Behind The Blood

IDFA

Gevangen tussen twee vuren. Van de MS en Terceneros. Twee drugsbendes waarvoor geweld de gewoonste zaak van de wereld is. In San Pedro Sula, de moordhoofdstad van de wereld, bestaat het leven getuige de documentaire Behind The Blood (83 min.) vooral uit overleven. Het is niet vreemd dat Honduras één van de ‘shithole countries’ is, waarvoor de Amerikaanse president Trump zijn veelbesproken muur wil bouwen. Zelfs een plek in de vluchtelingenkaravaan is blijkbaar te verkiezen boven het dagelijks leven in steden als San Pedro Sula.

We moeten loskomen van het stigma dat wie hier komt sterft, meent pastor Daniel Pacheco. Als een soort burgemeester in oorlogstijd probeert hij met alle partijen ‘on speaking terms’ te blijven en hen liquidaties uit het hoofd te praten. Dat is echt een kwestie van spitsroeden lopen. Voor je het weet kom je zelf bij hen in het vizier. Letterlijk. Zijn ‘vriend’ Matathan, een gevreesde huurmoordenaar die zijn ambacht voor het eerst uitoefende op z’n twaalfde, twijfelt intussen of hij er toch niet eens mee moet stoppen.

De job geeft wel status, vertelt hij, onherkenbaar gemaakt, aan de Nederlandse documentairemaakster Loretta van der Horst. En het geld is natuurlijk goed. ‘Mijn favoriete deel is uitbetaald worden’, zegt hij doodgemoedereerd. ‘Vanaf het moment dat ze me bellen voor een klus tel ik de dagen af tot de dag van de missie, want dan word ik immers betaald.’ De gedachte aan wat hij dan allemaal voor zijn zoon en vrouw kan kopen, stemt Matathan nog altijd gelukkig. ‘Dus als ik die persoon heb gedood, ga ik met veel plezier mijn geld ophalen.’ En hij weet natuurlijk ook: de enige manier om een bende te verlaten is in een lijkzak.

‘Daar is het volgende lijk’, zegt televisiejournalist Orlin Castro even later tegen zijn collega’s als de telefoon gaat. En, inderdaad, het duurt niet lang of Castro staat met zijn microfoon en camera weer bij een gedumpt lichaam. Deze persoon blijkt met een machete te zijn afgemaakt. Echt onderzoek doen naar de ware toedracht van het misdrijf is er echter niet bij. Dan ben je je eigen leven niet zeker, weet de verslaggever. Het gevaar komt van alle kanten. Niet alleen van gekende criminelen. Welke rol spelen bijvoorbeeld het Hondurese leger en de politie?

Met zorg portretteert Van der Horst, die zelf geboren is in Honduras, in Behind The Blood de grauwe onwereld die in het Midden-Amerikaanse land is ontstaan. En waarbij je onwillekeurig moet denken aan hoe ook de georganiseerde misdaad in Nederland zich steeds bruter manifesteert. Is dit, moord op bestelling en afgehakte ledematen als dagelijkse kost, ons voorland?

Radio Silence

IDFA

Het ‘pax mafioso’ werd simpelweg hersteld, volgens filmmaakster Juliana Fanjul. Na ruim zeventig jaar aan de macht – een periode waarin Mexico was veranderd in een ‘perfecte dictatuur’ – werd de PRI in 2000 afgestraft door de kiezer. Twaalf jaar later won de oude autocratische partij echter opnieuw de verkiezingen. De okselfrisse Enrique Peña Nieto, zorgvuldig klaargestoomd in bevriende media, werd president.

Een belangrijke criticaster van de nieuwe leider, de populaire radiopresentatrice Carmen Aristegui, kreeg vrij snel daarna ontslag. In een poging om haar monddood te maken, aldus Fanjul in de grimmige documentaire Radio Silence (78 min.). Tevergeefs. Aristegui en enkele getrouwen, gadegeslagen door de filmmaakster, benutten haar verplichte radiostilte om een eigen internetplatform op te starten. Van daaruit hervat ze haar taak als controleur van de macht

Intussen lijkt Mexico definitief te verworden tot een narcostaat: aan bruggen verschijnen demonstratief opgehangen lijken, in Iguala verdwijnen 43 studenten en kritische journalisten bekopen hun werk regelmatig met de dood. ‘Hier stelen we, want daar staat toch geen straf op’, formuleert Fanjul het scherp in één van de vele voice-overs waarmee ze het verhaal van Aristegui en haar land begeleidt. ‘Je kunt beter zwijgen en medeplichtig zijn dan degene worden die zich uitspreekt.’

In die bedreigende atmosfeer, waarin het recht op vrijheid van meningsuiting een welhaast ondraaglijke plicht wordt, weigeren de protagonist en haar medewerkers om (zelf)censuur te accepteren. Juliana Fanjul volgt hen gedurende vier enerverende jaren, op weg naar de volgende verkiezingen. Ben je bereid om te sterven voor deze baan? vraagt ze. Het is een vraag die ze zichzelf vooral niet stellen.

On The President’s Orders

Frontline

‘Adolf Hitler slachtte drie miljoen Joden af. Wij hebben drie miljoen verslaafden. Die zou ik met liefde en plezier afslachten.’ Was getekend: Rodrigo Duterte, president van de Filipijnen. Een man die ook niet schroomt om de daad bij het woord te voegen en van de ‘war on drugs’ daadwerkelijk een oorlog te maken.

Hoe dat gevecht tegen drugsgebruikers en -dealers er in de praktijk uitziet, wordt glashelder in de huiveringwekkende documentaire On The President’s Orders (55 min.). De business loopt als een tierelier, vertelt een plaatselijke uitvaartondernemer. Zijn houding is exemplarisch voor de totale ontmenselijking van alles en iedereen die met drugs te maken heeft. Ze worden opgejaagd door doodseskaders, die er met hun skeletmaskers uitzien als de schurken in een slechte horrorfilm.

‘Veel schietpartijen ogen heel professioneel’, constateren de filmmakers James Jones en Olivier Sarbil als ze de commandant van een gemilitariseerde politie-eenheid confronteren met de enorme hoeveelheid dodelijke slachtoffers. ‘U kunt zich vast voorstellen waarom mensen denken dat de politie erbij betrokken was?’ Ja, antwoordt Octavio Deimos, met een mitrailleur in de hand. ‘Het kan best zijn dat mensen dat denken, maar in werkelijkheid klopt dat niet.’

Even later: ‘Natuurlijk doodt de politie mensen als ze terug vecht.’ Deimos schiet er spontaan van in de lach. ‘Als de politie dat doet, is het geoorloofd. Wij zijn nu eenmaal de politie. En wij handhaven de wet.’ Waarna de man zijn flinterdunne verdedigingslinie helemaal laat vallen. ‘Drugsgebruikers of -dealers hebben hier helemaal niks te zoeken. Zij willen gewoon niet leven. Ze leven al in de hel, dus kunnen wij ze er net zo goed ook echt naar toesturen.’

Zelden zal de zondeboktheorie zo openlijk en zonder enige vorm van verontschuldiging in de praktijk zijn gebracht als tijdens Dutertes schrikbewind in de Filipijnen. Het gevolg, daadkrachtig vervat in deze onrustbarende film, is doodeng: een duistere politiestaat, waarin de absolute leider zijn domme krachten, geanonimiseerd en zwaarbewapend, rücksichtslos op de bevolking loslaat en uiteindelijk – dat valt vrij eenvoudig te voorspellen – niemand veilig zal blijken te zijn.

The Hydra

De beeldspraak is bijzonder treffend: de georganiseerde misdaad als een hydra, een veelkoppige gifslang. Zodra er een kop wordt afgehakt, steekt er elders een nieuwe de kop op. Alleen vuur kan ervoor zorgen dat het monster wordt gedood, aldus Volodymyr Tymoshenko, een voormalige KGB-officier en werknemer van de Oekraïense veiligheidsdienst. Hij bedoelt: als de vraag naar harddrugs, XTC en (meth)amfetamine, in de rest van de wereld opdroogt. Anders is de wildgroei van The Hydra (73 min.) op geen enkele manier te stoppen.

Deze slicke documentaire van Ram Devineni reconstrueert met medewerkers van veiligheidsdiensten en hun informanten hoe begin jaren negentig, na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, in Oekraïne een crimineel netwerk ontstond rond de massaproductie van en grootschalige handel in synthetische drugs. Dit drugskartel vertakte zich al snel naar de rest van Europa. Alle reden dus om een grootschalige operatie op touw te zetten, teneinde die hydra de nekken om te draaien.

Het verhaal van die campagne, onderkoeld verteld zoals alleen typische Oostblokkers dat kunnen, wordt door Devineni met de nodige zwier en humor uit de doeken gedaan. Tarantino-achtige scènes met acteurs, een lekker aanstekelijke synthesizersoundtrack en de nodige wisecracks leuken de boel behoorlijk op. ‘Hee, aan de linkerkant zit je plaksnor los’, grapt Tymoshenko bijvoorbeeld tegen één van zijn contacten uit de tijd dat hij de onderwereld een kopje kleiner probeerde te maken.

De twee mannen ogen tegenwoordig als oude kameraden, die met veel plezier herinneringen ophalen. Écht spannend wordt The Hydra daardoor nooit. Al maken de oude kameraden van de toenmalige operatie wel een vermakelijk schouwspel. En uiteindelijk leidt het spoor naar – hoe kan het ook anders – ons eigen Nederland, waar vertegenwoordigers van de hydra in labs het eindproduct fabriceren en de distributie daarvan naar de rest van Europa in gang zetten. Ruim 25 jaar na dato laat die impuls zich nog altijd niet zomaar… de kop indrukken.

Murder In The Bayou

Ze gingen om met ‘the wrong crowd’, zeggen hun nabestaanden. Ze leefden een ‘high-risk lifestyle’, werpt de plaatselijke politiechef Ricky Edwards tegen. En dat komt hem op flinke kritiek te staan. Alsof de vrouwen, die verslaafd waren aan crack en hun lichaam verkochten, er zelf om hebben gevraagd om te worden vermoord en gedumpt in een plaatselijke ‘swamp’.

Acht prostituees werden er tussen 2005 en 2009 gedood in Jennings County, Louisiana. Ze staan inmiddels bekend als The Jeff Davis 8. En wie verantwoordelijk was voor hun tragische lot, is ruim tien jaar na dato nog altijd ongewis. Murder In The Bayou (269 min.), gebaseerd op het gelijknamige boek van onderzoeksjournalist Ethan Brown, zet opnieuw het mes in de lang slepende kwestie, die als inspiratie zou hebben gediend voor het eerste seizoen van de thrillerserie True Detective.

Het is in elk geval geen seriemoordenaar, volgens de ziedende moeder van slachtoffer Brittney Gary. Ze blijft het maar herhalen in deze vijfdelige documentaireserie van Matthew Galkin. Er. Is. Geen. Seriemoordenaar. En zeker geen ‘seriedumper’, ook al zo’n term waarmee de politiechef, die net als enkele andere sleutelfiguren schittert door afwezigheid in deze serie, de plaatselijke bevolking tegen zich in het harnas heeft gejaagd. Zou hij die term ook hebben gebruikt als de vrouwen niet afkomstig waren van de verkeerde kant van het spoor?

Behalve Ethan Brown en journalist Scott Lewis van de plaatselijke krant The Jennings Daily News, die als extern deskundigen enige klaarheid in de kwestie proberen te brengen, wordt deze serie vooral bevolkt door zogenaamde ‘deplorables’: verlopen mannen en vrouwen met de spreekwoordelijke vuile bek, een troebele oogopslag en die nietsontziende zucht om het complete bestaan te verdoven. Gezamenlijk vormen ze bovendien een potentiële goudmijn voor elke tandarts.

Onder hen zijn ook twee mogelijke verdachten: de schmutzige lokale dealer/pooier Frankie Richard en zijn nicht Hannah Conner. Hebben zij die acht moorden op hun geweten? Werden ze daarna door plaatselijke agenten uit de wind gehouden (of zijn die zelfs betrokken bij het mysterie van de gedode vrouwen)? En welke rol speelde het luizige motel The Boudreaux Inn, waar volgens direct betrokkenen heel wat werd ‘afgepartyd’ (maar het leven desondanks bepaald geen feest was)?

Zoals het een echte true crime-serie betaamt, duwt Murder In The Bayou een dossierkast met mogelijke scenario’s omver. Die worden door Galkin vervolgens met suggestieve beelden, dreigende muziek en de nodige cliffhangers smakelijk uitgeserveerd. Zo ontstaat een duistere, onheilszwangere wereld, waaruit steeds weer nieuwe verhalen kunnen worden opgediept die het daglicht eigenlijk niet kunnen velen.

Hoe die losse incidenten zich precies tot elkaar zouden verhouden en welke overkoepelende theorie daar dan uit voortvloeit, blijft tot het einde van deze beklemmende miniserie ongewis. En ook dan zijn er nog altijd meer vragen gesteld dan beantwoord. Een even onvermijdelijke als onbevredigende slotsom, die een vervolg, al dan niet in documentairevorm, onontkoombaar maakt.

Mystify: Michael Hutchence

Michael Hutchence / Andrew de Groot

Zijn geruchtmakende dood leek een logisch uitroepteken achter een turbulent leven. Van een man die als een archetypische rockgod – compleet met mysterieuze blik, lange manen en structureel ontbloot bovenlijf – het collectieve geheugen zou ingaan. Michael Hutchence, frontman van de Australische rockband INXS. Zanger van wereldhits als Original Sin, Never Tear Us Apart en Need You Tonight. Gestorven op 22 november 1997, op 37-jarige leeftijd. Een dood die werd omgeven door roddel en achterklap. Was het zelfdoding? Of toch zoiets sinisters als wurgseks?

In Mystify: Michael Hutchence (102 min.) probeert regisseur Richard Lowenstein, die diverse INXS-clips maakte en voor deze documentaire toegang kreeg tot het privé-archief van zijn hoofdpersoon, met Hutchences familie, management en bandleden, ex-vriendinnen als zangeres Kylie Minogue en topmodel Helena Christensen en ’s mans beroemde vriend/collega Bono het leven en de carrière van het idool uit te diepen. Lowensteins bronnen leveren (off screen) allerlei anekdotes, maar tot een coherente of diepgravende narratief leidt dit uiteindelijk niet. Hutchence blijft de klassieke getormenteerde zanger – zoals elke muziekgeneratie lijkt voort te brengen – die met gezwinde spoed op zijn onvermijdelijke dramatische einde afkoerst.

De filmmaker kent speciale waarde toe aan een gewelddadig incident in Denemarken, waarbij de zanger een hersenbeschadiging zou hebben opgelopen. Daarna werd alles anders bij Michael Hutchence, die tot dan volstrekt toe ongenaakbaar had geleken. Tekenend is een pijnlijk tafereel bij de Brit Awards van 1996. Nadat  de INXS-voorman een prijs heeft overhandigd aan Oasis, wordt hij publiekelijk afgeserveerd door de gitarist van die band, Noel Gallagher: ‘Has-beens shouldn’t present awards to gonna-beens’. Hutchence druipt vernederd af.

Hij was toen al in een veelbesproken relatie met Bob Geldofs ex-vrouw Paula Yates beland en zou met haar in een duizelingwekkende spiraal van drugs en depressie terechtkomen, die beiden fataal werd. Uiteindelijk was er geen redden meer aan voor Michael Hutchence, luidt dan de conclusie. En in wezen kon hij daar zelf dus ook niet al te veel aan doen. Die ene knal voor zijn hoofd had hem voorgoed veranderd.

Ging het werkelijk zo? Of is dit hoe van elk groots geleefd leven een verhaal met kop en staart wordt gemaakt en een duidelijke oorzaak automatisch tot een onontkoombaar gevolg leidt? Deze film, hoe meeslepend die soms ook wordt, slaagt er in elk geval niet helemaal in om de mens achter het fenomeen Michael Hutchence helemaal te pakken te krijgen.

Noel Gallagher mag natuurlijk ook al enige tijd een has-been worden genoemd. Niet dat hij dat zelf doorheeft, overigens.

Miles Davis: Birth Of The Cool

Van ‘de verpersoonlijking van cool’ tot volledig doorgesnoven weirdo, die zich heeft teruggetrokken in zijn flat en geen muziekinstrument meer aanraakt. De ‘ontwikkeling’ die Miles Davis in zijn volwassen leven doormaakte is terug te zien op de talloze zwart-wit foto’s die van hem zijn gemaakt. Gelukkig heeft de biografie Miles Davis: Birth Of The Cool (155 min.) een derde akte. Net als het leven van de legendarische jazztrompetist.

Met een overvloed aan fraai archiefmateriaal documenteert regisseur Stanley Nelson Davis’ leven en carrière, die een kickstart kregen toen hij in 1944 als tiener bij Billy Eckstine & His Orchestra Charlie Parker en Dizzy Gillespie tegen het lijf liep. ‘Het geweldigste gevoel dat ik ooit heb gehad in mijn leven’, aldus de man zelf (in een voice-over, die is ingesproken door acteur Carl Lumbly). ‘Althans met mijn kleren aan.’ Gezamenlijk zou het drietal de toekomst van de moderne jazz vormen.

Tijdens zijn eerste buitenlandse trip, in 1949 naar Parijs, voelde Davis zich echt serieus genomen als artiest. Hij ontmoette er de Spaanse kunstenaar Pablo Picasso en schrijver/filosoof Jean-Paul Sartre en werd voor het eerst in zijn leven niet meer behandeld als ‘zomaar een zwarte’. Hij werd er ook verliefd op de Franse zangeres Juliette Gréco. ‘Het was een wonder’, zegt ze nu met glinsterende ogen. ‘Het was wat je het wonder van de liefde kunt noemen.’

Waarom trouw je niet met Gréco, zou Sartre haar hebben gevraagd. Omdat ik verliefd op haar ben, had Miles volgens zijn geliefde toen geantwoord. ‘Ik hou van haar.’ Eenmaal thuis kwam de kater: hij was weer gewoon een neger, in een volledig gesegregeerd land. ‘Ik raakte op drift’, zegt hij zelf. En voor hij het goed en wel in de gaten had, was Miles volledig verslingerd geraakt aan heroïne. Het lijkt nu, zeventig jaar later, een keerpunt in zijn leven. Het moment waarop hij verknoopt raakte in zichzelf – en, dat ook, zijn beste muziek ging maken: de langspeler Kind Of Blue (1959).

De kunst van Davis wordt door filmmaker Nelson prachtig in de verf gezet. De gehele film is doordrenkt met zijn expressieve trompet. Daarnaast laat hij z’n kinderen, zijn voormalige muze Frances Taylor (van die, zoals ze zelf gedurig zegt, geweldige benen, die Miles regelmatig, althans figuurlijk, probeerde te breken), jeugdvrienden, collega’s en historici aan het woord. Zij vervolmaken dit intieme portret van een even getalenteerde als getroebleerde man, die zichzelf uiteindelijk toch nog een derde akte toestond.

Devil’s Pie – D’Angelo

Hij deed wat een artiest van zijn kaliber niet doet. Op het hoogtepunt van zijn roem verdween de Amerikaanse soulzanger D’Angelo van de aardbodem. Zijn baanbrekende album Voodoo was in 2000 ontvangen als een absoluut meesterwerk en hijzelf werd vervolgens gebombardeerd tot superster en sekssymbool. En toen kwam de Noorderzon langs en ging D’Angelo er, voorgoed?, achteraan.

Veertien jaar lang leek de artiest D’Angelo dood en begraven, terwijl de man erachter, Michael Eugene Archer, gewoon doorleefde en voornamelijk schimmige verhalen over drugsgebruik, ongelukken en arrestaties voortbracht. ‘Hij is Superman’, zegt zijn voormalige drummer Questlove, die zelf furore maakte met de hiphopgroep The Roots. ‘Maar hij is ook Clark Kent, met kryptoniet gevangen in zijn ziel.’

Volgens de drummer had D’Angelo, die door hem overtuigend in een traditie van getroebleerde zwarte genieën wordt geplaatst, moeite om ‘the chosen one’ te zijn. ‘Op een bepaald moment ging ik elke avond naar bed’, vertelt D’Angelo’s manager Alan ‘Pops’ Leeds, die eerder werkte met lastpakken als James Brown en Prince, met gevoel voor drama. ‘En dan bad ik dat ik niet gebeld zou worden dat hij was opgepakt, dat hij in gevaar was of dat er, God verhoede, nog iets ergers was gebeurd.’

Die dreiging is in de broeierige documentaire Devil’s Pie – D’Angelo (84 min.) van filmmaker en D’Angelo-fan Carine Bijlsma nog altijd voelbaar. Ze benadert haar idool in eerste instantie omzichtig als hij voor het eerst in jaren weer gaat optreden en laat vooral zijn directe omgeving aan het woord. Gaandeweg verschijnt de man zelf steeds nadrukkelijker voor Bijlsma’s camera. ‘Als je op het podium staat, in de studio bent of muziek schrijft en alles geeft en ze je daarvoor betalen’, zegt hij tegen haar. ‘Weegt dat geld dan op tegen wat je geeft?’ Hij geeft zelf antwoord: ‘Nee. Dus wat voedt je ziel als je alles hebt gegeven op het podium? Dat is God. Maar wat dan? Hoe voed je jezelf daarmee?’

Het lijkt één van de centrale dilemma’s in het leven van de soulzanger, die in een godsvruchtige omgeving opgroeide en later op zeer seculiere wijze, met muziek van de duivel, carrière maakte. Muziek als redding en zondeval tegelijk, zoiets. Devil’s Pie is intussen zowel een intiem portret van het gecompliceerde mens D’Angelo zelf als van de groep mensen om hem heen, die ontzag heeft voor zijn talent en alles in het werk stelt om dat te faciliteren. Voor hen is hij zoiets als de Black Messiah, tevens de titel van de langspeler waarmee hij in 2014 zijn comeback zou maken.

Bruce Lee & The Outlaw

The Lost Boys’ lopen stuk voor stuk met hun eigen kleine zakje Aurolac rond. Nicu, een mager joch met aandoenlijke flaporen, en de andere straatkinderen van Boekarest sluiten het zakje dwangmatig rond hun mond en laten zich bedwelmen door de goedkope lak. Om het leven dat ze lijden te ontvluchten.

De jongens hebben zich gegroepeerd rond het station én de oudere jongere ‘Bruce Lee’, die ook wel de koning van de ondergrondse tunnels wordt genoemd. Hij gebruikt de Aurolac niet alleen om te inhaleren, maar spuit zichzelf ook regelmatig helemaal zilverkleurig. Daardoor is hij al tweemaal in coma geraakt.

Bruce bekommert zich als een oudere broer om de jongens, die geen familie of thuis hebben. ‘Ik ben een gewoon kind’, zegt Nicu daarover. ‘Alleen hielp God me niet omdat hij het te druk had met andere kinderen.’ Hij is ondervoed geraakt, heeft HIV en tuberculose opgelopen en belandt in het ziekenhuis. De ‘engel’ Raluca, een betrokken vrouw met een eigen opvang, probeert zich over Nicu te ontfermen.

Fotograaf Joost Vandebrug, die eerder al het boek Cinci Lei over de zogenaamde Lost Boys maakte, heeft Nicu, Bruce en de andere jongens sinds 2011 gefilmd. Het resultaat, Bruce Lee & The Outlaw (59 min.) is een (g)rauwe film geworden over overleven in een harde en koude wereld, de stad onder de stad. Een wereld ook, die té vertrouwd kan worden.

Zo wordt pijnlijk duidelijk als de ontheemde Nicu zich voorneemt om voortaan van ‘de zak’ af te blijven…

Murder Mountain

De vergelijking met Deadwood dringt zich op: een vrijstaat aan de rafelranden van de Verenigde Staten, waar outlaws kunnen ontsnappen aan de wet. Terwijl eind negentiende eeuw de zoektocht naar goud figuren als de louche kroegeigenaar Al Swearengen, sheriff Seth Bullock, cowgirl Calamity Jane en revolverheld Wild Bill Hickok, die er zijn laatste kogel zou vinden, naar de zwarte heuvels van South Dakota lokte, zorgt marihuana er nu al jaren voor dat vrijbuiters, klaplopers en tweederangs criminelen verkassen naar Humboldt County in Californië.

Het begon in de jaren zestig met een groep hippies, die in ‘The Emerald Triangle’ een woongemeenschap startte en illegale wietplanten ging verbouwen. Daar bleek, behalve heel veel rookgenot, ook goed geld in te zitten. En daarvan ging, natuurlijk, een aanzuigende werking uit. Een halve eeuw later is het uitgestrekte, bosrijke gebied uitgegroeid tot een soort moderne variant op het wilde westen, waar plaatselijke bendes de dienst uitmaken en de politie niks heeft te vertellen. Humboldt heeft zelfs zijn eigen ‘ghost town’: Alderpoint, ook wel bekend als Murder Mountain (248 min.), tevens de titel van deze zesdelige documentaireserie.

Sinds 1975 raakten er maar liefst tweehonderd mensen vermist in Humboldt County. Of ze bewust van de radar zijn verdwenen of een handje werden geholpen, blijft de vraag. Regisseur Joshua Zeman werkt één van deze casussen verder uit: de zoektocht naar de 29-jarige Garret Rodriguez, die zijn geluk ging beproeven in de softdrugs-business, in de hoop daarna te kunnen gaan rentenieren op zijn eigen visplek. Rodriguez’s verdwijning zet een serie van steeds verder escalerende gebeurtenissen in gang, die uitmondt in bot en dom geweld. Die ene zaak, boordevol simpele schurken, gesjeesde Vietnam-veteranen en schietgrage burgerwachten, wordt vet uitgeserveerd met spannende slow-motion reconstructies en dreigende muziekjes.

De true crime-achtige verhaallijn, die zich voor het leeuwendeel in 2013 afspeelt, slorbt zeker de helft van deze serie op en wordt enigszins geforceerd samengebracht met een portret van het hedendaagse Humboldt County. De ‘white trash’-variant op ons eigen Ruigoord heeft onlangs te maken gekregen met nieuwe ontwikkelingen. Vanaf 1 januari 2018 is recreatief marihuanagebruik gelegaliseerd in Californië, nadat eerder al medicinaal gebruik van cannabis werd toegestaan. Dat zou de zwarte handel en bijbehorende problematiek tot een halt moeten brengen, maar kunnen én willen de op hun vrijheid gestelde telers wel aan de bijbehorende regels voldoen? Het is in elk geval even aanpassen. De doorgewinterde stoner Jason Dookie van de firma Dookie Brothers neemt na elke bedrijfsbeslissing bijvoorbeeld nog steeds een flinke ‘bong hit’ met zijn waterpijp.

Zo blijft het behelpen in Humbold County, met telers en handelaren die binnen en buiten de wet willen opereren. Één van de kleine zelfstandigen in Humboldt County trekt niet voor niets de vergelijking met de drooglegging, toen de Amerikaanse maffia via dranksmokkel groot kon worden. Zoals ook het Nederlandse softdrugsbeleid aantoont, laten mensen zich nu eenmaal niet zomaar vertellen welke genotsmiddelen ze wel of niet mogen gebruiken en is er op de grens van legaal/illegaal goud geld te verdienen. Intussen is er een behoorlijke kans dat de rechtstaat danig wordt ontwricht. Met alle gevolgen van dien, zo bewijst deze wat onevenwichtige serie, voor gewone burgers die liever aan de zijlijn zouden blijven staan.

Zoals Al Swearengen het ooit, heerlijk profaan, verwoordde in de fictieserie Deadwood (waarvan binnenkort zowaar een speelfilm uitkomt): ‘Every fuckin’ beatin’, I’m grateful for. Every fuckin’ one of them. Get all the trust beat out of you. And you know what the fuckin’ world is.’

The Trade


Een man belt in bij het hulpnummer 911: ‘Ik denk dat mijn dochter dood is’, klinkt het nog redelijk nuchter. ‘Ze ligt in de badkamer, ik kom net binnen. Oh, mijn God! Er komt spul uit haar mond. Uit haar neus. Oh, mijn God, Ashley. Oh, Ashley. Ashley!’ Ashley Staub sterft uiteindelijk aan een overdosis heroïne. Haar twee kinderen speelden in de kamer verderop. Ashleys ouders zitten in zak en as. Zij weet bovendien dat hij ook ooit met een verslaving kampte. Heeft hij die zwakte doorgegeven aan zijn dochter? Agenten nemen de zaak in onderzoek. Haar verslaafde ex-vriendje lijkt erbij betrokken te zijn. Maar hoe komt hij aan zijn dope?

De agenten zoeken door. Terwijl ze speuren naar Ashleys leveranciers krijgen ze meer begrip voor ‘die junkies’, die ze voorheen vooral beschouwden als op te jagen wild. Het blijken gewoon mensen. The Trade (258 min.), een vijfdelige serie van Matthew Heineman over de zogenaamde ’opioid crisis’, belicht de catastrofe die zich in de afgelopen jaren heeft afgetekend via een mozaïek van direct betrokkenen. Gewone – en, opvallend genoeg, vrijwel altijd blanke – mensen uit alle uithoeken van de Verenigde Staten en Mexico. Columbus, Ohio. Juarez, Chihuahua. Atlanta, Georgia. Voetsoldaten en burgerslachtoffers van de opnieuw oplaaiende ’war on drugs’.

Een moeder die haar verslaafde zoons in het gareel probeert te houden (en er één uiteindelijk buiten moet trappen). Don Miquel, het hoofd van de heroïnebende van Guerrero dat zijn territorium wil beschermen. De hoogzwangere dealer. Een Amerikaanse ‘cop’ die in de buurt probeert te komen van de hoogste echelons van een drugskartel. De Mexicaanse man op zoek naar zijn vermiste broer. Een federale agent die in Mexico rücksichtslos poppyvelden laat platbranden. De koelbloedige professionele killer. Een oudere zus die de was doet voor haar verslaafde broer. En alle uitgeteerde lijven, die allang de geest lijken te hebben gegeven en zweren bij die godvergeten naald.

Met de voortreffelijke docuserie The Trade borduurt Matthew Heineman voort op zijn geweldige documentaire Cartel Land uit 2015. Hij zit het drugsspook dat door heel Noord-Amerika waart voortdurend op de hielen en laat zien hoe het in allerlei verschillende, veelal oerlelijke, gedaanten steeds weer de kop opsteekt. Daarbij schakelt hij voortdurend tussen meta- en microniveau; de majestueuze poppyvelden die voor welvaart zorgen aan de ene kant van de grens, zaaien dood en verderf aan de andere kant, bij twee tot elkaar veroordeelde junks in een troosteloos drugspand.

Heineman hanteert intussen met verve het principe ‘show, don’t tell’. Interviews blijven in het fascinerende The Trade vrijwel volledig achterwege. Hij laat van heel dichtbij zien hoe zijn personages grip proberen te krijgen op hun leven en geeft hen diepte middels een ‘monologue interieur’, interviewfragmenten buiten beeld waarmee hij de kijker als het ware in hun hoofd laat kruipen. Soms lijkt wat er voor Heinemans uiterst doeltreffende camera gebeurt bijna te ‘mooi’ om waar te zijn. Alsof hij een real life mash-up van Narcos en The Wire heeft gemaakt, waarin iedere speler, door een wrede speling van het lot gecast, zich netjes aan zijn uitgeschreven rol houdt.

Whitney

Het moet niet gemakkelijk zijn geweest voor Kevin Macdonald; werken aan een documentaire over zangeres Whitney Houston en dan merken dat een concurrent je voor is. Ruim een jaar geleden verscheen Whitney: Can I Be Me, een aangrijpende film van Nick Broomfield over een vrouw die helemaal vast kwam te zitten in haar rol van popster en roemloos ten onder ging aan drugs.

Wat kan Macdonald, die eerder een prachtige biopic maakte van de Jamaicaanse reggaeheld Bob Marley, daar nog aan toevoegen? En dan heeft hij ook nog eens de schijn tegen; waar Broomfield geheel onafhankelijk kon opereren, presenteert zijn Schotse collega nu een geautoriseerde biografie. Zodat je je direct afvraagt wat de erven Houston eruit hebben laten halen en welke plooien zorgvuldig zijn gladgestreken.

Geen zorgen daarover. Whitney (120 min.) is bepaald geen afgevlakte biografie, maar pelt nog een aantal lagen extra af van het fenomeen Whitney Houston en komt zo nóg dichter bij het kwetsbare meisje Nippy dat daarachter verscholen bleef. De film komt zelfs met een pijnlijke onthulling, die de tragische neergang van de zangeres zou kunnen verklaren. Houstons moeder Cissy en tante Dionne Warwick hebben daar overigens meteen afstand van genomen. ‘Geruchten, verdachtmakingen en roddels’, stelden zij in een gezamenlijke verklaring.

Verder had Macdonald de beschikking over prachtig archiefmateriaal van de zangeres en kreeg hij toegang tot Houstons directe omgeving. Behalve haar zingende moeder Cissy, die overigens een zeer beperkte rol speelt in deze film, verschijnen ook haar broers Michael en Garland, enkele persoonlijke huisvrienden en ex-echtgenoot Bobby Brown  voor de camera. Tezamen leggen ze de puzzel Whitney – door criticasters overigens stelselmatig Whitey genoemd, omdat ze haar zwarte roots zou hebben verkwanseld.

Macdonald zet bovendien andere accenten dan Broomfield: Whitneys al dan niet lesbische verhouding tot haar personal assistant Robyn Crawford krijgt bijvoorbeeld minder gewicht en wordt ook in een andere context geplaatst. Al met al is dus ook deze Whitney-biopic zéér de moeite waard. Als losstaand portret, maar ook als vervolg op die andere visie op de geplaagde zangeres. In sommige levens zitten nu eenmaal meerdere films.

Hated: GG Allin And The Murder Junkies

Je kunt hem punker noemen. Performancekunstenaar. Of gewoon: volledig gestoord. De openingstekst van deze geruchtmakende documentaire uit 1993 over het gewezen punkicoon laat er echter geen misverstand over bestaan. ’GG Allin is een entertainer met een boodschap voor een zieke samenleving. Hij laat ons daarnaar kijken, zodat we kunnen zien wie we zelf zijn.’

De schrijver concludeert: ‘Vergis je niet, achter wat hij doet zit beslist een brein.’ Was getekend niet minder dan John Wayne Gacy, succesvol aannemer, de ideale clown voor uw kinderfeestje en, o ja, berucht seriemoordenaar. Welkom in de verknipte wereld van GG Allin, de ideale representant van punk die nog oprecht gevaarlijk kon en wilde zijn.

Todd Philips, die later Hollywood-comedy’s als The Hangover zou regisseren, probeert het fenomeen te vatten in de ronduit onsmakelijke film Hated: GG Allin And The Murder Junkies (52 min.). Hij gaat met de ‘zanger’ en zijn band op tour door Amerika en spreekt met mensen uit zijn heden en verleden. GG zelf heeft hem verder weinig te melden. Het is met name zijn broer Merle, getooid met een uit de hand gelopen Hitlersnor, die voor duiding van deze geboren provocateur moet zorgen.

GG doet vooral van zich spreken met zijn spraakmakende performances. Wat een optreden van de held zoal inhoudt? GG schreeuwt. Slikt van alles. Spuugt. Draagt een nazihelm. Scheldt. Vecht. Dreigt met zelfmoord. Kotst. Verwondt zichzelf. Schijt. En eet dat weer op. Intussen probeert hij uit de cel te blijven. Een gemiddeld optreden beëindigt Allin helemaal buiten zinnen, zwaar bebloed en piemelnaakt. Een trouwe schare devote fans achterlatend.

Een ideale vent kortom, om te laten opdraven in de schreeuwerige talkshows waar de Amerikaanse televisie al decennia het patent op heeft. En laat het maar aan, een bijkans kwijlende, presentator Geraldo Rivera over om Allin vervolgens vakkundig ten toon stellen voor zijn kijkerspubliek van ‘average Americans’. Waarmee de punkscene reden te meer heeft om GG Allin, die later aan de verplichte heroïne-overdosis zou bezwijken, op het schild te hijsen als een vleesgeworden middelvinger.

En dat is precies wat deze film doet.

In de korte documentaire Live Fast Die: The GG Allin Story uit 2008 probeert Jay McBeth met GG’s moeder, broer en liefhebbers ene Kevin Michael Allin te vinden, de man achter deze punkvariant op een bezopen circusact.
 

Rabot

 

De drie Rabottorens in Gent doen een beetje denken aan Pruitt-Igoe, het Amerikaanse flatgebouw in Saint Louis dat halverwege de jaren vijftig werd opgeleverd als een wonder van stedenbouwkundige vernieuwing en al in 1972 letterlijk is opgeblazen. In sneltreinvaart verworden tot een niet meer te redden getto (een tragedie die is vastgelegd in de documentaire The Pruitt-Igoe Myth: An Urban History). Ook in de Rabottorens wilde je ooit wonen. Ooit. Tegenwoordig leven er vooral mensen die weinig keuze hebben.

Het aftakelingsproces heeft zich in Gent over meerdere decennia voltrokken, maar inmiddels worden de flats in de volkse Rabotwijk toch echt stelselmatig ontmanteld. De verhuisdozen gaan er bij wijze van spreken van hand tot hand. De allerlaatste bewoners zitten er intussen hun tijd uit. Ze kunnen of willen geen kant op – of kunnen niet wachten totdat ze de deur van de met vunzige en discriminerende leuzen volgekalkte lift voor de allerlaatste keer achter zich dicht mogen trekken.

In deze grijsgrauwe documentaire portretteert Christina Vandekerckhovede bewoners van één van de woontorens. Een deprimerende kolos aan de Van Cleeflaan, tevens een gewilde plek voor Gentenaren die het leven moe zijn. Met compassie vereeuwigt de Belgische filmmaakster de treurnis in Rabot (95 min.). Ze vindt er memorabele hoofdpersonen, zoals een Ghanese vrouw met enorme stemmingswisselingen en haar beschonken ex-echtgenoot, enkele (voormalige) verslaafden die vooral uit de problemen moeten zien te blijven en een hoogbejaarde man die nog steeds minutieus al zijn uitgaven noteert.

Vandekerckhove vertelt hun verhalen niet lineair, maar laat snapshots uit hun levens zien en gebruikt die als bouwstenen voor een tragische vertelling, waarbinnen de (aanstaande) sloop van de flat het onvermijdelijke einde moet vormen. Er wordt gestaard, gevreten, lawaai gemaakt, gepaft, obsessief verzameld, gesproken met consumptie en – natuurlijk! – gezopen. In een armoedig decor, waar de verf afbladdert en het behang van de muren komt.

En dan zet één van de bewoners, een oudere alleenstaande man, om de eenzaamheid te verdrijven Love Me Tender van Elvis Presley op en fabriceert Vandekerkhove er een prachtig trieste sequentie van, die nog wel even nazindert. Na ruim anderhalf uur Rabot overheerst uiteindelijk een desolaat gevoel. Van armoe en verval. Van leven dat zijn glans verliest – of gewoon nooit heeft gehad.

Cartel Land

 

Als het aan de huidige Amerikaanse president ligt, had er allang een muur gestaan in Cartel Land (94 min). Betaald door Mexico, vanzelfsprekend. Deze geweld(dad)ige documentaire uit 2015 dateert echter nog van ruim voor Trumps (imaginaire) afscheiding tussen de Verenigde Staten en zijn zuiderbuur, als in Mexico en het grensgebied met de Verenigde Staten ook al een bloedige drugsoorlog wordt uitgevochten.

Regisseur Matthew Heineman, die sindsdien de huiveringwekkende IS-documentaire City Of Ghosts en het vijfdelige drugsepos The Trade (een soort verdere uitwerking van Cartel Land) maakte, begeeft zich als een vlieg op de muur in het heetst van de strijd en belandt zo in hachelijke omstandigheden. Dat resulteert in talloze onvergetelijke scènes, zoals bijvoorbeeld de hardhandige arrestatie van Chaneque, de leider van het uiterst bloeddorstige Tempeliers-kartel, die ondertussen woedende dorpsbewoners van zich af moet zien te houden.

Heineman vindt ook diverse kleurrijke personages. Amerikaanse vigilantes, die het recht in eigen hand nemen en bij de grens doodgemoedereerd burgerarrestaties verrichten. En aan de andere kant van diezelfde grens volkshelden zoals de enigmatische Mexicaanse arts José Manuel Mireles en zijn rechterhand ‘Papa Smurf’, die als leiders van de Autodefensas-burgermilitie terugvechten en dorpen proberen te veroveren op het Tempeliers-kartel. Ook in deze oorlog is echter niets wat het lijkt.

Cartel Land brengt zo behalve de hardheid van de drugsoorlog ook het ambigue karakter ervan op weergaloze wijze in beeld: wie zijn eigenlijk de good guys in dit vuile gevecht om de ziel van het land? En wanneer worden de middelen om de kartels uit te roeien erger dan de oorspronkelijke kwaal?

Laila At The Bridge

 

In een busje gaat Laila de verschoppelingen hoogstpersoonlijk ophalen. De mannen en vrouwen liggen onder een brug, in hun zelfverkozen roes of helemaal naar de kloten. Laila Haidari, de ‘moeder van de verslaafden’, en haar broer Hakim, die zelf dertig jaar verslingerd was aan heroïne, nemen ze mee naar hun verslavingscentrum in de Afghaanse hoofdstad Kaboel. Eenmaal in het moederkamp worden de junks direct ontsmet en kaalgeschoren. Hun nieuwe leven kan – nee, moet! – beginnen.

Sinds de Amerikaanse inval in 2001 bloeien de poppyvelden als nooit tevoren in Afghanistan. Heroïne is spotgoedkoop in het land, dat geldt als de grootste opiumproducent van de wereld. Een dagelijkse dosis is ongeveer net zo duur als enkele broden – en voor menige Afghaan, geraakt door de eeuwig durende oorlog in het land, bovendien minstens zo aantrekkelijk. Vol overtuiging blijven Laila en de haren echter met de kraan open dweilen. Al zouden ze er maar één mensenleven mee redden…

Op zoek naar financiële steun banjert de daadkrachtige powervrouw in Laila At The Bridge (52 min.), een schrijnende documentaire van Elizabeth en Gulistan Mirzae, intussen als een vrouwelijke olifant door een verder vrijwel geheel mannelijke porseleinkast. Ze raakt daarbij regelmatig de weg kwijt in de volledig gecorrumpeerde Afghaanse bureaucratie. En zo nu en dan krijgt ze anonieme telefoontjes. Van de plaatselijke drugsmaffia? Laila doet er niet moeilijk over, scheldt haar bellers ongegeneerd de huid vol en vervolgt haar missie. Intussen neemt ze de kijker voor zich in.

Unknown Brood

 

Provocerend gesteld: Herman Brood is de ideale rock & roller voor mensen die eigenlijk niet van rock & roll houden. Of beter: voor mensen die de rock & roll-levensstijl verkiezen boven de muziek. Zoals je hem ook de ideale kunstenaar kunt noemen voor mensen die eigenlijk niet van kunst houden. Of: de troeteljunk van mensen die drugsverslaafden het liefst uit hun eigen straat verjagen. Ik draaf door…

Regisseur Dennis Alink probeert in deze krachtige film de Unknown Brood (85 min.) te vinden, de man achter het fenomeen. Volgens eigen zeggen was die mensenschuw, sociaal onhandig en ‘allergisch voor gezelligheid’. Speed hielp hem over de drempel om ‘Herman Brood’ te worden. Zonder drugs zou hij niet oud zijn geworden, denkt zijn jongere zus Beppie zelfs. Achteraf bezien was er in zijn leven en werk altijd al een doodswens aanwezig, die in 2001 culmineerde in die fatale sprong van het Hilton.

Alink voert in zijn documentaire de gebruikelijke Brood-mythevormers op: de onvermijdelijke manager Koos van Dijk, de onvermijdelijke oud-bandleden en de onvermijdelijke biograaf Bart Chabot. Stuk voor stuk lijken ze hun bestaansrecht te ontlenen aan de jaren in het kielzog van de rock & roll junkie. Behalve zulke usual suspects komen ook intimi als Hennie Vrienten, Willem Venema en Anton Corbijn aan het woord. De echte meerwaarde zit echter bij Broods openhartige vrouw Xandra en kinderen, zijn ex-vriendin Dorien (die hem inspireerde tot Doreen) en zijn nuchtere zus. Zij openen de deur naar de Herman die Brood liever verborgen hield.

‘Herman en ik zeiden wel eens tegen elkaar dat we last hadden van een gelukkige jeugd’, beweert Beppie Brood stellig. Hij speelde in het openbaar echter liever de getormenteerde artiest, die een beroerde jeugd had gehad als loensend, gepest jongetje. Het was slechts één van de elementen van het trucje ‘Herman Brood’, dat gretig aftrek vond bij gulzige journalisten en televisiemakers, die zich hier in allerlei archieffragmenten van hun meest schaamteloze kant laten zien. Brood documenteerde daarnaast met een filmcamera zijn eigen leven. In rafelige homevideo’s tekent hij opmerkelijk afstandelijk zijn eigen aftakeling op.

Naarmate de documentaire vordert wordt het verval steeds zichtbaarder. Hij had dat zelf ook maar al te goed door. Herman wilde, in de woorden van die andere speedkikker Jules Deelder, niet eindigen als ‘een halfje Brood’. Tegelijkertijd zag hij er ook wel de (donkere) romantiek van in, getuige de vergelijking die hij in een interview trekt met de aan een overdosis bezweken stand up-comedian Lenny Bruce (van wie hij volgens de overlevering de kreet Shpritsz leende). Waarna Neerlands bekendste rock & roller uiteindelijk die al meermaals in bijzinnen, grapjes en songs aangekondigde stap in het diepe waagde en met het beëindigen van zijn leven nog eenmaal zijn imago bestendigde.

Van buitenaf bezien en met de wetenschap van nu lijkt Broods hele bestaan een soort uiting van het onvermogen om gewoon te leven. En juist dat maakt hem, en deze film die het beeld van een wankelend rock & roll-cliché behoorlijk kantelt, zo aangrijpend. Mens onder de mensen. Zelfs als je Herman Brood bent – of speelt.

Een fenomeen als Herman Brood vormt dankbaar documentairemateriaal. Rock ‘N Roll Junkie is bijvoorbeeld een klassieke docu uit 1994 over Neerlands bekendste rock & roller, gemaakt door vier overtuigde Brood-liefhebbers. Daarin zien we Brood zoals we hem kennen: cool, geil en high.

In Buying The Band, dat begin dit jaar een bescheiden hype werd in popland Nederland, is te zien hoe enkele leden van Herman Broods voormalige begeleidingsband, The Wild Romance, helemaal zijn blijven hangen in de rock & roll-lifestyle van weleer. De uiterst vermakelijke film van Teus van Sintmaartensdijk laat zien hoe ondernemer en would be-drummer Jan ’t Hoen zich inkoopt in de band en met hen onder de noemer Romanza Brava on the road gaat. De ontwikkelingen die hij zo in gang zet, zijn even voorspelbaar als komisch.

Recovery Boys

Bedremmeld staan ze aan de rand van de dansvloer. Niemand zit toch op hen te wachten? Het hele dorp Aurora kijkt vast op hun neer. Zij, de bewoners van Jacob’s Ladder, een boerderij waar verslaafden definitief een streep onder hun woelige verleden willen zetten. Met de zorg voor dieren, noeste arbeid en de onvermijdelijke groepsgesprekken proberen ze terug te keren bij zichzelf.

Op het feest in het Amerikaanse heartland, West Viginia om precies te zijn, moeten ze wel uit de buurt van drank en drugs zien te blijven. Uiteindelijk laten Jeff, Rush, Adam en Ryan zich toch overhalen. Aan de arm van een plaatselijke vrouw zwieren ze, broodnuchter, over de dansvloer. Intussen verschijnt op hun gezicht een glimlach, die ze allang kwijt geraakt dachten te zijn.

De mannen zijn al enkele maanden clean als ze op het plattelandsfeest verzeild raken en werken gestaag aan zichzelf op de boerderij van Kevin Blankenship, die zelf een zoon heeft die ooit verslaafd was. Hun vertrek uit het veilige Jacob’s Ladder nadert. Ze hebben vertrouwen in de toekomst. Sobriety rocks my socks!, staat er ferm op de deur van één de slaapkamers.

Halverwege de indringende documentaire Recovery Boys (90 min.) van Elaine McMillion Sheldon, die eerder het voor een Oscar genomineerde Heroin(e) maakte, lijkt de toekomst de mannen eindelijk toe te lachen. Vergeten zijn het misbruik en de misère van hun jeugd en het eenzame gevecht met heroïne en coke. Ze lijken klaar voor de rest van hun leven. Maar de film is dan nauwelijks over de helft…

Over de Amerikaanse Opioid Crisis zijn in het afgelopen jaar al diverse documentaires gemaakt. McMillion Sheldons Heroin(e) focust zich bijvoorbeeld op de hulpverleners, terwijl Warning: This Drug May Kill You kijkt naar de verslaafden zelf, gewone mensen die door een wrede speling van het lot (vaak een ziekte of ongeluk) in de hoek zijn beland waar de klappen vallen.

En als je echt diep in de materie wilt duiken, de problematiek aan den lijve wilt ervaren als het ware, ga dan op zoek naar de geweldige vijfdelige documentaireserie The Trade van Matt Heineman (Cartel Land), een soort real life mash-up van Narcos en The Wire waarin alle aspecten van de drugsepidemie aan bod komen.

 

A Year Of Hope

 

Kun je ergens achter die wezenloze blik of in dat geharde lijf het kind terugvinden dat op straat verloren is gegaan? Enkele verweesde jongens uit een sloppenwijk van de Filipijnse hoofdstad Manilla worden uitgenodigd om een jaar lang in een rehabilitatiecentrum buiten de stad te verblijven, met als doel om daar een ánder leven op te bouwen. De documentaire A Year Of Hope (57 min) van Mikala Krogh observeert hoe ze zich los proberen te maken van hun bestaan aan de zelfkant.

Slapen op een stuk karton, stelen om te overleven en lijm snuiven teneinde de altijd aanwezige honger te verdrijven. Het was misschien een desolaat leven, maar kun je er ooit helemaal van loskomen? Zeker als je lijf en geest nog de sporen dragen van volledig ontspoorde seksualiteit. Victor, een gefingeerde naam, wordt er in het centrum bijvoorbeeld op aangesproken dat hij een andere jongen onzedelijk heeft betast. Als hij zijn excuses aanbiedt, mag hij onderdeel blijven van de groep. Kan Victor die stap zetten?

Die nieuwe, liefdevolle omgeving in het Stairway Centrum, waarbij er ineens ruimte is voor sport, spel en een bezoek aan het strand, brengt de tieners uit hun evenwicht. Met wisselend resultaat. Terwijl de één na lange tijd zijn glimlach hervindt, komt een ander juist klem te zitten in de wereld die zich voor hem opent. Zijn geest lijkt alleen gewend aan gesloten deuren. In de gevoelige film A Year Of Hope bereiden ze zich voor op hun terugkeer naar de grote boze buitenwereld, fier door de voordeur of stilletjes via de achteruitgang. Waarbij alle hoop die nu opflakkert een moment later zomaar de bodem kan worden ingeslagen.

Eric Clapton: Life In 12 Bars

 

Nog voordat John Lennon verklaarde dat The Beatles toch echt groter waren dan Jezus en The Stones de Duivel probeerden aan te roepen, werd gitarist Eric Clapton hoogstpersoonlijk uitgeroepen tot opperwezen. De fameuze ‘Clapton Is God’-muurschildering, die in 1965 op een station in Londen verscheen, moet als een molensteen om zijn nek hebben gehangen. Want God werd – in tegenstelling tot die andere legendarische gitaarheld, Jimi Hendrix – gewoon oud. Als een doodnormale sterveling.

Hij is inmiddels in de zeventig, de rockgod van weleer. Sadder & wiser ook. In de geautoriseerde biografie Eric Clapton: Life In 12 Bars (133 min.) van confidant Lili Fini Zanuck, die door Het Uur Van De Wolf in twee delen wordt uitgezonden, wordt zijn glorieuze carrière, en het getormenteerde leven daarachter, afgepeld tot de kern: de moeizame relatie met zijn moeder, die hij tot z’n negende beschouwde als zijn oudere zus. Zij heeft nooit een serieuze poging ondernomen om een relatie op te bouwen met haar zoon. Die hechtingsproblematiek is hem een leven lang blijven achtervolgen.

Van daaruit legt Zanuck (of is het Clapton zelf?) met een weldaad aan archiefmateriaal en off screen-interviews met alle relevante passanten uit Claptons leven een direct verband met diens verdoemde liefde voor Pattie Boyd, de vrouw van boezemvriend en Beatles-gitarist George Harrison, en zijn afhankelijkheid van drugs en drank (die in 1976 tot deze pijnlijke rant over een Blank Engeland zou hebben geleid). Vanuit ongeluk zoop en snoof hij zich een ongeluk, naar de onvermijdelijke catharsis die je de hele film ziet aankomen.

En als Clapton eindelijk vrede met zichzelf en zijn leven lijkt te hebben gesloten, slaat het noodlot opnieuw toe. Het zal hem, in een tragische speling van het lot, zijn allergrootste hit opleveren: Tears In Heaven, tevens het emotionele hoogtepunt van deze krachtige film, die de afgelopen twintig jaar in het bestaan van deze maar al te menselijke man afdoet met enkele zoetsappige ‘eind goed al goed’-constateringen. En dat ‘Clapton is God’ zou trouwens wel eens een publiciteitsstunt kunnen zijn geweest, bekende hij onlangs in een interview. Of was die uitspraak opnieuw een poging om zichzelf tot menselijke proporties terug te brengen?