben veroorzaakt? Karine Kovac vraagt het zich af. Zij wilde dolgraag een meisje. Na diverse miskramen. Het voelde als een klap in haar gezicht toen ze hoorde dat het toch een jongetje zou worden. Heeft ze Sasha – toevallig haar enige kind met een naam die bij beide geslachten past – zo opgescheept met de diepgevoelde behoefte om als meisje door het leven gaan? Een Petite Fille (84 min.).

Op school begrijpen ze in elk geval weinig van Sasha. Tot grote wanhoop van Karine en haar echtgenoot. Zij roepen de hulp in van een kinderpsychiater. Die moet de schoolleiding en leerkrachten ervan overtuigen dat hun achtjarige kind na de zomer als meisje naar school mag komen. Dat is echter gemakkelijker gezegd dan gedaan. De andere kant zit helemaal niet te wachten op dat gesprek.

Regisseur Sébastien Lifshitz observeert het delicate proces dat Sasha doormaakt. Het meisje heeft nog nauwelijks zicht op het krachtenveld om haar heen, maar voelt het haarfijn aan als ze wordt buitengesloten. Dit wordt wel bijzonder schrijnend als Sasha, enthousiast aangesproken met ‘vent’, bij de balletles van haar juf als enige een kostuum in een andere kleur krijgt aangereikt. Als ze gaan dansen, oogt Sasha eenzamer dan een kind mag zijn. Aan zijn/haar lot overgelaten.

Lifshitz benadert zijn protagonist veelal vanaf ooghoogte en met veel compassie. Kleine intieme scènes zoals het dragen van een badpak aan het strand, kijken in een lachspiegel of dansen als een elfje krijgen daardoor een enorme emotionele lading, die nog eens wordt versterkt met weelderige klassieke muziek. Intieme interviews met Sasha’s ouders, die bang zijn dat hun kind wordt buitengesloten of juist als kermisattractie wordt behandeld, completeren dit intieme portret.

Sasha is zomaar een kind dat de dingen doet die een kind doet. De wetenschap dat ze een jongetje was – en feitelijk nog is – plaatst echter alles wat ze onderneemt in een ander licht en maakt van de kleine stapjes die elk kind moet zetten in haar geval reuzensprongen. Als Sasha met verdrietige ogen voor zich uitstaart, kan bovendien geen mens wegkijken. En als ze lacht, trekt de hemel open.

Killing Patient Zero

Hij is de geschiedenis ingegaan als de man die AIDS hoogstpersoonlijk naar de Verenigde Staten had gebracht. Ofwel: Patient Zero. Gaétan Dugas, een flamboyante purser van de vliegmaatschappij Air Canada met een ongezonde seksuele behoefte. Hij had meer ‘fuckbuddies’ dan goed was voor wie dan ook. Goed, Gaétan zou zelf in 1984 bezwijken aan dat fatale virus, maar van tevoren wist hij het nog lekker rond te neuken. Totdat iedere … (vul scheldwoord in) doodsbang was voor die ‘homokanker’.

Tot zover de kwaadaardige karikatuur die van Dugas is gemaakt: de culminatie van alle vooroordelen die conservatieve Amerikanen over homo’s hadden, de stok om een complete gemeenschap mee te slaan. In deze documentaire maakt Laurie Lynd, nadat hij met prominente LGBT’ers zoals Fran Lebowitz, Richard Berkowitz en B. Ruby Rich eerst de AIDS-crisis nog eens tot in detail heeft doorgelopen, korte metten met die halfbakken theorie. Killing Patient Zero (98 min.), juist.

Dugas was niet zozeer slachtoffer van zijn eigen hedonistische gedrag – en daarmee ook een soort dader, die moedwillig het virus zou hebben verspreid – maar een klassieke zondebok. En de benaming Patient Zero zelfs het gevolg van een stom misverstand: de O van ‘Out of California’ was aangezien voor een 0. En die nul bombardeerde hem, de man die in tegenstelling tot veel andere gays geen last van ‘geïnternaliseerde homohaat’ had, vervolgens tot de bron van al het HIV-kwaad.

Bill Darrow, onderzoeker van de AIDS Task Force van het Amerikaanse Centers for Disease Control And Prevention, kan er nog altijd niet over uit. Zijn ‘cluster study’ kwam volledig verminkt terecht in het boek And The Band Played On van Randy Shilts, die daarmee het hardvochtige beleid van de regering Reagan ten aanzien van de AIDS-epidemie genadeloos aan de kaak wilde stellen. En passant werd een willekeurige homoseksuele man, ook nog postuum, gebrandmerkt als een gevaar voor de volksgezondheid.

Deze krachtige film maakt van de archetypische losbandige homo uit de jaren zeventig Gaétan Dugas weer een mens van vlees en bloed en voegt zo – in navolging van documentaires als Larry Kramer: In Love And AngerHow To Survive A Plague en 5B – opnieuw een gezicht toe aan de schier eindeloze galerij van AIDS-slachtoffers. Zij representeren een tijd waarin homo’s genadeloos werden afgerekend op het feit dat ze de pasverworven vrijheid om te zijn wie ze altijd al waren in de praktijk hadden gebracht.

Jodie Foster – Hollywood Survivor

AVROTROS

‘Ik heb altijd in het vak gezeten’, zegt actrice Jodie Foster. ‘Ik kan me m’n leven voor ik ging acteren niet herinneren.’ Als kindsterretje speelde ze in series als Bonanza, Kung Fu en Napoleon And Samantha. En toen moest ze gaan puberen, altijd een gevaarlijke periode voor een jonge actrice in Hollywood. Kon ze de overstap maken naar een volwassen carrière?

Jodie Foster had daarbij bovendien te kampen met Taxi Driver, een bioscoophit waarin ze al op zeer jonge leeftijd een prostituee speelde. Een film ook die ene John Hinckley op haar spoor zette. Hij ontwikkelde een obsessie voor de jonge Jodie, schreef haar talloze brieven en bewees haar vervolgens zijn liefde door in 1981 een (mislukte) aanslag te plegen op de Amerikaanse president Reagan.

Hoe kun je als jonge vrouw, die haar carrière toch al even op pauze had gezet ten faveure van een studie aan de prestigieuze universiteit Yale, dan nog verder? Deze tv-docu van Camille Juza heet echter niet voor niets Jodie Foster – Hollywood Survivor (54 min.). De actrice bleek uiteindelijk een onvervalste Hollywood-heldin. Binnen enkele jaren goed voor twee Oscars bovendien: voor The Accused en The Silence Of The Lambs.

Die tweede film was behalve een kassucces echter ook omstreden. Werden LGBT’ers daarin niet erg negatief voorgesteld? En was dat niet juist pijnlijk omdat Jodie zelf… nou ja, over haar werd gezegd dat ze… weleens lesbisch zou kunnen zijn? Daar sprak ze alleen nooit over. Volgens filmcriticus B. Ruby Rich knoopte Foster al jong een heel eenvoudige les in haar oren voor castings. ‘Als die mannen denken dat je niet met ze neukt, nemen ze je niet.’

Jodie Foster laat zich nog altijd niet uit over zulke persoonlijke kwesties. Ook niet in dit onderhoudende portret, dat door louter secundaire bronnen wordt bevolkt. Geen echte intimi. Wel veel filmfragmenten, B-roll beelden en oude interviews met Foster. En een verteller die van haar leven een gesmeerd lopend verhaal maakt. Geen typisch Hollywood-verhaal misschien, maar wel een verhaal dat zich alleen daar, in Tinseltown, had kunnen afspelen.

Je Lichaam Je Geest

Human

‘We vieren het leven zolang het nog kan’, zegt een vertegenwoordiger van Mamba Negra, een extravagant kunstenaarscollectief uit Sao Paulo, in de korte docu Je Lichaam Je Wapen (13 min.) van Elizabeth Rocha Salgado. ’Vieren dat we nog leven, dat we nog werken, dat we nog samen zijn.’ Het is alsof zij – de zwarte vrouwen, travestieten, transgenders – in het hedendaagse Brazilië dansen op een vulkaan.

‘Op het moment dat Bolsonaro aan de macht kwam, begreep iedereen dat je vanaf nu ongestraft racistisch en homofoob kan zijn’, stelt een imposante donkere danser, die met ontbloot bovenlijf sensueel voor de camera beweegt. ‘Als kunstenaar, homoseksueel en zwarte heb ik heel mijn leven moeten vechten, maar dat houdt me ook op de been. Mijn huid straalt en die gloed kunnen ze niet doven.’

Van die bravoure en energie moet deze korte sfeertekening, die geen lineair verhaal vertelt en ook geen diepe duik neemt in het leven van de nachtvlinders, ‘t ook hebben. Op dampende muziek geven de edgy dansers en kunstenaars zich over aan lekker mateloze zelfexpressie. Daarmee vormen ze een schild tegen het verstikkende Bolsonaro-klimaat, dat in alles de verwerkelijking dreigt te worden van de boze witte mannen-wereld.

Je Lichaam Je Wapen is hier te bekijken.

De Roze Revolutie

VPRO

‘Laten we elkaar geen mietje noemen: 248 Bis moet weg’, stond er op een protestbord. Begin 1969, een half jaar voor de fameuze Stonewall-rellen in New York, vond in Amsterdam een demonstratie voor homorechten plaats. Het was naar verluidt de allereerste in de wereld. ‘De demonstratie is gericht tegen artikel 248 Bis van het wetboek van strafrecht dat homoseksueel contact tussen meerderjarigen en minderjarigen strafbaar stelt’, stelt een strijdbare studentenwoordvoerder Joke Swiebel. ‘En bovendien zijn de organisaties die hier aanwezig zijn van mening dat dit artikel de opvang van de jongere homofielen en ook van minderjarige homofielen in de weg staat.’

Ruim vijftig jaar later moet Swiebel er een beetje om lachen dat ze het woord ‘homofielen’ gebruikt, een term die sindsdien een ongemakkelijke connotatie heeft gekregen. In de eerste aflevering van De Roze Revolutie (180 min.) blikt ze met Michiel van Erp terug op de protestactie die als startpunt van de homo-emancipatie in Nederland geldt. De vierdelige serie belicht deze ontwikkeling via de tijdloze thema’s verzet, solidariteit, identiteit en vrijheid. Van Erp ontvangt zijn gasten, die gezamenlijk alle aspecten en generaties van de vaderlandse LGBT-historie representeren, in een studiosetting, waar op grote schermen archiefbeelden worden geprojecteerd. Zo ontstaat een soort hybride van documentaire en talkshow, waarbij het wel de vraag is wat de meerwaarde van die studio is. Tot echte interactie tussen verschillende standpunten, ervaringen of generaties komt het slechts beperkt.

De voornaamste troeven van deze serie, waarin Michiel van Erp op een onnadrukkelijke manier ook zijn eigen ontwikkeling als homoseksuele man heeft verwerkt, zijn de diversiteit van de sprekers en het confronterende, grappige en aangrijpende archiefmateriaal waarmee hun persoonlijke herinneringen, sfeerimpressies en bevindingen tot leven worden gewekt. Vanuit een relatief eenduidige emancipatiebeweging – die met de termen homoseksueel, lesbisch en biseksueel vrijwel volledig kon worden ingekaderd – is met vallen en opstaan een veelkleurige gemeenschap met allerlei losse identiteiten ontstaan, onder de (huidige) noemer LGBTQIA+. Verschillende subgroepen claimen daarbinnen hun eigen plek. Zij zorgen ervoor dat de beweging nog altijd niets van zijn oorspronkelijke strijdvaardigheid heeft verloren.

Van Erp vindt in zijn gesprekken de juiste mixture van nieuwsgierigheid, empathie en no-nonsense en leidt zijn publiek daarmee langs belangrijke ijkpunten als de AIDS-crisis, de openstelling van het huwelijk en de, ondanks alle verworvenheden, toch nog steeds opspelende homohaat. Vergeleken met vijftig jaar geleden leven LGBT’ers tegenwoordig in een totaal andere wereld. En toch is die, getuige deze interessante serie, nog altijd niet zo vanzelfsprekend als de wereld waarin hetero’s – cisgenders, in hedendaags jargon – kunnen bivakkeren.

Claudia de Breij – Hier Zijn Wij

‘Claudia die vertelt hoe de wereld in elkaar zit’ had even behoefte aan adempauze. In Heintje Davids (1888-1975), de rasartieste die maar geen afscheid kon nemen, vond ze haar ‘paard van Troje’. En in multi-instrumentalist Michelle Samba en deejay/human beatboxer Abdelhadi Baaddi ontdekte Claudia de Breij trouwe kompanen. Ook om gezamenlijk de Corona-periode, waarin ze alle drie een schrijnend optreedtekort opliepen, enigszins gezond door te komen.

In Claudia de Breij – Hier Zijn Wij (50 min.) documenteert Suzanne Raes hoe het drietal zich leven en werk van Davids, telg van een befaamde Nederlandse artiestenfamilie, eigen probeert te maken. Dat lijkt in eerste instantie vooral spielerei. Totdat ze toch, voor een klein publiek, mogen gaan spelen. Sterker: Carré wacht. En dan worden het sleutelen aan en doorleven van de voorstelling, die voor De Breij toch dichterbij komt dan gedacht, ineens een zaak van, nou ja, levensbelang.

‘De familie Davids was een Joodse familie’, vertelt ze tijdens de muzikale familievoorstelling Hier Ben Ik. ‘Dat had ik helemaal niet verteld, want het maakt toch eigenlijk ook niet uit. Het maakt nooit uit wat je bent. Totdat je het van andere mensen niet mag zijn, toch?’ De oversteek naar haar eigen leven is dan snel gemaakt. ‘Je bent gewoon verliefd op iemand. En dan zegt iemand dat dat niet mag. Dan ben je in één keer een homoseksueel.’

Zo gaat deze voorstelling behalve over de onverbeterlijke revuester ook over Claudia de Breij zelf en haar muzikale partners, voor wie ‘spelen’ niets minder dan noodzaak is. Raes brengt die behoefte en het bijbehorende proces treffend in beeld in een achter de schermen-docu, die is doorsneden met Heintje Davids-fragmenten. En als de voorstelling dan echt staat, gooit Corona weer roet in het eten.

Seyran Ates: Sex, Revolution And Islam

‘Jij goddeloze hoer.’

‘Ik ga je neuken.’

‘Je moet worden doodgestoken.’

Zomaar wat reacties die Seyran Ates op social media krijgt. Zowel rechts als links kunnen haar bloed soms wel drinken. Conservatieve moslims moeten bijvoorbeeld niets hebben van de seksuele revolutie die de vrijdenker bepleit in de islam. En linksmensen en feministen hebben dan weer flinke kritiek op haar verzet tegen hoofddoekjes, die zij als een wapen van het patriarchaat ziet. De Turkse activiste en juriste, sinds haar jeugd woonachtig in Duitsland, wordt er alleen maar strijdbaarder van.

Vanwege haar baanbrekende boeken gaat ze al meer dan tien jaar met beveiliging door het leven. En, oh ja, ook vanwege de progressieve Ibn Rushd-Goethe-moskee in Berlijn, waar mannen, vrouwen en LGBT’ers van harte welkom zijn. En waar vrouwen als imam kunnen functioneren, dat ook. In dit opzicht is ze een geestverwant van Sherin Khankan, de gedreven moslimfeminist uit de documentaire The Reformist die zich in Denemarken beijvert voor een vooruitstrevende islam.

In Seyrans moskee heeft ook haar neef Tugay z’n plek gevonden. Na de dood van z’n vader dreigde hij te radicaliseren, vertelt hij in Seyran Ates: Sex, Revolution And Islam (82 min.). Zijn tante nam hem net op tijd onder haar hoede. Anders was de tiener, die al jaren met een geheim rondliep, volgens eigen zeggen beslist de geschiedenisboeken ingegaan als dader van een terroristische aanslag. De dreiging van fundamentalistisch geweld speelt sowieso een belangrijke rol in deze stevige film.

Regisseur Nefise Özkal Lorentzen begeleidt Seyrans activiteiten met een jazzy soundtrack en gestileerde sequenties en laat de activiste met haar moeder en zus bovendien met speelgoedtreintjes, blokken en huisjes haar jeugd reconstrueren. Ze volgt haar ook tijdens het zendingswerk dat ze in de hele wereld verricht. Ates bezoekt bijvoorbeeld een herdenkingsbijeenkomst voor de terroristische aanslagen in Madrid en ontmoet nabestaanden van een slachtoffer van Anders Breivik.

In haar jonge jaren blijkt ze zelf ook een traumatische ervaring te hebben opgelopen. Ontspannen liggend op een matje in het park vertelt ze over de gebeurtenis die haar heeft gemaakt tot de uitgesproken moslimvernieuwer die ze nu is. In haar eigen moskee neemt Seyran Ates vervolgens lacherig met Tugay de respons daarop door: een archiefmap met verwensingen en bedreigingen. Hoewel haar (anonieme) opponenten creatief te werk proberen te gaan, is er één constante.

‘Uiteindelijk ben ik’, constateert ze met een zekere berusting, ‘toch altijd weer een hoer.’

The Times Of Harvey Milk

Deze Oscar-winnende documentaire uit 1984 valt direct met de deur in huis: Dianne Feinstein, voorzitter van de gemeenteraad van San Francisco, legt op 27 november 1978 een verklaring af voor de verzamelde pers. ‘Zowel burgemeester Moscone als stadsbestuurder Harvey Milk zijn neergeschoten en dood.’ Een golf van ontzetting gaat door de zaal. ‘Nee!’, roept iemand. ‘Jezus Christus!’ Als het rumoer weer een beetje is weggestorven, vervolgt Feinstein haar statement: ‘De verdachte is stadsbestuurder Dan White.’

Beide mannen zijn vermoord in het gemeentehuis. Milk, de eerste openlijke homoseksuele stadsbestuurder van de Verenigde Staten, was pas elf maanden in functie. Hij had zelf al voorzien dat het zo zou kunnen eindigen. Een jaar voor zijn dood maakte hij een audio-opname van zijn laatste wil. ‘Deze opname mag alleen afgespeeld worden als ik ben vermoord’, zegt hij daarop. ‘Ik realiseer me dat iemand die staat waar ik voor sta, een homo-activist, het doelwit kan worden van iemand die onzeker, bezorgd, angstig of gestoord is.’

Harvey Milk beschouwde zichzelf niet zomaar als een kandidaat, zegt hij in de woorden die na zijn gewelddadige dood een nieuwe lading kregen, maar als een werktuig voor het grotere ideaal: een volwaardige plek voor LGBT’ers in de samenleving. Zo wordt hij ook geportretteerd in The Times Of Harvey Milk (88 min.) van Rob Epstein en Richard Schmiechen. Als een typische representant van Frisco’s bijzonder vitale gayscene en als een leider die het gezicht zou worden van de bijbehorende emancipatiebeweging. Want voor homo’s was er nog een wereld te winnen.

Illustratief is een foto van Harvey met de toenmalige president Jimmy Carter, een man die wereldwijd een reputatie zou opbouwen als onvermoeibare voorvechter van mensenrechten. Destijds wilde hij echter helemaal niet op de foto met een homo. Carters vrouw Rosalynn was er zelfs van overtuigd dat de Jood Milk zich moest bekeren tot het christendom. Dan zou die homoseksualiteit ook wel verdwijnen. ‘Ik ben verbaasd dat u mijn hand wilde schudden’, zou Harvey tegen de ‘first lady’ hebben gezegd. ‘Want u heeft geen idee waar die hand al is geweest.’

Harvey Milk beleefde zijn finest hour toen hij een campagne opzette tegen Proposition 6, een initiatiefvoorstel om homo’s uit het onderwijs te weren. Het moment waarop de uitslag van het referendum wordt bekendgemaakt fungeert als omslagpunt voor deze aangrijpende film. Daarna is het rap afgelopen met de gay-politicus, die koelbloedig – of was het toch een vlaag van verstandsverbijstering? – zal worden geliquideerd door zijn collega Dan White, een brandweerman wiens eikenhouten wereld op zijn grondvesten schudde door de Harvey Milks van zijn tijd.

Het leven van Harvey Milk zou nóg een Oscar opleveren: voor acteur Sean Penn, die Harvey vertolkte in de speelfilm Milk.

John Wayne Gacy: Devil In Disguise

‘Ik zie niet in hoe ik antisociaal kan zijn als ik toch zoveel contacten met andere mensen onderhoud’, zegt de man aan de andere kant van de tafel licht verontwaardigd. ‘En hoe zit het dan met die meervoudige persoonlijkheidsproblematiek?’ wil zijn gesprekspartner weten, tijdens een interview dat nooit eerder was te zien. Oh, dat? Dat was vooral een probleem van enkele gekke doktoren. Toen ze langskwamen, had hij zich nog netjes voorgesteld: ik ben John Wayne Gacy, de politicus, de clown, de familieman en de zakenman. ‘De volgende dag stond er in de krant dat ik een meervoudige persoonlijkheid had!’

De gesprekken die Gacy in 1992 met de legendarische FBI-profiler Robert Ressler had – niet vanwege zijn veelzijdige bestaan, maar vanwege de bijna dertig lijken die in de kruipruimte van zijn huis werden aangetroffen – vormen het hart van deze zesdelige docuserie over één van de beruchtste seriemoordenaars aller tijden. Hier is, zoveel is duidelijk, een monster aan het woord. Of op zijn minst een zeer beschadigde man. Hij oogt niettemin als een joviale buurman, die meteen bijspringt als er een klusje moet worden gedaan. Als aannemer had hij in de regio Chicago zo ook een uitgebreid netwerk opgedaan, waarin zich tevens talloze jonge mannen bevonden. Jongens eigenlijk nog. Voor altijd. Door hem.

Drieëndertig moorden zouden er uiteindelijk officieel worden toegeschreven aan de man, die in 1978 werd gearresteerd en die, ondanks het feit dat hij in 1994 toch echt ter dood is gebracht, nog altijd voortleeft als de ultieme killerclown, Pogo. John Wayne Gacy: Devil In Disguise (310 min.) kan worden beschouwd als het definitieve verhaal van deze volledig verknipte figuur. Daarbij heeft regisseur Rod Blackhurst niet gekozen voor een dramatische, nét iets te dik aangezette true crime-‘tone of voice’ gekozen, maar eerder voor een tamelijk nuchtere toonzetting. Ingetogen bijna. Waarbij niet alleen het bizarre personage Gacy en diens gruweldaden worden uitgediept, maar waarbij er ook aandacht is voor z’n slachtoffers en zijn eigen familie, Johns zus Karen Kuzma in het bijzonder.

Behalve agenten, aanklagers en journalisten die destijds bij het onderzoek betrokken waren, komen ook Gacy’s oude celmaat, voormalige medewerkers en – via een audio-interview – zijn tweede vrouw Carole (die zich regelmatig beklaagde over de stank in huis) aan het woord. Hun herinneringen zijn aangekleed met een uitputtende collectie archiefmateriaal. Daarbij springen met name beelden uit 1969 van Gacy in een gevangenis te Iowa in het oog. Hij zat toen, lang vóórdat hij zijn moordzucht zou gaan botvieren, al een straf uit voor ‘sodomie’. Tijdens activiteiten in de keuken en in gesprekken met het bezoek is een modelgevangene te zien, een man die zijn leven heeft gebeterd en die na achttien maanden vervroegd in vrijheid zal worden gesteld. Het monster, dat zich dus al schuldig had gemaakt aan verkrachting, moest zijn ware gezicht nog tonen.

In de slotafleveringen buigt Blackhurst zich over de vragen die onbeantwoord zijn gebleven na Gacy’s executie: van extra slachtoffers tot grootse complottheorieën. Omdat overtuigende antwoorden opnieuw uitblijven, gaat de serie een beetje als een nachtkaars uit. Al heeft John Wayne Gacy: Devil In Disguise ook dan nog altijd één uitgesproken troef: de grijze, ietwat morsige man, die een ordner heeft aangelegd met gedetailleerde informatie over alle 33 slachtoffers en die intussen tegenover Ressler stellig blijft beweren dat hij daar toch echt niets mee te maken heeft. Iemand die niet beter weet zou hem inderdaad voor een sociale vent kunnen verslijten.

Can’t Get You Out Of My Head

BBC

De ‘Illuminatie’, die volgens een deel van de mensheid nog altijd vanuit de coulissen een groot deel van de ontwikkelingen op het wereldtoneel bestieren, zouden een verzinsel zijn van schrijver Kerry Thornley en zijn vriend Greg Hill. Het was de belachelijkste complottheorie die de twee representanten van de Amerikaanse tegencultuur in de jaren zestig konden bedenken. Wie zou er nu werkelijk kunnen geloven in het geheime genootschap van een achttiende eeuwse professor uit Beieren? Hun ‘Operation Mindfuck’ zou echter een doorslaand succes worden – of een gigantisch fiasco – dat tot op de dag van vandaag doorwerkt.

Een bezopen samenzweringstheorie die voor werkelijkheid wordt aangezien, in een wereld waar wel degelijk ook echte complotten worden gesmeed. Het is maar één van de vele kleine verhalen die Adam Curtis in zijn zoveelste ambitieuze project Can’t Get You Out Of My Head (473 min.) verbindt aan de grote verhalen van onze tijd, zoals individualisering, consumentisme en technologie als ideaal middel om (het onderbewuste van) de grote massa te bespelen. Als een ouderwetse schoolmeester, met zijn eigen tics en preoccupaties, wandelt hij met veel bravoure door het doolhof van de moderne geschiedenis. Het resultaat is een ontzagwekkend labyrint op zichzelf: een wirwar van lange, korte en losse verhaallijntjes die op gezaghebbende toon aan elkaar worden geknoopt. Orde in de chaos, die op zichzelf ook weer net zo goed voor verwarring zou kunnen zorgen.

Typisch Curtis, de Britse homo universalis die met zijn wijdlopige video-essays een genre op zichzelf is geworden. In zijn beschouwingen op de hedendaagse maatschappij maakt hij gebruik van inzichten uit de moderne psychologie, economie, filosofie, geschiedenis, sociologie en politiek. Hij hangt die ditmaal op aan enkele hoofdpersonen (zoals bijvoorbeeld Mao Zedongs militante vierde vrouw Jiang Qing, valium-propagator Arthur Sackler, Artsen Zonder Grenzen-oprichter Bernard Kouchner, transgender-activist Julia Grant en Afeni Shakur, lid van The Black Panthers, crack-verslaafde én moeder van een wereldberoemde rapper). Curtis illustreert zijn betoog zoals gebruikelijk met een uitbundige collectie archiefmateriaal en zet daarbij treffende accenten met een edgy soundtrack.

Noem het gerust pompeus, tendentieus en hier en daar zelfs incoherent (of gewoon niet helemaal te bevatten; probeer de Franse revolutie bijvoorbeeld maar eens te verbinden met Tupac Shakur en de chaostheorie). Ook deze nieuwe Adam Curtis-productie probeert echter een net over de aardbol te gooien en zo de psyche van onze tijd te vangen. Alsof je in hartje winter de luiken eens goed tegen elkaar openzet. In de laatste van de zes afleveringen culmineert dit in vragen over de vermeende machinaties achter het Brexit en de verkiezing van Donald Trump en of zulke samenzweringstheorieën niet gewoon pogingen zijn om vat te krijgen op een voor ons allen onbegrijpelijk wereld.

Uiteindelijk ging zelfs Kerry Thornley twijfelen over Operation Mindfuck. Niet zozeer over de ‘Illuminati’, maar over zijn eigen rol in het satirisch bedoelde complot: was hij misschien, zonder dat hij het wist of wilde, toch ingezet als een werktuig van de CIA?

There Is No ‘I’ In Threesome

HBO

Dit is een film over polyamorie. Over de open relatie van Ollie en Zoe. Die ze voor ons allen documenteren. Tot in detail, natuurlijk. Gore details, soms. Een Egodocumentaire. Ja, Ego met een hoofdletter. De twee fladderen lekker rond. Richting zowel mannen als vrouwen. Allebei. Want zo doe je dat. Als je helemaal vrij bent. V-R-I-J. Niet van jaloezie, overigens. Dat is de grote uitdaging.

Straks gaan ze trouwen. En houden ze op met dat geswing. Beloofd. Hand op het hart. En knip op de onderbroek. Dan heeft There Is No ‘I’ In Threesome (87 min.) meteen een duidelijk eindstation. Het blijft tenslotte wel een film. Met hoofdrolspelers. Letterlijk. Ze acteren zichzelf voortreffelijk, hoor. De rol van hun leven. Ook als er andere kapers op de kust komen. Want dan is drama vereist. En jaloezie dus. Geen probleem.

Jan Oliver Lucks opereert tevens als regisseur. Zoe Marshall is zijn muze. En Tom en Siobhan zijn héél aantrekkelijke ‘love interests’. Lekker camerageil, ook. Dat filmen gaat niet zonder slag of stoot, natuurlijk. ‘Probeer bij mij te zijn en niet bij dat ding’, wijst Zoe bijvoorbeeld naar Ollies camera. Het persoonlijke gesprek wordt tóch gefilmd. Begeleid door aanzwellende muziek, voor de zekerheid. ‘Als we geen film maakten, zou je me dan ook hebben gevraagd of ik Tom wil verlaten?’

Ja, dat is een tamelijk elementaire vraag: wat zouden Ollie en Zoe doen, of hebben gedaan, als er geen telefoon draaide? Hadden ze dan ook een SM-sessie gedaan? Een triootje? Een baby bij elkaar geneukt misschien? Oh, sorry, dat is wel erg lomp geformuleerd. Daar gaat het ook niet om. Het ziet er alleen zo opwindend uit. Schaamteloos. Terwijl deze film om kwetsbaarheid draait, natuurlijk.

Intussen ‘leren’ ze ook van alles. Over het leven, jawel. En zichzelf, natuurlijk. Bijvoorbeeld dat Ollie zich verbergt achter de camera. Hoewel we op dat moment al zo’n beetje alles van hem hebben ‘mogen’ zien. En, natuurlijk, ook over hun relatie. Die geen stand kan houden, dat spreekt voor zich. Of toch wel? Ze stevenen in elk geval linea recta af op een do or die-moment. Het point of no return, zogezegd.

En voor de epiloog, de afwikkeling van deze ‘real life’-tragikomedie, heeft Lucks nog een spetterende verhaalwending bewaard. Met de verplichte stichtelijke boodschap tot besluit. Het was allemaal maar een toneelstukje, vermomd als documentaire. Dat is het nog steeds, overigens. En exhibitionisme, dat ook. Dat alleen niks met naakte lijven heeft te maken.

Madonna: Truth Or Dare

‘De onschuld van de dansers ontroerde me. Ik bedoel: ze waren nog nooit ergens geweest’, zegt de ‘Queen of Pop’ over de jonge dansers die ze onder haar hoede nam. ‘Dit is de kans van hun leven. Ze hebben geen gemakkelijk bestaan gehad: lastige familie of gewoon armoede. Ik wilde hen de sensatie van hun leven geven.’

Kun je als cameraploeg observeren, zonder de werkelijkheid te beïnvloeden? De vraag stellen is hem in zekere zin ook beantwoorden. Toch kan een ervaren team, zolang het zich maar onzichtbaar kan maken en vooral heel veel geduld heeft, wel degelijk iets van de waarheid vinden. Het is alleen de vraag of dat ook nog lukt als degene die bespied moet worden zo imagobewust is als Madonna. Geen detail lijkt aan haar oog te ontspannen. Ook als ze gewoon zichzelf – wat dat ook moge zijn – probeert te zijn.

Madonna: Truth Or Dare (119 min.) uit 1991 was naar verluidt oorspronkelijk bedoeld als concertfilm. Regisseur Alek Keshishian ving achter de schermen van de immens succesvolle Blond Ambition Tour echter zoveel interessant materiaal dat het toch een volwaardige documentaire moest worden. Die beelden werden vervolgens zwart-wit gemaakt om ze de ‘feel’ van klassieke direct cinema-films mee te geven. De concertbeelden van de groots opgezette, ravissante en wellustige show bleven wel in kleur en ogen dertig jaar na dato nog altijd vitaal. Hoewel het absolute ‘Dreh- und Angepunkt’ eerlijk gezegd niet altijd even overtuigend zingt.

Wat er achter de schermen ook gebeurt, het is in één oogopslag duidelijk wie er de lakens uitdeelt. Als ze vanwege stemproblemen bijvoorbeeld naar haar stem laat kijken en vriendje van het moment Warren Beatty zich hardop afvraagt of dat soort dingen eigenlijk wel gefilmd moeten worden (ja dus). Als in een roddelblad wordt beweerd dat ze een relatie is begonnen met haar achtergronddanser Oliver (nu stoppen met die onzin). En als de politie haar dreigt te arresteren vanwege een obscene masturbatiescène tijdens haar show (geen gelul, artistieke vrijheid).

Als een echte moederkloek – die status claimt ze overigens maar al te graag in de voice-overs waarmee de film aaneen is gesmeed – waakt Madonna ook over haar entourage. Ze is bovendien het middelpunt van elk feest. Daar zorgt ze wel voor. Óók, of juist, als andere celebrities zoals Al Pacino, Olivia Newton-John en Kevin Costner op audiëntie komen in de kleedkamer. Een kleine tegenvaller moet ze ook verwerken: de Spaanse acteur Antonio Banderas blijkt al getrouwd en heeft zijn vrouw ook nog eens bij zich. Madonna kan er niet over uit hoe knap Antonio is. Er zal toch ook wel iets níet perfect zijn aan hem? ‘Hij heeft vast een kleine penis.’

Zo is en blijft deze documentaire, die in grote delen van de wereld onder de titel In Bed With With Madonna werd uitgebracht, te allen tijd De Grote Madonna Show. Zelfs als dat ten koste gaat van mensen in haar directe omgeving, zoals in die ene klassiek geworden scène waarin één van haar dansers, die dan nog stevig in de kast zit, tijdens een spelletje Truth Or Dare een andere man moet tongzoenen. Dat tafereel had hij, getuige de documentaire Strike A Pose, maar al te graag uit de film laten verwijderen. Madonna – en niemand anders – beschikte echter anders. De werkelijkheid die zij voor de observerende camera orkestreerde bleek uiteindelijk heilig.

Silent Voice

IDFA

De komende anderhalf jaar is hij alleen, waarschuwt zijn begeleider. Dat is Khavaj natuurlijk al zijn hele leven. De Tsjetsjeense MMA-vechter heeft alles achter zich gelaten en zal de komende maanden of jaren moeten doorbrengen in Antwerpen, Brussel of – jawel! – Vilvoorde. En daarna kan hij, als zijn asielaanvraag tenminste wordt goedgekeurd, een andere identiteit krijgen en eindelijk een begin maken met een nieuw leven.

Als homo ben je je leven nu eenmaal niet zeker in het Tsjetsjenië van dictator Ramzan Kadyrov, zo toonde de huiveringwekkende documentaire Welcome To Chechnya al aan. Khavaj is bovendien door zijn familie verstoten. Hij moet het doen met voicemail-berichten van zijn moeder, waarin hij bijvoorbeeld te horen krijgt dat z’n broer Rousian al zijn foto’s heeft laten verbranden. Hij bestaat niet meer. Mag niet meer bestaan. Tenzij hij zich laat genezen, natuurlijk.

Khavaj heeft er geen woorden voor. Of beter: die heeft hij wel, ze willen zijn lippen alleen niet meer verlaten. De Tsjetsjeense jongen is getraumatiseerd. Hij kampt met een Silent Voice (51 min.). Ook de steeds wanhopigere berichtjes van zijn moeder blijven dus onbeantwoord in deze beklemmende documentaire van Reka Valerik, die Khavaj onherkenbaar portretteert. Met veelal donkere, claustrofobische overshoulder-shots, die zijn kleine onrustbarende wereld tastbaar maken en slechts een heel enkele keer worden doorsneden met video’s uit ‘betere’ tijden.

Het torso van de jongen mag dan indrukwekkend zijn en op een bokszak slaat en trapt hij ferm van zich af, maar tegen het schrikbeeld dat anderen, waaronder zijn eigen familieleden, van hem hebben geboetseerd is hij volstrekt weerloos. En het gevaar dreigt ook hier in het vrije westen, waar veel Mixed Martial Arts-club worden gerund door voormalige Tsjetsjenen en waar hij dus elk moment verlinkt kan worden aan de bruut Kadyrov en zijn trawanten.

Terwijl Welcome To Chechnya de gevaarlijke vlucht uit Tsjetsjenië, met de bijbehorende helden en overlevers, in al z’n spanning en drama weergeeft, concentreert dit bedompte ‘vervolg’ zich op hoe het die LGBTI’ers vergaat als ze aan de klauwen van homohaters (lijken te) zijn ontvlucht en toch nog worstelen met het net van onverdraagzaamheid dat over hen heen is gegooid. Er komt een moment dat Khavaj al die wurgende gevoelens eruit schreeuwt.